vandenb.com // Walter van den Berg


Het pact dat we nooit hadden

Ik was niet de enige die het verhaal van Griet op de Beeck over haar incestverleden ingewikkeld vond. Er is een periode geweest dat hervonden herinneringen over misbruik een soort van in de mode waren, en ik denk dat in die periode flink wat wantrouwen is gekweekt. Maar ik wilde geen oordeel vellen omdat oordelen uberhaupt te veel worden geveld; je kan ook iets voor kennisgeving aannemen en denken: klote voor iemand die daar mee rondloopt. Jamal Ouariachi heeft daar een erg goed stuk over geschreven bij Vrij Nederland. Bovendien is het een feit dat iedereen meer herinneringen kwijtraakt dan bewaart, en dat kwijtraken kan met een reden zijn.

Ik had het erover met mijn vrouw bij een etentje. We waren allebei fan geworden van Op de Beeck als mens bij die uitzending van Zomergasten; ze zei toen heel veel waar we samen hard bij zaten te knikken.

Ik denk dat de kern van Op de Beecks denken over de ellende van het mens zijn erg overeenkomt met mijn denken: ouders beschadigen hun kinderen door geen veilige omgeving te bieden bij het opgroeien, en kinderen zijn dan zo loyaal dat ze zich nog schuldig voelen over hun beschadiging ook.

Mijn boeken gaan daarover, ongeveer, en het werd me duidelijk dat Op de Beecks boeken daar ook over gaan. Ik heb anderhalf van die boeken gelezen, en ik werd niet zo’n fan van Griet als schrijver, vooral omdat ze alles wat ze duidelijk wil maken ook heel erg duidelijk maakt, maar dat is een legitieme keuze als je mensen wilt bereiken; als je niet wil dat mensen over iets belangrijks heen lezen.

En ik denk ook dat dat een goed ding is, in dit geval; het is niet goed voor De Literatuur, maar (en Jamal Ouariachi zal me hier om vervloeken) fuck de literatuur maar af en toe. Van de honderdduizend boeken die Op de Beeck verkoopt, zitten er duizend boeken tussen die mensen daadwerkelijk helpen, zijn er duizend lezers die denken: dus daarom loop ik rond met dit kutgevoel. Misschien moet ik er iets aan gaan doen.

Maar daar komt mijn ‘moeite’ met dat ontdekte incestverleden ook vandaan, denk ik.

Ik denk dat Griet en ik tot nog toe min of meer over hetzelfde schreven: ouders beschadigen hun kinderen door verwaarlozing, kinderen zijn sukkels dus die denken dat het aan hun lag en hebben er in hun volwassen levens nog last van. Ik doe dat onder een hele spekkoek van lagen, Op de Beeck vertelt het min of meer letterlijk.

Maar: ik vertel dat vaak wel bij lezingen. Waar gaan je boeken over, nou, hierover. En wat ik dan belangrijk vind om erbij te vertellen: je stiefvader hoeft je moeder niet in elkaar geslagen te hebben (zoals bij mij het geval was, en wat ik terug laat komen in mijn boeken) om je een kutleven te hebben bezorgd. Verwaarlozing kan op allerlei manieren gebeuren; er hoeft niet iets aanwijsbaars groots te zijn gebeurd. Het kunnen ook honderd kleine dingen zijn geweest — juist dat is veel vaker de oorzaak van de shit waar je nu nog mee rondloopt.

Dat maakte Op de Beeck ook duidelijk, denk ik, en wat ik eerder zei: ik denk dat ze daar veel mensen mee heeft geholpen. Maar als ze nu een incestverleden blijkt te hebben, zouden veel mensen die zich eerder gezien voelden (terwijl ze eigenlijk niet wisten dat ze wachtten op dat gezien worden), nu weer kunnen denken: zie je, ik stelde me aan, want het gaat toch om de grote dingen waar je je slecht om mag voelen.

Begrijp me niet verkeerd, ik vind Griet op de Beeck geen aansteller, geen verrader van het pact dat we nooit hadden, ik vind het oprecht klote voor haar dat ze met dit verleden rondloopt. Maar dit idee veroorzaakte mijn ingewikkeld-vinden van haar incestverhaal.

Geen reacties | Link | 3 oktober 2017 | Categorie:


alles © Walter van den Berg.






Poging tot natuurbeschrijving

Als ik het tuinhek dichttrek en het weggetje naar de dijk opga, zet ik twintig passen tot ik boven ben.

Achter de dijk liggen de uiterwaarden, die zijn verdeeld in vakken van groen, en de kleuren groen verschillen van elkaar omdat verschillende boeren het hoge gras op verschillende tijden wegmaaien. Langer gras is donkerder groen. Net gemaaid is geler omdat het lange gras dat er heeft gestaan de ondergroei heeft verstikt. Ik weet niet hoe de verdeling van de maaivelden tot stand komt, ik weet niet wat eigendom is en wat afspraak. De uiterwaarden zijn van Rijkswaterstaat, denk ik.

De groene vakken zijn afgezet met houten paaltjes, tussen de paaltjes hangt tam prikkeldraad.
Links staan twee Shetlandponys, en bij hun afgezette veldje zit vaak een buizerd op een van de paaltjes. Ik heb in een vogelboek gelezen dat buizerds dat graag doen, op paaltjes zitten.
De ponys vervelen zich. Het spannendste wat ze op een dag doen is hun jeuk verdrijven door langs het prikkeldraad te schuren. Twee velden achter hen staan witte koeien met een paar kalveren.

Tussen de velden door loopt een weggetje. Het heet ‘Steenfabriek’, omdat er vroeger aan het eind van het weggetje een steenfabriek stond. Het weggetje slingert naar rechts, en nu staan er op de plek van de oude steenfabriek nog twee huizen op een kleine terp. De bewoners van die huizen praten niet met elkaar.

Achter de uiterwaarden en de twee huizen ligt de Waal. Je ziet het water net niet stromen door de groepen bomen die om de huizen heen staan, maar als er een schip langs vaart, zie je de kleuren van de containers op het dek. Langs de Waal staan nog meer steenfabrieken: schuin aan de overkant in de richting van Zaltbommel steekt nog een schoorsteen omhoog, maar er ligt een ooievaarsnest op de top. Verder naar Tiel, aan deze kant van de rivier, staat er nog een schoorsteen, en de steenfabriek onder die schoorsteen is nog in bedrijf.

Het ooievaarsnest op die schoorsteen aan de overkant is geen bezienswaardigheid. Op een electriciteitsmast die op dezelfde lijn staat als die schoorsteen hebben andere ooievaarsstellen zes of zeven nesten gebouwd. Ooievaars te over hier; ik zag er laatst zestien in een veld staan. Toen ik dat mijn vrouw vertelde, was ze niet onder de indruk, want zestien was ook haar record. Vandaag stuurde ze me een berichtje dat ze er 35 bij elkaar zag in de uiterwaarden.

Mijn vrouw heeft ook al vossen gezien, van de winter was dat, toen er sneeuw lag. Ze reed ’s ochtends naar Zaltbommel, het was nog donker, en ze zag twee figuurtjes lopen onderaan de dijk, in het witte veld. Ze heeft de auto stilgezet en ze heeft er rustig naar gekeken.
Ik heb een lepelaar gezien, toen we met de hond liepen, vorige week. Ik zag ‘m opvliegen, kalm aan, alsof er niks aan de hand was, maar het was wel mooi mijn eerste lepelaar.

Geen reacties | Link | 9 augustus 2017 | Categorie:

Een jaar

Een jaar geleden reden we met onze auto volgepakt naar de Betuwe, tekenden we bij de notaris, schudden de handen van de verkopers, en reden we naar ons eerste eigen huis. Nu wonen we een jaar in Heesselt.
Wat we in een jaar het vaakst te horen hebben gekregen: was dat geen heel erg grote overgang, van Amsterdam naar een dorp met 300 inwoners? Ja, het was een overgang, en hij was groot — van een veel te druk stadsleven naar een heerlijk landleven.
Moest ik ergens aan wennen? Ja, dat moest ik.
Ik weet nu dat je er een jaar over doet het groeten te leren. Als je elkaar hier op de dijk tegemoet rijdt, laat je je hand op je stuur rusten maar steek je je wijsvinger op. Maar alleen als je de bestuurder van de auto kent, anders ben je te gretig. En de bestuurder moet jou kennen, anders is het extra sneu.
Ik ben veel te lang te gretig geweest.
Maar twee weken terug reden we over de dijk en keek ik naar twee boeren die aan de voet van de dijk met elkaar stonden te praten. Ik stak niks op, want gevaar voor sneu, maar zie: er gingen twee vingers omhoog. Ik groette terug en probeerde niet te hard te glunderen.
Dat met de wijsvinger groeten zit er nu wel ingeramd, overigens, want als ik bij de kantoorbaan over de gang loop, en ik zie iemand die ik ken, gaat de vinger omhoog, alsof die gang de dijk tussen ons dorp en de grote weg is.
Ja, ach, dat doet een jaar op het land wonen kennelijk met je.
En valt er niets tegen?
Het enige vervelende aan wonen hier is dat ik mezelf nooit heb geleerd natuur te beschrijven. Koude stadsomgevingen, daar heb ik mijn schrijversleven lang op geoefend, maar hoe vertel je hoe het is om bij een ondergaande zon over de uiterwaarden te lopen met de hond terwijl er ooievaars in de weilanden staan, hun witte veren oranje oplichtend van het laatste daglicht? (Nah, dat kan dus beter.)
Een jaar, en we willen niet meer weg.

Geen reacties | Link | 1 augustus 2017 | Categorie:

Lopend Lezen

Zoals de bakker en de projectmanager eens in hun leven kunnen stoppen waar ze mee bezig zijn — de handen nog in het deeg, de ogen op het excel-sheet gericht — en twijfelen over hun richting in het leven, zo kunnen mensen die boeken schrijven zich een keer of twee per week aan die existentiële twijfel overgeven.

Ja, ach, ik had er weer last van: wat is fictie, waar dient het toe, zijn boeken niet ongelooflijk stom, wie zit er op nog een boek te wachten — en toen hoorde ik dat de eerste Harry Potter twintig jaar geleden uit was gekomen.

Harry f-ing Potter. Twintig jaar oud.

Dan moet het een jaar of zeventien geleden zijn dat ik lopend las, van station Alphen aan den Rijn naar het kantoor waar mijn baas me had gedetacheerd (lees De hondenkoning), waarmee ik mijn diepe ongeluk zo lang mogelijk uitstelde. Een collega had er enthousiast over verteld, oké, het zijn kinderboeken, maar het is zo verslavend, probeer het, en ik probeerde het, en ik was verslaafd. En door de treinreis lang te lezen (en lopend naar kantoor door te lezen, voorzichtig schuifelend, de kantoorstoet langs me stromend), vergat ik dat ik mijn leven kut vond.

Ach, misschien komt die twijfel nu dáár wel vandaan: mijn leven is niet kut meer, ik ben gelukkig. Dus wat is dat nut van boeken ook al weer?
Zo simpel kan het zijn, natuurlijk.
En trouwens: ik hoef maar een paar weken terug te denken naar een roman waar ik mezelf diep in had gegraven. Lopend lezen doe ik niet meer, die troost heb ik niet meer nodig, maar mezelf verheugen op het moment waarop ik dat boek weer kan pakken, dat maak ik van tijd tot tijd (bij het ene boek wel, bij een paar boeken dan weer niet) nog steeds mee. Dus er is niets aan de hand voor mij als lezer.

En als schrijver ook niet, eigenlijk.
Een paar weken geleden las ik voor op een middelbare school in Rotterdam, en ik maakte er een beetje een zooitje van; mijn verhaal liep in de soep omdat ik er zelf even niet meer in geloofde, en ik zei dat maar gewoon tegen de leerlingen: jongens, jullie moeten verplicht boeken lezen, maar poeh.

Wat ik wel over wist te brengen is mijn overtuiging dat iedereen die dingen doet als boeken schrijven of op het toneel gaan staan, een manier zoekt om rotzooi te verwerken, want na afloop kwam een jongen naar me toe om me een hand te geven en me te bedanken, en de docente vertelde later dat ik hem geraakt moest hebben: hij had rotzooi genoeg, en hij stond altijd op het toneel. O ja, dacht ik, dat is waarom ik dit soort dingen wil doen, voor honderd jongeren staan van wie er negentig misschien geen zin in hebben — ik doe het voor die jongen.

De docente vertelde ook nog dat ze een havo-leerling had gehad die na de kerstvakantie tegen haar had gezegd dat hij zowaar een boek had gelezen, helemaal, en hij vond het tof, en dat was mijn boek.

En ach, ik kan dat wel heel nobel vertellen, ik heb de literatuur bij een jongen gebracht die nooit boeken las; als ik er wat meer drama in zou leggen, zou ik zeggen dat ik het ook voor hem doe, maar ik doe het vooral voor mezelf, natuurlijk. Want: de rotzooi van vroeger verwerken, maar ook: de waardering krijgen. In x verkochte boeken, in een zaal met honderd mensen, in mailtjes van mensen die een boek van mij “in één ruk” hebben uitgelezen.

Misschien zitten er wel mensen tussen die lopend lazen. Dan is Schuld net zo waardevol voor iemand geweest als Harry Potter voor mij was.
Dus bakker, kneed je deeg, schrijver, schrijf je boeken. En je mag af en toe zeuren, als het helpt. Als je daarna maar weer doorgaat.

Geen reacties | Link | 26 juni 2017 | Categorie:

Genomineerd voor de Dioraphte Literatour Prijs

Schuld heeft nog een nominatie aan de broek hangen: ik kan de Dioraphte Literatour Prijs winnen. Dat is een prijs die wordt gegeven aan het beste boek uit 2016 voor jongeren tussen de 15 en 18 jaar. En daar ben ik ook weer apetrots op, die nominatie, want ik vind het zeer belangrijk dat dat boek van mij ook terecht komt bij jongeren.

In de komende weken lees ik weer voor op een aantal middelbare scholen, en dat is veel enger dan voor volwassenen, maar ik bijt me daar doorheen, want ik hoop dat ik altijd een paar van de aanwezigen kan laten zien/voelen/vertellen dat ze niet alleen zijn in het raar vinden van de wereld om hen heen. Dus deze nominatie is weer een mooie erkenning.

Dit is het rijtje genomineerde boeken:

En dit staat er over Schuld in het juryrapport:

Walter van den Berg schetst een ijzersterk portret van het snoeiharde leven in een uitzichtloos milieu. Hij confronteert je met een ontluisterende werkelijkheid. In heel weinig woorden, met ironische humor en via puike dialogen ontstaan levensechte karakters. Schuld is een ingenieuze roman door de fragmentarische, niet chronologische en meerstemmige opbouw. Gaandeweg kun je als lezer de stukjes van de puzzel leggen. Maar hoe meer je door de klinkklare taal de feiten kent, hoe meer je je afvraagt. Kun je je als individu losmaken van de familie waarin je ter wereld bent gekomen? In hoeverre wordt je identiteit bepaald door de omstandigheden waarin je opgroeit? Wat doet het met je als je ouders de grote afwezigen in je leven zijn?

Geen reacties | Link | 14 mei 2017 | Categorie:

Goed, de avond van de Libris Literatuurprijs

Ik denk dat je bij dit soort prijzen alleen over terechte winnaars kunt spreken als het gaat over vijf kutboeken en één goed boek, maar bij Alfred Birney is de Libris Literatuurprijs 2017 bijzonder goed terecht gekomen.
Na het interview in de Volkskrant vorig weekend was het in ieder geval volkomen duidelijk dat er weinig schrijvers rondlopen bij wie De Noodzaak in zulke grote hoeveelheden aanwezig is.

Ik heb De tolk van Java nog niet gelezen (van de andere genomineerden had ik alleen Het smelt gelezen, van mijn mede-Das Mag-auteur Lize Spit, samen met 170.000 andere lezers, geweldig boek), maar het is goed; dat kan niet anders. Alfred schrijft al tientallen jaren, is nooit opgevallen, mede omdat ie bij een piepkleine uitgever zat, en in dit boek heeft hij alles geduwd wat hij in zich had. Hij is nu 65 en je voelt bijna de mythevorming ontstaan op zo’n avond: dit is hoe het moest zijn, dit is zijn magnum opus, en het kon niet anders dan dat dit boek zou winnen.

Ik had gisterochtend een heel lief bericht van Alfred in mijn mailbox waar de verbazing en het geluk vanaf spatten, en alle literaire argumenten aside: man, ik gun het hem zo.

Op tv kwam ik even langs in een vraaggesprekje, en daar zie je me zeggen dat ik niet ga winnen, en Tonko Dop vraagt of dat indekken is, en ik bevestig dat half grappend, maar wat niet is uitgezonden is dat ik zeg dat ik weet dat ik een heel goed boek heb geschreven, en een prijswaardig boek, maar in dit verband geen prijspakkend boek. Dat wilde ik hier ook even gezegd hebben, dat niet iedereen denkt dat ik alleen maar bescheiden heb staan doen. Het was de montage.

En jongens, wat een prachtavond was het. Als ik er een verslag van maak, wordt het zo’n en-toenverhaal, dus laat ik het er op houden dat ik gelukkig was; maar misschien was ik wel het gelukkkigst toen ik met mijn vrouw in het zaaltje zat waar Alfred werd geïnterviewd voor de radio. Wij zaten op een bank, ik had mijn arm om haar heen, en Alfred zat aan een tafel, de interviewer van Nooit Meer Slapen met een grote koptelefoon op zijn hoofd, en wij luisterden naar zijn geluk, hoe hij had gewonnen met het boek van zijn leven.

 

Geen reacties | Link | 11 mei 2017 | Categorie:

Bretels

Ik moet nog op Zalando kijken of ik daar bretels kan bestellen, want ik had vanochtend even het angstbeeld dat mijn broek afzakt op tv. Verder maak ik me nog steeds niet zo druk over het al dan niet winnen van die prijs. Ik vind het nu vooral jammer dat straks die periode van genomineerd over is. Het kan zijn dat die nominatie voor de Libris het hoogste is dat ik ooit haal, met dat boeken schrijven van mij.

En dat is niet vals bescheiden – ik vind het briljant dat ik genomineerd ben, en ik weet dat mijn boek goed genoeg is om te winnen, maar de kans dat het nog een keer gebeurt, in dat rijtje staan, is niet per se groot. Alleen de usual suspects (Grunberg, Van der Heijden) komen met een bepaalde regelmaat terug in die nominaties.
Dus deze periode is bijzonder. Ook omdat Schuld weer wat extra aandacht krijgt. Het boek ligt weer een maandje in de winkel, het verkoopt weer, en het wordt weer gelezen. Er verschijnen zelfs weer wat recensies online, en dat is allemaal leuk.

Ik kwam er eentje tegen van de week, van een vrijetijdslezer, en die onderbouwde goed waarom hij het een mooi boek vond, maar zijn enige bezwaar: hij miste wat diepgang. En dat is een ‘klacht’ die ik wel vaker tegenkom, soms ook bij professionele lezers.

Besprekingen bespreken is nogal gevaarlijk, en ik doe mijn best me er verre van te houden, behalve als ik het er heel erg blij mee ben, en ik ben er vooral blij mee als een lezer alles (of bijna alles) heeft gevonden wat ik erin heb gestopt. Zo was de bespreking van Teunis Bunt een feest om te lezen voor mij. Teunis schrijft:

de relatie tussen Kevin en Ron blijft je bij. De situatie tussen die twee is zo schrijnend dat het bijna pijn doet om erover te lezen. Kinderen zijn zo’n beetje per definitie loyaal aan hun ouders. Kevin stelt zo ongeveer zijn hele leven in het teken van het voldoen van schulden die hij niet zelf heeft opgebouwd. Hij wil gezien worden en doet alsof het niet erg is als dat niet gebeurt.

Ook worstelt hij met het beeld van zijn moeder. Bij het schoonmaken van laptops komt hij compromitterende filmpjes tegen, waarmee hij de vrouwen die erop te zien zijn lastigvalt. Graag zou hij willen dat zij de werkelijk slechte vrouwen zijn en dat zijn moeder bij hen vergeleken nog wel meevalt. Maar de vrouwen blijken niet zo slecht te zijn, wat de situatie voor Kevin alleen maar moeilijker maakt.

Dat is precies waar het bij Kevin over gaat, en veel besprekingen komen niet verder dan ‘Kevin heeft een hekel aan vrouwen omdat zijn moeder ‘m in de steek heeft gelaten’. En ook als je als lezer alleen dat ziet, is dat prima natuurlijk. Dat is het mooie van *kuch* literatuur: je kan het op verschillende niveaus lezen, en zo heeft iedereen er wat aan. Om het maar een beetje plat te zeggen. En wat ik daarmee wil zeggen: ik denk dat de lezers die diepgang missen, die diepgang over het hoofd hebben gezien, maar ik waardeer iedereen die mijn boeken leest en de moeite neemt er iets over te zeggen. Aandacht voor mijn boeken, I love it.

Dat is misschien waar die Libris Literatuurprijs en andere vormen van hoera er zijn boeken over gaan: aandacht voor boeken. Ik werd van de week geinterviewd voor Trouw, en de journalist vroeg of ik zo’n prijs niet appels met peren vergelijken vond, en ik denk dat dat wel een beetje zo is, maar, zei ik, vergelijk mijn appel maar met een stel peren. Kunst is nooit objectief te bekijken (of iets moet echt aanwijsbaar slecht gemaakt zijn), dus het idee om die kunst wél te vergelijken en er een prijs aan te plakken: tja, ingewikkeld, maar ik kan er niets aan doen: ik vind het leuk. Ik zit straks in een smoking, bretels onder mijn jasje, mijn vrouw naast me, en dan komen we op tv omdat ik boeken schrijf.

Maar stel, en ik zeg stel, dat ik die prijs win. Dan ben ik heel trots, en enorm blij met die 50.000(!) euro, maar ik hoop ook dat de jury dan net zoveel in mijn boek heeft teruggevonden als Teunis Bunt deed. (Maar als ze dat niet hebben gedaan, zal ik niet te hard klagen.)

Geen reacties | Link | 5 mei 2017 | Categorie:

Het laatste rondje met de hond

Bij het laatste rondje met de hond loop ik een stuk over de dijk. Ik heb dan een fluorescerend vestje aan en ik draag een zaklamp in mijn hand. Zodra je op de dijk stapt, ben je buiten het dorp, en er staat geen straatverlichting buiten het dorp. Bij dat laatste rondje zie je dat je als stadsmens geen donker bent gewend, want ik kan nog steeds schrikken als de buurman plotseling opdoemt met zijn hond — we komen elkaar wel vaker tegen, bij dat laatste rondje. Ik zie hem dan pas, afhankelijk van hoeveel maan er staat, als hij vijf meter bij me vandaan is. Gelukkig gromt zijn hond vaak al eerder.

De zaklamp is er voor de enkele auto die langs kan komen. Auto’s mogen 60 op de dijk, en 60 wordt dan vaak 70 of 80, dus als ik koplampen zie komen, knip ik de zaklamp aan. De automobilist neemt dan gas terug, en rijdt voorzichtig langs mij en de hond.

De zaklamp kan ook helpen als de hond iets ziet of ruikt wat ik (nog) niet kan zien door de duisternis. Als hij zijn nieuwsgierige houding aanneemt — schoudertjes bij elkaar, door de voorpoten zakken — schijn ik op de grond, en dan zit er een pad of een egeltje.

Ieder loopje is zo een avontuur. Of op z’n minst is het gewoon een prima loopje. Veel beter dan het laatste rondje toen we nog in de stad woonden.

Deze week was er iets nieuws: er was vuur bij een van de buren.
Iets verder langs de dijk zit een kleine appelboomgaard, en die boomgaard hoort bij een grote oude herenboerderij. Naast die boerderij staat een schuur, en de schuur is een bouwval. De bewoners zijn de schuur aan het afbreken om ‘m daarna weer opnieuw op te bouwen. Tussen de appelbomen liggen hopen steen, hout, en riet.

Twee of drie avonden geleden liep ik met de hond langs de boomgaard, in het donker, we hadden net de buurman en zijn hond ontweken, en toen zag ik vuur. Dat vuur was niet heel indrukwekkend; het smeulde meer dan het brandde, maar het was onmiskenbaar vuur.

Ik keek nog een keer achter me. De buurman was alweer in het donker verdwenen, dus ik kon niet vragen of dit normaal was. Of dit zo hoorde. Ik keek er een tijdje naar, berekende hoe ver de dichtstbijzijnde brandweerkazerne was — en daarna accepteerde ik het vuur maar gewoon. De bewoners van de boerderij hadden dat vuur vast aangestoken omdat ze iets te verbranden hadden.

De avond erna smeulde het nog steeds. Ik keek kort naar het vuur, de hond keek mee, en daarna werd zijn aandacht afgeleid door een pad die over asfalt van de dijk hopte. We keken er samen naar. De hond in zijn nieuwsgierige houding, ik met mijn zaklamp aangeknipt.
Het werd uiteindelijk weer een prima rondje.

Geen reacties | Link | 31 maart 2017 | Categorie:

De pijn van de schrijver

Het was boekenbal, en ik stond met Henk van Straten te praten. We hadden het eerst over de pijn van de schrijver, en daarna ging het over mensen die dingen van je wilden. Als je boeken schrijft, en je wil graag dat ze gelezen worden, krijg je vanzelf te maken met mensen die dingen van je willen. Dat is ook pijn.
We stonden op de trap, want de trap was relatief rustig. Af en toe kwamen er groepjes mensen langs, en in die groepjes zaten dan weer schrijvers die we moesten begroeten.
Ik had het van de week met een fotograaf, zei ik. Ik was bij een ceremonie geweest, en erna wilde de fotograaf alle schrijvers die deel waren geweest van de ceremonie apart op de foto zetten.
Fotografen! riep Henk. Hij zei dat ze uiteindelijk allemaal aan hem vroegen of hij zijn shirt uit wilde doen.
Ik zei dat deze fotograaf graag wilde dat ik iets met mijn handen bij mijn gezicht deed. Dat ik ze zo deed: en ik legde mijn handen op mijn wangen.
Net als een echter schrijver, zei Henk, want die hebben hun handen altijd zo. Bij mij vragen ze altijd eerst of ik mijn mouwen opstroop om mijn tattoos lekker zichtbaar te maken, zei Henk, en daar begint het dan mee, en dan is er altijd een moment dat de vraag over het shirt komt.
Ik zei tegen Henk dat ik had gezegd dat ik het niet wilde.
Heel goed, zei Henk. Net als met die foto in je laatste boek, met die coltrui. Dat moest zeker ook van de fotograaf?
Ik knikte, want het klopte.
Kom op, zei Henk, wie ben je, Steve Jobs? Was die coltrui ook van de fotograaf?
Van de fotogra-fe, zei ik.
Nee! Riep Henk. Maar, zei hij, nu heb je dit met die handen geweigerd.
Klopt, zei ik.
Goed, zei Henk, je komt steeds verder, man. Goed.
Ik knikte weer.
Henk nam nog een slok van zijn biertje. Er kwam weer een schrijver langs, vergezeld door een BN’er.
Ik heb het toch gedaan, zei ik.
Hm? Vroeg Henk.
Ik heb het toch gedaan, zei ik. Ik heb eerst geweigerd, en daarna heb ik het toch gedaan. Uit beleefdheid.
Hij keek me een paar momenten aan. Daarna zei hij: uit pijn. Je hebt het vanuit je pijn gedaan.
O ja, zei ik.
Als schrijver doe je zulke dingen vanuit je pijn, zei Henk. Onthou dat. Beloof je me dat?
Ik beloofde het.
Daarna groetten we weer een schrijver die we allebei kenden – iemand van wie we wisten dat er veel pijn zat.

Geen reacties | Link | 27 maart 2017 | Categorie:

Das Mag niet naar het boekenbal

Vandaag rommelt het in boekenlandje: de schrijvers van uitgeverij Das Mag krijgen geen kaarten voor het boekenbal. Daar hoor ik ook bij, dus deze vrijdag zit ik lekker op de bank The Voice Kids te kijken.

Uitgever Toine heeft een stuk geschreven over hoe het technisch in elkaar zit, en het CPNB, de organisator van het bal, heeft bij Trouw gereageerd hoe zij er over denken:

“We bewonderen deze auteurs, en we hebben Das Mag vanaf het begin gesteund. Maar wij organiseren al zestig jaar het boekenbal voor de leden van de uitgeversbond. En Das Mag is geen lid. Vorig jaar wilde ze ook al komen. Ik zeg dan: word dan lid.”

Jeroen Vullings schrijft op de site van Vrij Nederland:

“Een technocratische reden, lijkt mij, waarbij geld een rol speelt.”

Toen ik net begon met dat boeken schrijven, vond ik het enorm spannend om naar het bal te mogen. Ik hoorde erbij, eindelijk (niets menselijks is de schrijver vreemd), en het was ook echt leuk. Je kwam je schrijversvrienden tegen, je kreeg links en rechts complimenten (altijd lekker), en je kon dansen terwijl je Cees Nooteboom naast je helemaal los zag gaan.

Nu (zeker ook omdat we niet meer in Amsterdam wonen) levert zo’n feestje vooral gedoe op, dus puur voor mezelf vind ik het niet zo erg.

Maar dat de schrijvers van Das Mag (onder wie de Grote Namen Lize Spit, Jelle Brandt Corstius en Maartje Wortel) geen kaartjes krijgen is eigenlijk absurd. Lize heeft honderdduizenden euro’s verdiend voor het boekenvak, Jelle heeft vorige jaar nog het boekenweekessay geschreven.

Het CPNB bevestigt dat het voor hen inderdaad nog een vakbondsfeestje is, maar voor de rest van de wereld is het een avond waarop schrijvers dronken worden met elkaar. Dat beeld is door de jaren gegroeid, en dat is wat het zou moeten zijn.

Het bal is losgekomen van het CPNB, en die club zou daar juist trots op moeten zijn. Het gaat om schrijvers en hun boeken, want het bal is de opening van de boekenweek. De boeken van Das Mag liggen in de winkel, lid van de vakbond of niet, en ze doen het heel, heel goed. Lize Spit heeft 160.000 boeken verkocht.  Dat betekent dat ze anderhalf miljoen euro heeft verdiend voor de boekhandels die haar boek verkopen.

Op haar plaats loopt vrijdagavond een verdwaasde genodigde van hoofdsponsor NS zich af te vragen waar alle schrijvers zijn. Maar die gedachte vervaagt vast en zeker op het moment op het moment dat hij een BN’er ziet lopen die helemaal niets met het boekenvak te maken heeft.

Laat die rare constructie van die vakbond los, en nodig ieder jaar de mensen uit het boekenvak uit die dat jaar iets hebben betekend voor het boek. Dan kom je uit op dezelfde usual suspects die er altijd zijn, dus die hebben dan niets om over te zeuren, een x aantal mensen van wie het belachelijk zou zijn als ze er dat jaar niet zouden zijn, en gooi daar een stuk of twintig debutanten bij, want ik gun iedereen die belevenis van zijn of haar eerste keer boekenbal.

De update: ik ben uitgenodigd voor het bal door de organisatie van de Libris Literatuurprijs, omdat zij het een mal idee vonden dat iemand op hun shortlist niet mag komen dansen.

Geen reacties | Link | 22 maart 2017 | Categorie:

Wachten op Tonko

Fase 1: het wachten

Mijn boek stond dus op de longlist van de Libris Literatuurprijs, samen met 17 andere boeken. Een longlist moet een shortlist worden, en bij de Libris is het een traditie dat Nieuwsuur hun verslaggever Tonko Dop met een pakketje boeken bij de mensen langs stuurt die op de shortlist terecht zijn gekomen.

Dat pakketje bestaat dan uit de 5 andere boeken op de shortlist, waardoor de schrijver weet: ik zit erbij, en dit is de concurrentie. Dat bezoek van Tonko moet een verrassing blijven. Dat betekent dat 18 schrijvers op hun plek moeten blijven zitten, niet wetende of er überhaupt aangeklopt gaat worden.

Zo zou mijn dag er dus uit gaan zien. Ik had mijn collega’s op kantoor laten weten dat ik vanuit huis zou werken, en ik zette mezelf zuchtend aan de slag, met het vooruitzicht dat ik tot een uur of drie licht nerveus zou kunnen zitten zijn.

Ik nam het scenario nog een keer met mezelf door: als er niet wordt aangeklopt, is dat jammer maar niet onoverkomelijk, als er wel wordt aangeklopt, doe je de halve deur open zodat de hond even in beeld komt (als we de halve deur gebruiken, steekt onze Stabij Willem altijd zijn kop naar buiten) en daarna zeg je Alleen Maar Slimme Dingen.

Toen werd er geklopt. Ik zag buiten een man met een microfoon staan (TONKO! DOP!) en een andere man met een enorme camera. Ik deed, zoals gepland, de bovenste helft van onze boerendeur open zodat Willem zijn kop naar buiten kon steken — en verder deed ik alles fout.

Ik wilde Tonko een hand geven terwijl hij zijn handen vol had.
Ik had mijn crocs in beeld aan terwijl ik Willem naar zijn bench droeg.
Ik had Geen Enkel Slim Ding te zeggen.

Tonko overhandigde me het concurrentiepakketje met boeken. Ik moest het in beeld uitpakken en commentaar leveren. Ik kon alleen overtuigend zeggen dat ik blij was dat Lize Spit erbij zat, mijn lieve collega bij uitgever Das Mag. Verder was het wartaal. Bij elke vraag die Tonko stelde, stotterde ik iets onsamenhangends. Waar gaat je boek over? Geen idee.

Ik liet de werkkamer nog even zien, ik antwoordde nog wat Niet Slimme Dingen, en daarna ging de camera uit.

En na het wegleggen van die ENORME camera (pas nu hij uit was, durfde ik er echt naar te kijken, en dat ding was bijna groter dan onze Volkswagen Up), ontspande ik. Kon ik wat leuke grapjes maken. Zette ik koffie voor Tonko en de cameraman. Maakte ik een selfie voor mijn vrouw met Tonko en de cameraman. Speelde Tonko daarna nog een paar minuten met Willem.

Fase 2: het geheimhouden

Maar goed, ik stond dus op de shortlist. Fase 2 ging in: het geheimhouden. Dat hoort bij het circus. Er zitten 18 schrijvers te wachten, en ik wist om 10 uur ’s ochtends al welke 6 er geluk hadden. Ik appte mijn vrouw de selfie, en vroeg of ze 8 mei met me mee uit eten wilde in het Amstel Hotel (dat hoort ook bij de Libris: een diner bij de prijsuitreiking in een van de beste restaurants van Nederland, en dat komt OOK op tv, en godallejezus hoeveel grote camera’s gaan daar dan zijn), dus zij wist het nu, en ik belde het nummer dat in de instructiebrief stond en kreeg te horen dat ik NIEMAND mocht bellen, dus daarna belde ik mijn uitgever.

Nou ja, dat geheimhouden ging dus niet zo goed. Behalve dan dat ik wel hard zei dat niemand het op de sociale media mocht zetten.

Fase 3: naar het officiële gedeelte

Er bleek dus een officieel gedeelte bij de dag te zitten: om vier uur ’s middags zouden de shortlisters bekend worden gemaakt voor pers en genodigden, en ik wilde eerst niet gaan, want onhandig, nu we in de buitengebieden wonen, maar mijn uitgever zei dat het erbij hoorde en dat het leuk zou zijn. Dus ik vroeg mijn lieve buurman of hij me naar het station wilde brengen (mijn vrouw had de auto), en ik ging op weg naar de grote stad.

In een café dicht bij het zaaltje waar de pers al samendromde zat René Appel op de schrijvers te wachten.  Dat was leuk! We kwamen één voor één binnen, (alleen Arnon Grunberg was er niet) en we feliciteerden elkaar bijzonder welgemeend. We praatten tot we weg moesten; we liepen naar het zaaltje, en ook daar moesten we weer even wachten tot we op mochten. We werden één voor één aangekondigd, voor het verrassingselement, en ook dat deel was leuk en lief en een beetje klunzig.

(Daarna was er een borrel, waar we handen schudden met juryleden, redacteuren en uitgevers van de andere schrijvers, en dáárna (en toen en toen) gingen we eten met iedereen die er was van Das Mag en iedereen die er was van De Bezige Bij en dat was heel erg feestelijk.)

Fase 4: jezelf terugzien op televisie

Mijn vrouw haalde me af van het station, en dat was heel erg fijn en leuk en het deed denken aan vorig jaar, toen Schuld boek van de maand bij DWDD was geworden. We reden gezellig pratend naar ons huis, waar Willem nog over zijn nieuwe vriend Tonko aan het dromen was. En mijn grote liefde had natuurlijk een fles champagne in huis gehaald. We klonken, en we zetten de televisie aan, en we keken naar Nieuwsuur.

Samenvattend: je ziet mij onhandig de (halve) deur opendoen, je ziet Willem inderdaad zijn kop over de deur steken, je ziet mij op m’n crocs Willem wegdragen, en je ziet mij één zin zeggen.
De rest was onbruikbaar, denk ik.

Gelukkig zie je Jasper Henderson, de redacteur van Grunberg, héél erg enthousiast zijn over mijn boek, en dat maakte het eigen gestuntel allemaal draaglijk.

8 mei de uitslag. Live op televisie. Ik ga niemand vragen te kijken.

Geen reacties | Link | 21 maart 2017 | Categorie:

De Trump-nieuwsdienst

Ik ben de Trump-nieuwsdienst voor mijn vrouw. Ik lees heel twitter uit, ik lees de Washington Post en de New York Times, en bij het eten vertel ik wat voor idiote dingen hij die dag heeft gezegd of gedaan. Af en toe heb ik een filmpje paraat, bijvoorbeeld de compilatie van hoe Trump handen schudt.

Ik denk af en toe dat ik er iets te veel mee bezig ben, met Trump, die man is ver weg, en zal het zo’n vaart nu wel lopen, het is toch een kwestie van tijd voor ie tegen de lamp loopt?

Maar dan denk ik ook weer: er is helemaal geen lamp meer om tegen te lopen. Vroeger zou één van zijn idiote uitspraken of acties al genoeg zijn geweest om, gedwongen door de schandaalverhalen, af te treden, maar de schandaalverhalen komen niet meer aan bij het volk — het volk haalt de schouders op en zegt: hij doet wat ie beloofd heeft, toch? MAAR DAT DOET IE NIET. Dat is nog wel het frustrerendste van het geheel: de waarheid doet er niet meer toe.

Vroeger werden films gemaakt waarin de schurk werd verslagen door een schandaal naar de pers te brengen: zo’n scène waarin de krantenman dan opkeek van het bewijs en aan de held vroeg: is dit waar? En dat je dan wist: het kwaad is verslagen.

Dat scenario bestaat niet meer.
Ik kan mijn vrouw morgen bij het eten vertellen dat er foto’s zijn opgedoken waarop Trump zijn vriend Putin met de hand bevredigt boven een dossier waar met een grote rode stempel ‘classified’ op staat gedrukt, en ze zal vragen: wat gebeurt er nu dan? En ik zal zeggen: nou ja, niets. Er is geen schandaal denkbaar waar Trump mee te beschadigen is.

Geen reacties | Link | 14 februari 2017 | Categorie:

Aanstellers

Van de week stond er in de Volkskrant een opiniestuk van een echte Amsterdammer, Willem van Oostvoorn, waarin ie reageerde op een eerder stuk. Willem vindt dat de schrijver van dat stuk, Izz ad-Din Ruhulessin, zich niet zo aan moet stellen, want “discriminatie hoort net zo bij het leven als slecht weer”. Willem gebruikt het woord aanstellen niet, maar dat is wel de kern van het hele stuk: mensen moeten zich niet zo aanstellen.

Je niet aanstellen, dat heeft Willem namelijk van huis uit meegekregen. Willem kwam uit een milieu van gewone mensen waarin naar het gymnasium willen jezelf aanstellen was, en daarom is hij naar de mavo gegaan. Later is ie nog wel gaan studeren, maar daar werd ie uitgelachen omdat ie zo gewoon was. Maakt niet uit, hij stelde zich tenminste niet aan. En dat zou iedereen die gediscrimineerd wordt moeten doen, jezelf niet aanstellen. Want gottegot, wat zijn het toch een hoop aanstellers bij elkaar. Dat is tenminste wat Van Oostvoorn van huis uit heeft meegekregen.

Jammer voor hem dat hij nog steeds zo loyaal is aan dat kutmilieu waar ie uit komt. Hij praat in zijn stuk goed dat ie naar de mavo ging met zijn gymnasium-advies, want hij kwam nu eenmaal uit een milieu waar je normaal moest doen, maar als zijn ouders gewoon hadden gezegd dat hij best voor een betere toekomst mocht gaan, had Van Oostvoorn niet meer zo hoeven te koketteren met zijn lekkere Amsterdamse accent.

“Ik heb er gewoon wat van gemaakt. Door een beetje door te zetten wanneer het tegenzat. Door wat extra hard te lopen,” zegt van Oostvoorn. Zie je dan niet dat die lekker gewone afkomst van je waar je zo trots op bent ervoor gezorgd heeft dat het tegenzat? Je ouders hadden je naar het gymnasium moeten schoppen.

In zijn stuk geeft Van Oostvoorn de schuld aan de maatschappij die niet om kon gaan met zijn brutale bek, en hij zegt meteen dat ie niemand de schuld geeft, want hij stelt zich tenslotte niet aan, hij loopt gewoon wat harder.

Ik had het ook allemaal: een Amsterdams accent, een gymnasiumadvies, en een enkeltje mavo. Uiteindelijk toch nog gaan studeren, Nederlands taal- en letterkunde, en Jezus, wat vond ik mijn medestudenten een aanstellers. Ik vond het hele verschijnsel studenten zo weerzinwekkend dat ik van de weeromstuit geen flikker uitvoerde – ook omdat ik dat gewend was op de mavo, met mijn gymnasiumadvies. Studie na een jaar gestopt, en lekker gaan werken met m’n handen. En studenten bleven aanstellers.

Het heeft heel lang geduurd voor ik zag dat ik me juist aanstelde, ik en dat kutmilieu dat er voor zorgde dat mijn ontwikkeling heel lang niet verder kwam dan een graveerfabriekje in de Jordaan.

“Misschien ben ik wel een boze witte man,” zegt Willem in zijn stuk, en dat is ie inderdaad, want dat milieu van hem en mij is de grondlaag van heel veel boosheid, juist omdat niemand zich mag aanstellen, omdat je met de nek aangekeken wordt als je anders bent – of gewoon ronduit uitgelachen, want die echte Amsterdammers zeggen waar het op staat met hun grote bek en hun kleine hartje, ja, ik zeg het gewoon zoals het is – en Jezus, Willem: jij was anders. Ze hebben je klein gehouden, zo lang als het ze lukte, en nog verdedig je ze. Wat betekent dat je je nog steeds klein voelt.

Hoeveel mensen lopen er rond in die kleine milieus in Amsterdam, Rotterdam, Geldermalsen, noem maar op, die zich diep in hun kleine hartje kleingehouden voelen omdat ze klein moesten blijven van huis uit en daar boos om zijn? Ik mocht me niet aanstellen, denken die kleingehouden mensen, dus jij ook niet, jij met je VWO, en jij met je studeren, en jij met je arbeidsdiscriminatie wegens een rare naam, en jij met je boeken schrijven, en jij met je studeren, en jij met je vluchten uit een land dat kapot wordt gebombardeerd.

Willem van Oostvoorn zegt in zijn stuk: “wat ik niet doe, is jammeren over hoe oneerlijk het allemaal is geweest dat ik vanwege mijn afkomst, sociale status en accent allemaal kansen niet heb gekregen die de jongens en meisjes uit Zuid, Bussum en Aerdenhout allemaal wel kregen.” Wat jij doet is precies dat, Willem, jammeren op de manier zoals het jou is aangeleerd, door te koketteren met jouw gewoonheid, door te zeggen dat anderen zich aanstellen.

Mensen hebben het moeilijk, en het wordt niet minder moeilijk als ze in een keurslijf van doe maar gewoon moeten passen. Want als je goed oplet, Willem, hoor je dat die mensen van jou die niet jammeren over hoe moeilijk zij het hebben, wél jammeren over anderen van wie ze vinden dat het aanstellers zijn (omdat ze zo nodig een baan of een huis willen, zich gediscrimineerd voelen om hun huidskleur of Arabische naam, gebombardeerd worden en ‘geluk zoeken’, ik noem maar een paar dingetjes).

Als je het moeilijk hebt in de maatschappij, heb je er niks aan om te horen dat je je niet moet aanstellen. Die kleine hartjes van de gewone mensen, die mogen best eens wat ruimer worden en mensen die anders zijn toelaten. Te beginnen bij mensen uit hun eigen kringen die afwijken, omdat ze bijvoorbeeld een gymnasium-advies krijgen.

Geen reacties | Link | 22 december 2016 | Categorie:

Geweld tegen vrouwen

In de boeken die ik schrijf, komt nogal wat huiselijk geweld voor. Ik laat mannen vrouwen in elkaar slaan – dat kan je wel een themaatje noemen bij mij. Ik heb er ooit voor gekozen open te zijn over het waarom van dat thema, waar dat vandaan komt bij mij.

Mijn moeder heeft een tijdje een vriend gehad die haar regelmatig in elkaar sloeg. Ik was toen een beginnende puber, en ik heb daar wel wat aan overgehouden, trauma-gewijs, zeg maar. En je weet hoe dat gaat met mensen die boeken schrijven: die schrijven er dan boeken over.

En ik heb er nog iets anders aan overgehouden: de absolute zekerheid dat ik zelf nooit een vrouw zal slaan, of een ander soort geweld zal gebruiken tegen een vrouw. Dat zit in mijn wezen ingebakken. Maar ik had dat verleden helemaal niet hoeven hebben: ik vind het volledig vanzelfsprekend dat je met je poten van vrouwen afblijft.

Dat is niet voor iedereen zo, helaas. Daarom heeft de organisatie van de White Ribbon-campagne een paar mannen gevraagd ambassadeur te worden voor ‘de zaak’, dus ik ben bij deze aan het ambassaderen:

Ik zal nooit geweld gebruiken tegen vrouwen, het nooit goedpraten en het nooit negeren. 

Iedere man kan dat statement afleggen op de website van White Ribbon: daarmagjenooitvoorkiezen.nl.

En denk niet dat het niet nodig is; RTL plaatste bijvoorbeeld een bericht met de titel ‘Kwart Europeanen vindt seks bij een nee toch oké’ — en normale mensen noemen dat dan verkrachting. Erger dan verkrachting kan geweld niet worden.

Laten we normale mensen zijn en geen geweld gebruiken. Als je geweld nodig hebt, in welke vorm dan ook, is er iets mis met jou. Dat zeg ik niet om je aan te vallen, maar om je er bewust van te maken. Ga er iets aan doen.

nooitvoorkiezen

Geen reacties | Link | 25 november 2016 | Categorie:

Een lofzang op mijn Crocs

Ik heb Crocs met voering. Wintercrocs, dus. Ik had al gewone Crocs, en daar was ik al blij mee, maar ik ga nu de winter in Heesselt wel doorkomen, zo.
Crocs zijn belachelijk als je ze in de stad hebt — dat is hetzelfde als een in enorme SUV rondrijden als je in Amsterdam Zuid woont. Maar hier, hier kan het.

Als je een erf hebt, loop je regelmatig van binnen naar buiten. Ik zeg nu ‘erf’ om jou nog een extra buitengevoel te geven, die vandenb en zijn vrouw hebben een erf, zozo, die wonen echt buiten, zeg, maar we hebben een tuin. Hoewel het wel zo is dat de containers voor het gescheiden afval echt op ons erf staan; niet in de afgesloten tuin, maar achter het huis, op een stukje dat binnen de erfgrens valt, dus ik denk dat ik het woord ‘erf’ hier legaal gebruik.

Dus: als je een erf hebt, loop je regelmatig van binnen naar buiten, bijvoorbeeld om je gescheiden afval gescheiden weg te gooien. Je hebt dan iets aan je voeten nodig waar je makkelijk in en uit stapt, en waar je zowel binnen als buiten mee kan lopen, zonder dat het direct schoenen zijn. De hele dag je schoenen aan, dat wil je niet. En de dingen waar je in uit stapt, wil je bijvoorbeeld ook makkelijk af kunnen spoelen, omdat je altijd ergens in kunt stappen.

Crocs dus. Crocs zijn de klompen van vandaag.
Een maand of vier geleden had je me niet aan het verstand kunnen brengen dat ik ooit zoiets zou zeggen: Crocs zijn de klompen van vandaag. Ten eerste zou ik de ‘klompen van vandaag’ niet nodig hebben gehad, net zomin als ik een SUV nodig had, en ten tweede zou ik me schamen voor het feit dat ik Crocs zou hebben. Een zinnig mens draagt geen Crocs, zou ik gezegd hebben.
Maar nu weet ik wel beter.
Crocs. Je kan niet zonder. Als je van jezelf vindt dat je een erf hebt, tenminste.

Geen reacties | Link | 6 november 2016 | Categorie:

Ik wist niet meer wat ik over Paulien Cornelisse wilde vertellen

Een paar weken geleden moest ik voorlezen op twee scholen in Oss. Ik was geboekt door de plaatselijke bibliotheek, die haalden ieder jaar een keer of wat een schrijver naar Oss die ze dan voor de VWO-klassen van twee verschillende scholen neerzetten. Ik werd opgehaald bij het station door een aardige mevrouw, en in de auto roddelden we wat over de schrijvers die ze eerder had rondgereden.

Ik was nerveus, want ik had maar één keer eerder voor scholieren gestaan, en dat was dan nog voor scholieren die zich vrijwillig hadden opgegeven voor een literatuurkamp — nu ging het om gedwongen zitten en luisteren. En toen ik eenmaal de zaal binnenkwam waar het ging gebeuren, was het écht eng, want er bleken vier klassen bij elkaar gezet te zijn. Honderd paar ogen die zitten en stil moeten zijn, dat is een potentieel vat buskruit.

Ik haalde diep adem, pakte mijn aantekeningen erbij, en hakkelde me de eerste vijf minuten door. Er was gevraagd of ik iets over het vak wilde vertellen, dus ik had steekwoorden opgeschreven. Een kleine greep uit die steekwoorden:

– uitgever nodig – waarom?
– mijn moeder zou denken: tik veel woorden en hup naar de winkel
– heb je nog uitgevers nodig in de toekomst?
– Paulien Cornelisse
– vooralsnog: kwaliteitsstempel

Ik wist niet meer wat ik over Paulien Cornelisse wilde vertellen. Geen flauw idee.
Ik hakkelde me naar de steekwoorden aan het eind van de lijst:

– mijn thema: onvermogen
– over vroeger vertellen, Erik —> mijn moeder
– Voorlezen

Ik ging over vroeger vertellen, zoals mijn steekwoorden me instrueerden, en ik zei erbij: ik ga nu iets heel persoonlijks vertellen. En toen had ik ze.
Het was sowieso een goeie groep, hoor, ze waren in de eerste fase van mijn gehakkel heel beleefd aan het luisteren, maar toen ik het draaiboek losliet en ik, nou ja, ik zeg het gewoon, mezelf was, verdulleme, dat werkte.

Aan het einde van mijn verhaal (ik las nog voor uit Van dode mannen win je niet omdat dat zo lekker voorleest) kreeg ik nog een paar heel goeie vragen van zes of zeven leerlingen die die vragen van tevoren hadden verzameld, en dat werkte ook heel goed; via die vertegenwoordiging kreeg ik contact met alle leerlingen.

Toen we klaar waren, zei ik dat ik een heel toffe/gave/vette/lauwe uitgever heb en dat als iemand Schuld wilde hebben, ze dat moesten melden aan de docente van dienst, en dat ik dan gratis exemplaren zou regelen. Dat was heel dapper om te zeggen, maar ik ging ervan uit dat het om een stuk of zes boeken zou gaan.

Hup, door naar de volgende school. In de auto wist ik weer wat ik over Paulien Cornelisse wilde zeggen: dat zij als enige van Nederland geen uitgever meer nodig had. Maar wat zou dat die kinderen in godsnaam interesseren?

Bij die volgende school had ik weer zo’n grote groep, en ik liet mijn aantekeningen meteen helemaal achterwege — ik vertelde dat persoonlijke verhaal gewoon. En daarna weer: als je een boek wilt hebben, laat het weten. Wie weet, nog zes of zeven boeken, moet kunnen.

Deze week kreeg ik mail van die twee docenten uit Oss. De eerste mailde:

Het duurde even om bij alle klassen te inventariseren, maar we zijn eruit. In totaal willen 65 leerlingen van ons Schuld lezen.

En de tweede docent mailde:

De animo voor jouw aanbod is dermate groot, dat ik niet denk dat jouw uitgeverij daaraan kan/wil voldoen: 67 leerlingen willen graag een exemplaar van Schuld, 40 leerlingen een exemplaar van Van dode mannen win je niet.

132 lezers voor Schuld.
Linde, een van de heldinnen van mijn uitgever mailde terug: komt goed, 132 boeken naar Oss.

Zo tof/gaaf/vet/lauw is mijn uitgever dus 1.

En zo tof is het dus om voor te lezen op een middelbare school. Of zo vet/lauw/gaaf/etc kan het zijn, als je maar gewoon doet wat je het beste kunt: vertellen waarom je bent gaan schrijven. Zonder uit te willen leggen waarom Paulien Cornelisse geen uitgever meer nodig heeft.

Geen reacties | Link | 22 oktober 2016 | Categorie:

Dode mannen, de ‘trilogie’

Omdat Das Mag de leukste uitgever van Nederland is, hebben ze mijn eerste drie boeken van de Bezige Bij overgenomen. Volgende week komt er een bundel uit, met daarin De hondenkoning (2004), West (2007) en Van dode mannen win je niet (2014).

 

We hebben de bundel een ‘trilogie’ genoemd omdat omnibus een beetje oubollig klinkt, en omdat er wel degelijk samenhang in die boeken zit: er lopen een aantal personages rond die overlappend voorkomen, natuurlijk speelt het allemaal in Nieuw-West, en zo zijn er nog wel wat dingen te bedenken.

Ik ben er in ieder geval heel blij mee. Ik zit bij een uitgever die me waardeert, én mensen die me pas sinds Schuld kennen, kunnen nu die oude boeken lezen.

Fans van Zingende Ron: in West staat een lekker treurig lang verhaal met je lievelingsheld.

Geen reacties | Link | 21 oktober 2016 | Categorie:

Ik ben geen Amsterdammer meer

Ik heb een verrekijker gekocht, en de ANWB Vogelalmanak. Er zitten flink wat buizerds in de uiterwaarden, en die herken ik nu makkelijk, vooral omdat er in de almanak letterlijk staat dat buizerds graag op paaltjes zitten. Zie je een flinke vogel op een paaltje, dan is het een buizerd.
Van de week dacht ik een paartje visarenden te zien, maar dat weet ik nu niet zeker meer. Misschien waren het wat actievere buizerds. Het lastige van de almanak: hij is zwaar, dus hij blijft thuis.

Mijn vrouw en ik hadden het van de week over onze oude woning in Amsterdam, over het blok waar we zaten, met de schreeuwende buurvrouw die de hele binnentuin op zondagochtend voor ‘kankerlijeeeeers’ uitmaakte, haar zoon met de vier pitbulls, de mannen onder ons die ons kakkerlakken cadeau hadden gedaan — nou ja, voorheen de mensen die ons het leven zuur maakten, nu het kader waarin we ons geluk kunnen plaatsen.

We vonden het een gek idee dat daar nog steeds alles hetzelfde was, met onze afwezigheid als enige verschil. Het leven daar ging door, voor die mensen, het is een nog steeds bestaande werkelijkheid, maar onze werkelijkheid is in dit dorp, waar ik dit stukje tik in de mooie werkkamer van ons mooie huis, een huis dat geen huizen eraan vastgeplakt heeft; we kunnen er een rondje omheen lopen als we willen. Misschien ga ik dat zo nog maar eens doen.

Zo’n boerderijtje kopen — het is natuurlijk een kwestie van geld, kan het, zullen we het doen, maar het is ook een kwestie van kiezen, van het maken van die keuze. Zullen we er nog jaren van dromen, luisterend naar het gekankerlijer van de buurvrouw, of zullen we het doen, het onszelf gunnen, en zo kiezen voor geluk? In plaats van wachten tot je je gelukkiger voelt en er een bijpassende plek bij zoeken.

Ik ben geen Amsterdammer meer. En dat is goed.

We pakken straks ons autootje en dan rijden we over de Waalbandijk, met links en rechts weilanden, dijkhuisjes, boerderijen, en we gaan boodschappen doen in een stadje in de buurt. En we gaan de hele dag gelukkig zijn.

Geen reacties | Link | 1 oktober 2016 | Categorie:

Achter de dijk

We zijn verhuisd naar de Betuwe. We woonden op één van de drukste kruispunten in Amsterdam en sinds twee weken wonen we in een vrijstaand huisje in een dorpje waar volgens wikipedia 400 mensen wonen, en volgens Google Maps 200. Die meningen verschillen, maar het is er hoe dan ook heel erg stil, en we vinden het geweldig.

Het huis is prachtig, een kleine boerderij uit 1920 die mensen dingen laat zeggen als ‘het is net een sprookje’, twee keer zo groot als de woning die we hadden in Amsterdam, pas opgeknapt door de vorige bewoners, een fijne tuin, en het ligt tussen andere mooie huizen waar leuke mensen wonen – we hebben al bij onze buren tot laat in de avond wijn zitten drinken.

Het dorp ligt achter de Waalbandijk, en als je over de dijk bent, kom je in de uiterwaarden van de Waal, en daar kun je heel lang lopen zonder mensen tegen te komen. Wat je wel tegenkomt: ooievaars (in groepen van acht, negen, tien), buizerds, zwaluwen, konijnen, vosjes (die hebben we nog niet gezien maar ze zijn er).

Het kwam door de hond, min of meer. We kregen een pup in Amsterdam, Willem, en die socialiseerden we, en dat werkte, hij vond alles in de stad leuk en interessant, tot ie alles eng begon te vinden. En toen we door zijn ogen naar de stad keken, zagen we wat hij zag, het verkeer dat steeds vervelender werd, de drukte, en we werden er ongelukkig van, en we wilden weg.

Er waren meer redenen waarom we weg wilden; in het blok waar we woonden kwamen langzaam steeds meer studenten, die tot laat in de avond wijn zaten te drinken op balkons en in tuinen, en ik gun dat iedereen, want het is leuk, maar het is niet leuk als de binnentuin van je blok een echoschaal is waar ieder gesprek door de openstaande ramen van onze slaapkamer binnenkomt. En het is ook niet leuk als de oorspronkelijke bewoners (gezellige Amsterdammers) daar dan tegen protesteren door hard André Hazes te draaien of op zondagochtend zeven uur ‘kankerlijeeeeers ’s avonds een vent ’s ochtends ook een vent’ te schreeuwen.

Voor de verhuizing moesten we een nieuwe koelkast en wasmachine kopen omdat we in onze Amsterdamse woning kakkerlakken hadden gevonden, omhoog gekropen bij de buren vandaan, en de bestrijder raadde ons aan nieuw witgoed te kopen omdat we die beesten anders waarschijnlijk mee zouden nemen.

Nee – het was niet leuk meer in Amsterdam.

We kwamen op een feestje iemand tegen die vertelde hoe het was om in het midden van niets te wonen. We vroegen: maar je ziet toch niemand meer? En ze antwoordde: juist wel, als jij op een heel fijne plek woont, komen je vrienden daar graag naartoe.
Na dat feestje kwamen we thuis, en Robin ging meteen op Funda kijken, en daar kwam ze het huis tegen dat nu ons huis is.

Stel je voor dat, zeiden we tegen elkaar.
En het ons voorstellen hoeft niet meer, want we hebben het gekocht.

Het huis kopen was nog een heel avontuur, omdat ik ZZP’er ben, en hoe hard banken ook reclame maken over hypotheken voor ZZP’ers, een reclamecampagne bedenken is altijd nog wat anders dan de cultuur van een bank omgooien, maar ach, dat is ook gelukt, en we hebben het huis, en we zijn er verdomd gelukkig mee.

We moesten er een auto bij kopen, want het enige OV dat het dorpje aandoet is de belbus, en soms zien we ‘m rijden, het busje waar zes mensen inpassen, en het hoort allemaal bij de charmes. De andere openbare voorziening in het dorp is de brievenbus.

We zijn er heel gelukkig, in ons huisje achter de dijk.

En de hond, jongens, wat is die hond gelukkig. Voorheen tilden we ‘m van drie hoog naar beneden, twintig kilo aan ongedurige Friese Stabij, nu doen we het tuinhekje open en lopen we tien meter tot aan de dijk, we gaan de dijk over en hij kan los, en in die tien meter zijn er nooit auto’s, scooters, andere stressmomenten.

We wonen er nu bijna drie weken, alles is ingericht, we zijn in een ritme aan het komen. Het is nog een beetje uitzoeken hoe het leven werkt daar, ik moet met de auto naar het station om naar mijn werk te kunnen (helemaal met de auto zou filerijden worden, en dan lees ik liever in de trein), en hoe zien de dagen eruit dat Robin de auto nodig gaat hebben, hoe regelen we dat – maar dat is allemaal niet erg, want het is rust, alles is rust.

Na het werk kom ik aan met de trein op het station van een nabijgelegen stadje, daar staat de auto, en ik stap in de auto en rij rustig naar de stilte, en op het laatste stuk rij ik over de dijk, en ik zie de koeien in de uiterwaarden staan, en ik rij naar ons huisje, ons geluk achter de dijk.

Geen reacties | Link | 18 augustus 2016 | Categorie:

Gratis af te halen

Zondag stapten we in de auto omdat we nog naar Amsterdam moesten – de oude huurwoning moest leeg worden opgeleverd, en de vloeren moesten er nog uit. We hadden het laminaat op Marktplaats gezet, gratis af te halen, maar alleen op die en die zondag, en als je zelf meehelpt met eruit halen.

We hadden er geen zin in, want we wilden verder in ons nieuwe huis, daar was nog genoeg te doen, we wilden niets meer met die oude woning op die overvolle kruising te maken hebben.

We hadden een paar dagen geleden bij een van de buren in de tuin gezeten, en die hadden gezegd dat het inderdaad heel stil was hier, alleen de weekends, dan hoor je de motoren over de dijk rijden, maar we waren het laatste jaar de motoren gewend die vanuit Nieuw-West de kruising opkwamen, motoren van jongens die een jaar daarvoor nog op scootertjes hadden gereden, en nu op machines reden die ze hadden uitgezocht op het lawaai dat ze konden maken.

We luisterden naar de buurman en glimlachten, en toen we het weekend in ons nieuwe huis achter de dijk meemaakten, hoorden we niets, niets, niets.

We zaten mokkend in de auto, we wilden niet weg, maar het moest. we reden over de dijk, en de boerenzwaluwen scheerden speels langs het voorruit, met tientallen tegelijk, en de koeien graasden rustig in de uiterwaarden, en we zagen een buizerd op een paaltje zitten, en we bedachten dat we een paar uur later weer de A2 af zouden rijden, naar beneden, naar onze rivier, en dat we die avond gewoon weer terug zouden zijn.

Geen reacties | Link | 11 augustus 2016 | Categorie: