van•den•b.com

weblog [het, de; o en m -s: een ~ bijhouden] van

Walter van den Berg


Grafeen

IMG_0520

“Materiaal met een dikte van één atoom” — hoe mindblowing is dat als je na gaat denken over hoe je materiaal van één atoom dik aan elkaar moet laten plakken? Een deeltje van het materiaal moet vast zitten aan de deeltjes om zich heen; maar wat voor bevestiging is daarvoor gebruikt? Er is niets om in elkaar te grijpen.
Mindblowing.

Geen reacties | Link | 19 juni 2015 | Categorie:

Sony’s Robotic Dogs Are Dying A Slow And Heartbreaking Death

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Iedere schrijver heeft één Catcher

Over debuteren en de bildungsroman

Waarin de Tweede Bildungswet van Van den Berg wordt geïntroduceerd.

Met het laatste Das Mag-festival zat ik bij een leesclubje dat The Catcher in the Rye behandelde, en het was niet het allerbeste leesclubje ooit, omdat de schrijver verhinderd was en de BN’er van dienst, Kees de Koning, het allemaal maar ongemakkelijk vond dat we bij elkaar zaten omdat hij een lievelingsboek had aangedragen, en omdat de mensen die het meest aan het woord waren twee zussen waren die het net iets te leuk vonden dat zij de mensen waren die het meest aan het woord waren. Op een gegeven moment hadden ze het over hun neef en dan op zo’n manier dat het duidelijk was dat ze vergeten waren dat er twintig mensen om ze heen zaten die hun neef niet kenden.

Maar ik zat in die kring na te denken over schrijven, en over hoe je als schrijver maar één keer de kans hebt om je eigen Catcher te schrijven.

70 procent van de debuten is coming of age

The Catcher in the Rye is een behoorlijk archetypische coming of age-roman, natuurlijk. Puberjongen schopt tegen het volwassen leven aan, kort samengevat. De meeste mensen die gaan schrijven, doen dat omdat ze zelf zo’n verhaal willen vertellen. Zonder enkele empirische basis durf ik te zeggen dat 70 procent van de debuten coming of age is, en dat de helft van de overgebleven 30 procent coming of age een betere keuze was geweest voor de debutant.
Voor mij was dat ook zo: De hondenkoning was onversneden bildung.

Ik vind dat ook logisch: een eerste boek schrijven is in zichzelf al een vorm van volwassen worden. Ik had twee slechte romans in de la liggen, en als ik met één van die dingen was gedebuteerd, had ik bij die 15 procent gehoord die met het verkeerde soort boek literatuurlandje in was gestapt. Maar (uiteindelijk) een behoorlijk boek schrijven is heel erg leerzaam. Een jaar bezig zijn met hetzelfde personage, niet opgeven als je denkt dat het allemaal waardeloos is en jezelf temperen als je denkt dat je de wereld gaat veroveren met een baanbrekende roman — je groeit op met je personage.

Prima om mee te debuteren

Een stevige bildungsroman is wat mij betreft simpel en duidelijk van opzet: een ik-verteller van jonge leeftijd vertelt een lineair verhaal; aan het eind van het verhaal is de verteller volwassener dan hij of zij aan het begin van het verhaal was. Prima om mee te debuteren dus.

Maar als je eenmaal die (jong)volwassenheid hebt bereikt, moet je ook doorgroeien. Ik denk dat je als schrijver niet te lang kan blijven hangen in de bildung.

Een schrijver die zichzelf ontwikkelt gaat experimenteren met vorm en stijl, met perspectief — nou ja, met alles. Ik ben ondertussen bij mijn vierde roman aanbeland, de boel vordert gestaag, en damn, wat ben ik aan het experimenteren, jongens.

Een paar debuten waar de schrijver zich niet voor hoeft te schamen

Als mensen die ik in het wild ontmoet horen dat ik boeken schrijf, vragen ze soms met welk boek ze moeten beginnen, en ik zeg nooit dat ze dat bij het begin moeten doen. De hondenkoning is niet een boek waar ik nog heel trots op ben. Wat alleen maar goed is, denk ik, er zijn maar een paar debuten in literatuurlandje waar de schrijver zich niet op zijn minst een beetje voor hoeft te schamen.

Maar als ik volgens mijn eigen wetten leef, was De hondenkoning de enige kans die ik had om literair te bilden. Terwijl ik af en toe een boek in mijn handen heb waardoor ik zin krijg om weer zoiets te maken. En niet eens goeie boeken; ik had het met Tai Pei van Tao Lin bijvoorbeeld. Niet uitgelezen, maar mijn bildungszenuw begon ervan te jeuken.

De tweede bildungswet van Van den Berg

Omdat ik die wetten allemaal zelf uitvind, bedenk ik er nu nog één: als volwassen geworden schrijver mag je je nog één keer aan de coming of age wagen. Een goeie, degelijke roman, lineair verteld, vanuit een ik-verteller. Waarin je als schrijver meeneemt wat je in de romans ná je debuut geleerd hebt.

Bepaal voor jezelf wanneer je dat doet, of het na boek 4 of 5 of 10 is; de kwaliteit van de roman zal aangeven hoe volwassen je als schrijver bent geworden. Ik denk voor mezelf dat ik er na boek 5 aan toe ben.

Lullig voor de paar schrijvers die hun beste boek al met hun debuut hebben afgeleverd, ik weet het, maar voor hun is het leven toch al een groot tranendal na dat vroege pieken.

Geen reacties | Link | 17 juni 2015 | Categorie:

Krom

Er blafte een hond, fel en kort. We keken op en we zagen een man gehaast uit het koffiehuis weglopen. De man had een grote kin, Bob-Rosshaar, kleurige kleren, en hij liep voorovergebogen, krom, beschadigd. Het scenario dat zich waarschijnlijk had afgespeeld: man komt koffiehuis binnen, ziet hondje, buigt naar hondje, hondje blaft.

Het hondje moest hem niet.

Iedereen in het koffiehuis had opgekeken, en een vrouw zei over de hond: ‘nou, hij heeft er wel een neus voor.’

Ik keek hoe de man buiten een rugzak in een fietstas liet zakken, en onhandig de Haarlemmerdijk overstak, de fiets aan zijn hand. Nog steeds krom. Misschien nog wel iets meer beschadigd. Het hondje moest hem niet. De eenzaamheid die zijn kromme rug uitstraalde was verpletterend.

Geen reacties | Link | 13 juni 2015 | Categorie:

Paul Ford: What is Code?

Geen reacties | Opgeslagen onder:

How to design a metaphor

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Bevat lucht

Omdat ik zelf aan het schrijven ben aan iets nieuws, lukt het me niet heel erg romans te lezen, dus ik heb me op de non-fictie gestort. Ik ben Big Data (link naar vertaling) van Viktor Mayer-Schönberger & Kenneth Cukier aan het lezen, want da’s interessante materie waar ik zelf later ook nog slimme dingen over wil zeggen, maar nu gaat het me even om het boek.

Ik heb nooit veel non-fictieboeken gelezen, vooral omdat ik me afvroeg hoe je een heel boek vol zou kunnen schrijven over een bepaald onderwerp — en dat vraag ik me nu nog steeds af, eerlijk gezegd.

Viktor en Kenneth hebben tweehonderdplus pagina’s volgetikt, en het is allemaal heel leesbaar, maar alle informatie had gecondenseerd in een degelijk artikel in een tijdschrift kunnen staan.

Ik begrijp dat een artikel in een tijdschrift flink wat minder oplevert dan een goedverkopend boek, maar ik vind dat er voortaan een disclaimer op zulke boeken mag: opgeschudde versie, bevat lucht.

Geen reacties | Link | 5 juni 2015 | Categorie:

The Untold Story of Silk Road

Episch stuk in WIRED over de speurtocht naar de oprichter van Silk Road. Nu in het nieuws met de veroordeling.

Just then the front door burst open, knocked off its hinges by a SWAT team wielding a battering ram. Quickly the house was flooded by cops in riot gear and black masks, weapons at the ready. There was Green, covered in cocaine and flanked by two Chihuahuas.

De link: Silk Road: The Untold Story.

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Love or hate them, East London’s hipsters have fuelled a vast economy

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Python

In een ver verleden heb ik mijn geld verdiend door in een texteditor XSLT-scriptjes te tikken. Als ik over dat verleden praat, noem ik de mezelf van toen, afhankelijk van het gezelschap, ‘programmeur’, maar echte programmeurs moeten daar dan natuurlijk om lachen.

Ik heb in dat verre verleden ook regelmatig een poging gewaagd een echte programmeur te worden, of in ieder geval: mezelf een echte programmeertaal aan te leren. Het probleem daarbij: elk boek dat je een programmeertaal aan zou kunnen leren, was belachelijk moeilijk. Elk boek begon met een hello-world-voorbeeld om daarna een duizelingwekkende diepte in te duiken.

Bs13i6LCcAAvwCf

Maar: we zijn niet meer afhankelijk van boeken, want nu is er Het Internet.

Dat is een grapje natuurlijk; maar het lijkt wel of nu pas de voordelen van internet worden gezien door de hardcore nerd die als enige in staat is een programmeertaal uit te leggen aan leken.

Ik ben in mijn vrije tijd bezig om Python te leren op codeacademy.com. Python wordt nu gezien als de best leerbare programmeertaal, en de oefeningen op codeacademy zijn goed te begrijpen, dus het begint erop te lijken dat ik ergens ga komen.
Ik heb nog wel de fout gemaakt om Learning Python aan te schaffen, gewoon, omdat ik het een beetje begon te snappen. Maar dat boek heeft 1600 bladzijden die direct op het niveau zitten van het tweede plaatje van de uil hierboven. Sommige dingen zal ik nooit leren.

Python is niet mijn einddoel; ik wil eerst leren programmeren, daarna wil ik iets kunnen maken, een app bijvoorbeeld, als companion bij een volgende roman.

Geen reacties | Link | 18 mei 2015 | Categorie:

Elon Musk’s Space Dream Almost Killed Tesla

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Zoek de vrijheid, Miguel

De rij voor de patatboer in de Voetboogstraat was kort toen we aankwamen. We hadden mazzel. De rij kwam achter ons.
De patatboer in de Voetboogstraat is een open loket waar je je patat bestelt. Achter het loket stonden twee dikkige jongens die eruit zagen alsof ze uit Noord kwamen, maar dan niet het hippe Noord. Misschien kwamen ze zelfs uit Ilpendam.
De jongen op rechts nam de bestellingen op, de jongen op links nam het geld aan.
Achter hen stonden nog twee jongens. Die jongens kwamen niet uit Ilpendam. Achterin stond er één aardappelen door een snijmachine te duwen. Tussen hem en de Ilpendammers stond de ander de patat te bakken.
De Ilpendammer op rechts zei tegen de patatbakker dat hij er nog een lading in mocht gooien. Hij had gelijk: de rij kwam nu al tot aan de Heiligeweg.
Wij waren aan de beurt. We bestelden twee patat en een flesje Fanta.
De Ilpendammer op links was een meter van de Fanta verwijderd.
De patatbakker was er anderhalve meter vandaan, en hij was bezig met een lading patat.
Miguel, zei de Ilpendammer op links, Fanta.
Miguel de patatbakker liet zijn patat een moment voor wat het was en reikte achter zich naar de koeling.
De Ilpendammer op links pakte de Fanta aan en zette hem voor me neer. Ik rekende met hem af.
Miguel roerde door de patat in de frituur.
De Ilpendammer op rechts nam weer een bestelling aan. Een toerist wilde patat en sparkling water.
Miguel, zei hij, sparkling water.
Miguel reikte naar de koeling en pakte een flesje water. Het water sparkelde niet.
Spárkling water, zei de Ilpendammer op rechts.
Miguel zette het niet-sparkelende water terug en pakte een sparkelend flesje. Daarna ging hij weer terug naar zijn patat.
Even had niemand iets te doen. Iedereen wachtte op de patat in de frituur.
Morgen lekker vrij hè, Miguel, zei de Ilpendammer op links. Hee Miguel. Morgen lekker vrij hè?

Geen reacties | Link | 4 mei 2015 | Categorie:

Astrid Joosten is hoofd bij sales

Ik zou een serie kunnen maken over mensen met beroemde namen die een niet-zo-beroemde baan hebben.
Omdat ik overal en nergens werk, zoals dat heet, hoor ik heel veel namen, en ik kan nog steeds niet anders dan een kort lachje lachen als ik weer een beroemdheid een heel normale baan zie hebben.

Ik hoorde vandaag iemand zeggen ‘dan moet je even Astrid Joosten bellen, die is hoofd bij sales.’
Op mijn vorige afdeling liep er een leidinggevende rond die Jos Brink heet.
Bij een andere klus heb ik een keer de hand geschud van een heel grote man die zich voorstelde als Roel van Velzen.

En dat blijft zo maar doorgaan. Het is niet eens grappig meer.
Ach, laat ook maar.

Geen reacties | Link | 28 april 2015 | Categorie:

The Slang of Irvine Welsh

Geen reacties | Opgeslagen onder:

The Bizarre, Complicated Formula for Literary Fame

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Cormac McCarthy’s Original Drafts of Blood Meridian

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Sjamaan

Een probleem met fictie

Een essay over waarom ik fictie af en toe een raar ding vind. En fictie een raar ding vinden is een raar ding voor een schrijver.

Ik heb een probleem met fictie. En dat is lastig, als je romans schrijft.
Dat probleem is er niet altijd geweest; het kwam pas toen bij het verschijnen van mijn derde roman de achterflap iets te vaak werd betrokken in de recensies. Op de achterflap stond dat het verhaal in het boek was gebaseerd op iets dat ik als kind had meegemaakt, en de professionele lezers vielen over die verwijzing. Ik ben daar een tijdje boos over geweest, en die boosheid had een bijverschijnsel: ik vond romans die heel erg verzonnen waren plotseling raar. Het lukte me niet meer te zien wat de functie was van zo’n volledig uit de verbeelding ontstaan boek. Ik verwierp het verzonnen verhaal. Bah, humbug.
Dat heeft een tijdje geduurd; ik zat als een mokkend kind in een hoek het spelletje van de andere kinderen stom te vinden, en zoals dat dan gaat met mokkende kinderen: het heeft niet door het alleen zichzelf dwarszit.
Mijn acceptatie van het verzonnen verhaal kwam weer een beetje terug toen ik op een Grieks strand The Bone Clocks van David Mitchell las en daar in verzonk, zoals bij romans kan gebeuren. Een roman biedt een andere wereld buiten de gewone wereld, en The Bone Clocks was heel erg een andere wereld, en Mitchell had de knop van mijn suspension of disbelief weer op aan kunnen zetten. Niet dat het een briljant boek was: The Bone Clocks schiet in al zijn verzonnenheid regelmatig gierend uit de bocht, zoals dat dan heet, maar ik vergaf het Mitchell allemaal; ik was in for the ride.
Die teruggekeerde acceptatie nam niet weg dat het vreemd was: waarom zou een mens uren, bij elkaar misschien wel dagen bij een boek van 500 plus bladzijden, in een wereld willen stappen die door een ander verzonnen is? Zodra een roman door meer dan één persoon gelezen wordt, begint het meteen te ruiken naar een soort overbrengen van een religie, als een sjamaan die bij een kampvuur vertelt hoe de berg waar de stam onder woont zijn witte top heeft gekregen.
Met films kan ik het nog aan, het voorstellen waarom je je overgeeft aan iemands verzinsels: je geeft je anderhalf uur over aan kant en klare beelden, je kan — als je niet te arthouse bent gegaan toen je je kaartje kocht — je hersens even uitschakelen. Het is ontspanning. Maar een beetje roman lezen is werken.
Waarom zou je dat willen?
Daar worstel ik mee.

2.

Een stap dieper.
Sinds The Bone Clocks lees ik weer met plezier. En ik lees — ook met plezier — zwaarder spul dan David Mitchell. Want Mitchell kan je ook lezen op het niveau van die anderhalf uur durende film, natuurlijk. Dus dat deel van het probleem is opgelost. Nu naar het echte probleem.
Ik ben mijn vierde roman aan het schrijven.
Voor mijn vierde roman ben ik heel veel aan het verzinnen.
De eerste drie waren allemaal wel ergens gebaseerd op iets dat ik zelf had meegemaakt; alleen bij de laatste van die drie, Van dode mannen win je niet (De bezige bij, 2013), hadden we dat op de achterflap gezet omdat het relevant was, vond ik toen, en dat vind ik nog steeds: ik heb een gewelddadige stiefvader gehad en in dat derde boek vertel ik het verhaal vanuit mijn stiefvader. Moeilijke jeugden zijn er genoeg beschreven in de literatuur, moeilijke jeugden die worden besproken door de veroorzaker van zo’n jeugd zijn er veel minder.
Van dode mannen win je niet was voor mij vooralsnog een soort culminatie van dat persoonlijke verhaal; nu is het tijd verder te kijken. En in dit geval betekent verder kijken: verzinnen.
Ik heb voor het boek waar ik mee bezig ben een paar personages gepakt die ik al eerder op heb gevoerd in mijn tweede roman (West, De bezige bij, 2007), om niet te rigoureus te breken met mijn universumpje, en alles wat er in dit verhaal gebeurt, verzin ik.
Dat verzinnen is een traag proces, maar ik zou het niet moeizaam willen noemen. Ik heb in mijn schrijfleven, dat begon toen ik een jaar of veertien was, denk ik, een hoop verzonnen, dus het is niet vreemd voor me, hoe raar ik het nu ook vind. Als schrijvende puber vond ik verzinnen juist niet meer dan logisch. Ik wilde vooral SF-verhalen vertellen; mijn personages liepen rond op ruimteschepen. Dat je personages mee zouden kunnen maken wat jij zelf meemaakte, of dat ze iets mee zouden maken wat in ieder geval in een universum zou kunnen gebeuren dat dichtbij jouw eigen wereld lag, kwam toen nog niet in me op.
Het trage zit nu vooral in bedenken of het klopt bij wat ik wil vertellen. En ook dat is nieuw voor me: van te voren bedenken wat ik wil vertellen. Niet het letterlijke verhaal, natuurlijk, maar het thema dat ik duidelijk wil maken. Nadat ik drie romans had geschreven werd me duidelijk wat mijn thema is, en nu ben ik daar veel meer op voorhand mee bezig. Kan gevaarlijk zijn, want misschien ga ik erdoor kunstelen. Maar het zou me ook niets verbazen als ik nu een helder thema in mijn hoofd heb, en straks als het boek in de winkel ligt bedenk dat het eigenlijk heel ergens anders over gaat. Niet erg: dat voorkomt gekunsteldheid, denk ik.
Allemaal niet erg.
Maar ik denk net iets te vaak, terwijl ik mijn verzonnen verhaal zit te tikken: wat een fokking arrogante bezigheid is dat schrijven, zeg.
Ik voel me net iets te vaak die sjamaan bij dat kampvuur dat wil dat mensen naar zijn onzin luisteren.

3.

Door iets over schrijven te vinden, door er een mening over te hebben, plak ik die mening ook op andere schrijvers. Fokking arrogante gasten zijn het. Allemaal.
Maar dat zijn ze niet, natuurlijk.
Er zijn karrevrachten aan schrijvers aan te voeren voor wie die arrogantie wel geldt, maar zo heb je vast ook karrevrachten aan arrogante loodgieters. Of stukadoors, misschien is dat een beter voorbeeld; stuken is zo knettermoeilijk dat de arrogantie vast wel boven komt drijven bij de mensen die van zichzelf overtuigd zijn dat ze er goed in zijn. Net als bij schrijvers dus.
Maar er zijn genoeg schrijvers te bedenken bij wie die arrogantie niet bestaat. Die hun verhaal moeten vertellen. Alex Boogers bijvoorbeeld, die het een gekte noemt die langzaam opbouwt en er dan uit moet. Bij het schrijven aan zijn laatste boek is hij twee keer in het ziekenhuis opgenomen omdat zijn lichaam reageerde op die gekte.
Noodzaak. Het beruchte woord als het over schrijven gaat.
Als ik dat bij mezelf bekijk, gaat het niet om een gekte die langzaam opbouwt. Ik vind het lekker een mooi boek te maken, een goed verhaal, ik ben meer dan Alex B. met het schrijven bezig en met het ‘schrijver zijn’, met een mooie omslag kiezen en met het feestje als het boek klaar is. Waar ik bij mezelf die Noodzaak opmerk: dat thema waar ik het over had. Als ik bij alles wat ik ooit heb geschreven (verhalen en romans) eerlijk ga kijken naar waar het verhaal écht over gaat, zie ik dat ik eigenlijk altijd over hetzelfde schrijf, ook al dacht ik tijdens het schrijven dat ik nu met wel iets héél anders bezig ben.
Het feit dat ik een thema heb, bewijst die noodzaak, denk ik.
Goed; een noodzaak. Dat verklaart misschien waarom je de behoefte hebt 50.000 woorden te tikken, maar moeten andere mensen daar het slachtoffer van worden? Moet je zomaar iets kunnen verzinnen en verwachten dat andere mensen daar hun tijd in gaan steken?

4.

Tijd om eerlijk te zijn tegen mezelf.
Twee dingen:

  1. Dat laatste boek, Van dode mannen win je niet, daar stond niet op de achterflap: dit boek is autobiografisch. Er stond dat ik een gewelddadige stiefvader had gehad en dat ik in zijn huid was gekropen. Ik heb tachtig procent van dat boek verzonnen. Dat ik zo boos werd op fictie kwam alleen doordat een aantal beroepslezers mij ervan beschuldigden dat ik geen fictie had geschreven, of dat ik dat althans op de achterflap beweerde.
  2. Iemand vertelde me onlangs dat ze dat boek had gelezen en er, terwijl ze ‘erin’ zat, snel voor naar huis ging om verder te kunnen lezen. (Ik high-fivede mezelf in gedachten.)

Dus ik heb dat boek verzonnen, en het blijkt dat mensen er graag hun tijd in steken. En als ik eerlijk ben: dat is verdomd lekker.

5.

Moet je zomaar iets kunnen verzinnen en verwachten dat andere mensen daar hun tijd in gaan steken?
Als David Mitchell dat had gedacht, had hij me een mooi boek ontnomen. Als Alex Boogers dat had gedacht, had hij me een bijzondere ervaring ontzegd met zijn Alleen met de goden, waarin ik veel van mezelf herkende.
Ik heb de sjamanen nodig. Niet iemand bij een kampvuur die me vertelt waarom ik bang moet zijn als de donder over het veld rolt en de bliksem inslaat, maar sjamanen die me met moderne verhalen vertellen over het leven nu of me juist weghalen bij dat leven en me op die manier ook helpen.
Ik kies ervoor naast die sjamanen te zitten en naar hun verhalen te luisteren. Ik zet mijn probleem met fictie opzij. Dat probleem is een probleem van een verongelijkt kind.

6.

Ik ben zelf ook een sjamaan. Ik vertel verhalen aan dat kampvuur omdat ik verhalen heb waarvan ik vind dat ze gehoord moeten worden, dat ze geloofd moeten worden. Of een verhaal, dat ik in meerdere vormen vertel.
Dat verhaal is gebaseerd op iets dat ik mee heb gemaakt, en ik gebruik steeds meer fictie om dat verhaal te vertellen. Ik moet accepteren dat ik fictie nodig heb. Fictie is het smeermiddel om mijn verhaal over te brengen. Ik ben een sjamaan, en dat idee moet ik accepteren en omarmen, en ik moet de best mogelijke boeken schrijven om mijn verhaal te vertellen.
Als je schrijft, geloof dan in het schrijven.

Geen reacties | Link | 16 april 2015 | Categorie:

This Magic Moment – The Sopranos

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Seveneves

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Bij die exclusieve club horen

Ik ben mijn vierde roman aan het schrijven, en ik loop natuurlijk tegen existentiële twijfels aan, want dat hoort bij schrijven. Ik tik af en toe een stukje over het proces. De abonnees van de Planeet vandenb-nieuwsbrief hebben net weer een exemplaar in hun brievenbus gekregen. Wilt u bij die exclusieve club horen? Het kan niet simpeler: u hoeft alleen uw e-mailadres achter te laten.

U krijgt na het invullen een popup van ‘Tiny Letter’ en die zegt dat u nog even moet bevestigen via uw mailbox.

Ik ben blij met uw inschrijving. Dank daarvoor.

Geen reacties | Link | 6 april 2015 | Categorie: