vandenb.com // Walter van den Berg


De pijn van de schrijver

Het was boekenbal, en ik stond met Henk van Straten te praten. We hadden het eerst over de pijn van de schrijver, en daarna ging het over mensen die dingen van je wilden. Als je boeken schrijft, en je wil graag dat ze gelezen worden, krijg je vanzelf te maken met mensen die dingen van je willen. Dat is ook pijn.
We stonden op de trap, want de trap was relatief rustig. Af en toe kwamen er groepjes mensen langs, en in die groepjes zaten dan weer schrijvers die we moesten begroeten.
Ik had het van de week met een fotograaf, zei ik. Ik was bij een ceremonie geweest, en erna wilde de fotograaf alle schrijvers die deel waren geweest van de ceremonie apart op de foto zetten.
Fotografen! riep Henk. Hij zei dat ze uiteindelijk allemaal aan hem vroegen of hij zijn shirt uit wilde doen.
Ik zei dat deze fotograaf graag wilde dat ik iets met mijn handen bij mijn gezicht deed. Dat ik ze zo deed: en ik legde mijn handen op mijn wangen.
Net als een echter schrijver, zei Henk, want die hebben hun handen altijd zo. Bij mij vragen ze altijd eerst of ik mijn mouwen opstroop om mijn tattoos lekker zichtbaar te maken, zei Henk, en daar begint het dan mee, en dan is er altijd een moment dat de vraag over het shirt komt.
Ik zei tegen Henk dat ik had gezegd dat ik het niet wilde.
Heel goed, zei Henk. Net als met die foto in je laatste boek, met die coltrui. Dat moest zeker ook van de fotograaf?
Ik knikte, want het klopte.
Kom op, zei Henk, wie ben je, Steve Jobs? Was die coltrui ook van de fotograaf?
Van de fotogra-fe, zei ik.
Nee! Riep Henk. Maar, zei hij, nu heb je dit met die handen geweigerd.
Klopt, zei ik.
Goed, zei Henk, je komt steeds verder, man. Goed.
Ik knikte weer.
Henk nam nog een slok van zijn biertje. Er kwam weer een schrijver langs, vergezeld door een BN’er.
Ik heb het toch gedaan, zei ik.
Hm? Vroeg Henk.
Ik heb het toch gedaan, zei ik. Ik heb eerst geweigerd, en daarna heb ik het toch gedaan. Uit beleefdheid.
Hij keek me een paar momenten aan. Daarna zei hij: uit pijn. Je hebt het vanuit je pijn gedaan.
O ja, zei ik.
Als schrijver doe je zulke dingen vanuit je pijn, zei Henk. Onthou dat. Beloof je me dat?
Ik beloofde het.
Daarna groetten we weer een schrijver die we allebei kenden – iemand van wie we wisten dat er veel pijn zat.

Geen reacties | Link | 27 maart 2017 | Categorie:







Das Mag niet naar het boekenbal

Vandaag rommelt het in boekenlandje: de schrijvers van uitgeverij Das Mag krijgen geen kaarten voor het boekenbal. Daar hoor ik ook bij, dus deze vrijdag zit ik lekker op de bank The Voice Kids te kijken.

Uitgever Toine heeft een stuk geschreven over hoe het technisch in elkaar zit, en het CPNB, de organisator van het bal, heeft bij Trouw gereageerd hoe zij er over denken:

“We bewonderen deze auteurs, en we hebben Das Mag vanaf het begin gesteund. Maar wij organiseren al zestig jaar het boekenbal voor de leden van de uitgeversbond. En Das Mag is geen lid. Vorig jaar wilde ze ook al komen. Ik zeg dan: word dan lid.”

Jeroen Vullings schrijft op de site van Vrij Nederland:

“Een technocratische reden, lijkt mij, waarbij geld een rol speelt.”

Toen ik net begon met dat boeken schrijven, vond ik het enorm spannend om naar het bal te mogen. Ik hoorde erbij, eindelijk (niets menselijks is de schrijver vreemd), en het was ook echt leuk. Je kwam je schrijversvrienden tegen, je kreeg links en rechts complimenten (altijd lekker), en je kon dansen terwijl je Cees Nooteboom naast je helemaal los zag gaan.

Nu (zeker ook omdat we niet meer in Amsterdam wonen) levert zo’n feestje vooral gedoe op, dus puur voor mezelf vind ik het niet zo erg.

Maar dat de schrijvers van Das Mag (onder wie de Grote Namen Lize Spit, Jelle Brandt Corstius en Maartje Wortel) geen kaartjes krijgen is eigenlijk absurd. Lize heeft honderdduizenden euro’s verdiend voor het boekenvak, Jelle heeft vorige jaar nog het boekenweekessay geschreven.

Het CPNB bevestigt dat het voor hen inderdaad nog een vakbondsfeestje is, maar voor de rest van de wereld is het een avond waarop schrijvers dronken worden met elkaar. Dat beeld is door de jaren gegroeid, en dat is wat het zou moeten zijn.

Het bal is losgekomen van het CPNB, en die club zou daar juist trots op moeten zijn. Het gaat om schrijvers en hun boeken, want het bal is de opening van de boekenweek. De boeken van Das Mag liggen in de winkel, lid van de vakbond of niet, en ze doen het heel, heel goed. Lize Spit heeft 160.000 boeken verkocht.  Dat betekent dat ze anderhalf miljoen euro heeft verdiend voor de boekhandels die haar boek verkopen.

Op haar plaats loopt vrijdagavond een verdwaasde genodigde van hoofdsponsor NS zich af te vragen waar alle schrijvers zijn. Maar die gedachte vervaagt vast en zeker op het moment op het moment dat hij een BN’er ziet lopen die helemaal niets met het boekenvak te maken heeft.

Laat die rare constructie van die vakbond los, en nodig ieder jaar de mensen uit het boekenvak uit die dat jaar iets hebben betekend voor het boek. Dan kom je uit op dezelfde usual suspects die er altijd zijn, dus die hebben dan niets om over te zeuren, een x aantal mensen van wie het belachelijk zou zijn als ze er dat jaar niet zouden zijn, en gooi daar een stuk of twintig debutanten bij, want ik gun iedereen die belevenis van zijn of haar eerste keer boekenbal.

De update: ik ben uitgenodigd voor het bal door de organisatie van de Libris Literatuurprijs, omdat zij het een mal idee vonden dat iemand op hun shortlist niet mag komen dansen.

Geen reacties | Link | 22 maart 2017 | Categorie:

Wachten op Tonko

Fase 1: het wachten

Mijn boek stond dus op de longlist van de Libris Literatuurprijs, samen met 17 andere boeken. Een longlist moet een shortlist worden, en bij de Libris is het een traditie dat Nieuwsuur hun verslaggever Tonko Dop met een pakketje boeken bij de mensen langs stuurt die op de shortlist terecht zijn gekomen.

Dat pakketje bestaat dan uit de 5 andere boeken op de shortlist, waardoor de schrijver weet: ik zit erbij, en dit is de concurrentie. Dat bezoek van Tonko moet een verrassing blijven. Dat betekent dat 18 schrijvers op hun plek moeten blijven zitten, niet wetende of er überhaupt aangeklopt gaat worden.

Zo zou mijn dag er dus uit gaan zien. Ik had mijn collega’s op kantoor laten weten dat ik vanuit huis zou werken, en ik zette mezelf zuchtend aan de slag, met het vooruitzicht dat ik tot een uur of drie licht nerveus zou kunnen zitten zijn.

Ik nam het scenario nog een keer met mezelf door: als er niet wordt aangeklopt, is dat jammer maar niet onoverkomelijk, als er wel wordt aangeklopt, doe je de halve deur open zodat de hond even in beeld komt (als we de halve deur gebruiken, steekt onze Stabij Willem altijd zijn kop naar buiten) en daarna zeg je Alleen Maar Slimme Dingen.

Toen werd er geklopt. Ik zag buiten een man met een microfoon staan (TONKO! DOP!) en een andere man met een enorme camera. Ik deed, zoals gepland, de bovenste helft van onze boerendeur open zodat Willem zijn kop naar buiten kon steken — en verder deed ik alles fout.

Ik wilde Tonko een hand geven terwijl hij zijn handen vol had.
Ik had mijn crocs in beeld aan terwijl ik Willem naar zijn bench droeg.
Ik had Geen Enkel Slim Ding te zeggen.

Tonko overhandigde me het concurrentiepakketje met boeken. Ik moest het in beeld uitpakken en commentaar leveren. Ik kon alleen overtuigend zeggen dat ik blij was dat Lize Spit erbij zat, mijn lieve collega bij uitgever Das Mag. Verder was het wartaal. Bij elke vraag die Tonko stelde, stotterde ik iets onsamenhangends. Waar gaat je boek over? Geen idee.

Ik liet de werkkamer nog even zien, ik antwoordde nog wat Niet Slimme Dingen, en daarna ging de camera uit.

En na het wegleggen van die ENORME camera (pas nu hij uit was, durfde ik er echt naar te kijken, en dat ding was bijna groter dan onze Volkswagen Up), ontspande ik. Kon ik wat leuke grapjes maken. Zette ik koffie voor Tonko en de cameraman. Maakte ik een selfie voor mijn vrouw met Tonko en de cameraman. Speelde Tonko daarna nog een paar minuten met Willem.

Fase 2: het geheimhouden

Maar goed, ik stond dus op de shortlist. Fase 2 ging in: het geheimhouden. Dat hoort bij het circus. Er zitten 18 schrijvers te wachten, en ik wist om 10 uur ’s ochtends al welke 6 er geluk hadden. Ik appte mijn vrouw de selfie, en vroeg of ze 8 mei met me mee uit eten wilde in het Amstel Hotel (dat hoort ook bij de Libris: een diner bij de prijsuitreiking in een van de beste restaurants van Nederland, en dat komt OOK op tv, en godallejezus hoeveel grote camera’s gaan daar dan zijn), dus zij wist het nu, en ik belde het nummer dat in de instructiebrief stond en kreeg te horen dat ik NIEMAND mocht bellen, dus daarna belde ik mijn uitgever.

Nou ja, dat geheimhouden ging dus niet zo goed. Behalve dan dat ik wel hard zei dat niemand het op de sociale media mocht zetten.

Fase 3: naar het officiële gedeelte

Er bleek dus een officieel gedeelte bij de dag te zitten: om vier uur ’s middags zouden de shortlisters bekend worden gemaakt voor pers en genodigden, en ik wilde eerst niet gaan, want onhandig, nu we in de buitengebieden wonen, maar mijn uitgever zei dat het erbij hoorde en dat het leuk zou zijn. Dus ik vroeg mijn lieve buurman of hij me naar het station wilde brengen (mijn vrouw had de auto), en ik ging op weg naar de grote stad.

In een café dicht bij het zaaltje waar de pers al samendromde zat René Appel op de schrijvers te wachten.  Dat was leuk! We kwamen één voor één binnen, (alleen Arnon Grunberg was er niet) en we feliciteerden elkaar bijzonder welgemeend. We praatten tot we weg moesten; we liepen naar het zaaltje, en ook daar moesten we weer even wachten tot we op mochten. We werden één voor één aangekondigd, voor het verrassingselement, en ook dat deel was leuk en lief en een beetje klunzig.

(Daarna was er een borrel, waar we handen schudden met juryleden, redacteuren en uitgevers van de andere schrijvers, en dáárna (en toen en toen) gingen we eten met iedereen die er was van Das Mag en iedereen die er was van De Bezige Bij en dat was heel erg feestelijk.)

Fase 4: jezelf terugzien op televisie

Mijn vrouw haalde me af van het station, en dat was heel erg fijn en leuk en het deed denken aan vorig jaar, toen Schuld boek van de maand bij DWDD was geworden. We reden gezellig pratend naar ons huis, waar Willem nog over zijn nieuwe vriend Tonko aan het dromen was. En mijn grote liefde had natuurlijk een fles champagne in huis gehaald. We klonken, en we zetten de televisie aan, en we keken naar Nieuwsuur.

Samenvattend: je ziet mij onhandig de (halve) deur opendoen, je ziet Willem inderdaad zijn kop over de deur steken, je ziet mij op m’n crocs Willem wegdragen, en je ziet mij één zin zeggen.
De rest was onbruikbaar, denk ik.

Gelukkig zie je Jasper Henderson, de redacteur van Grunberg, héél erg enthousiast zijn over mijn boek, en dat maakte het eigen gestuntel allemaal draaglijk.

8 mei de uitslag. Live op televisie. Ik ga niemand vragen te kijken.

Geen reacties | Link | 21 maart 2017 | Categorie:

De Trump-nieuwsdienst

Ik ben de Trump-nieuwsdienst voor mijn vrouw. Ik lees heel twitter uit, ik lees de Washington Post en de New York Times, en bij het eten vertel ik wat voor idiote dingen hij die dag heeft gezegd of gedaan. Af en toe heb ik een filmpje paraat, bijvoorbeeld de compilatie van hoe Trump handen schudt.

Ik denk af en toe dat ik er iets te veel mee bezig ben, met Trump, die man is ver weg, en zal het zo’n vaart nu wel lopen, het is toch een kwestie van tijd voor ie tegen de lamp loopt?

Maar dan denk ik ook weer: er is helemaal geen lamp meer om tegen te lopen. Vroeger zou één van zijn idiote uitspraken of acties al genoeg zijn geweest om, gedwongen door de schandaalverhalen, af te treden, maar de schandaalverhalen komen niet meer aan bij het volk — het volk haalt de schouders op en zegt: hij doet wat ie beloofd heeft, toch? MAAR DAT DOET IE NIET. Dat is nog wel het frustrerendste van het geheel: de waarheid doet er niet meer toe.

Vroeger werden films gemaakt waarin de schurk werd verslagen door een schandaal naar de pers te brengen: zo’n scène waarin de krantenman dan opkeek van het bewijs en aan de held vroeg: is dit waar? En dat je dan wist: het kwaad is verslagen.

Dat scenario bestaat niet meer.
Ik kan mijn vrouw morgen bij het eten vertellen dat er foto’s zijn opgedoken waarop Trump zijn vriend Putin met de hand bevredigt boven een dossier waar met een grote rode stempel ‘classified’ op staat gedrukt, en ze zal vragen: wat gebeurt er nu dan? En ik zal zeggen: nou ja, niets. Er is geen schandaal denkbaar waar Trump mee te beschadigen is.

Geen reacties | Link | 14 februari 2017 | Categorie:

Aanstellers

Van de week stond er in de Volkskrant een opiniestuk van een echte Amsterdammer, Willem van Oostvoorn, waarin ie reageerde op een eerder stuk. Willem vindt dat de schrijver van dat stuk, Izz ad-Din Ruhulessin, zich niet zo aan moet stellen, want “discriminatie hoort net zo bij het leven als slecht weer”. Willem gebruikt het woord aanstellen niet, maar dat is wel de kern van het hele stuk: mensen moeten zich niet zo aanstellen.

Je niet aanstellen, dat heeft Willem namelijk van huis uit meegekregen. Willem kwam uit een milieu van gewone mensen waarin naar het gymnasium willen jezelf aanstellen was, en daarom is hij naar de mavo gegaan. Later is ie nog wel gaan studeren, maar daar werd ie uitgelachen omdat ie zo gewoon was. Maakt niet uit, hij stelde zich tenminste niet aan. En dat zou iedereen die gediscrimineerd wordt moeten doen, jezelf niet aanstellen. Want gottegot, wat zijn het toch een hoop aanstellers bij elkaar. Dat is tenminste wat Van Oostvoorn van huis uit heeft meegekregen.

Jammer voor hem dat hij nog steeds zo loyaal is aan dat kutmilieu waar ie uit komt. Hij praat in zijn stuk goed dat ie naar de mavo ging met zijn gymnasium-advies, want hij kwam nu eenmaal uit een milieu waar je normaal moest doen, maar als zijn ouders gewoon hadden gezegd dat hij best voor een betere toekomst mocht gaan, had Van Oostvoorn niet meer zo hoeven te koketteren met zijn lekkere Amsterdamse accent.

“Ik heb er gewoon wat van gemaakt. Door een beetje door te zetten wanneer het tegenzat. Door wat extra hard te lopen,” zegt van Oostvoorn. Zie je dan niet dat die lekker gewone afkomst van je waar je zo trots op bent ervoor gezorgd heeft dat het tegenzat? Je ouders hadden je naar het gymnasium moeten schoppen.

In zijn stuk geeft Van Oostvoorn de schuld aan de maatschappij die niet om kon gaan met zijn brutale bek, en hij zegt meteen dat ie niemand de schuld geeft, want hij stelt zich tenslotte niet aan, hij loopt gewoon wat harder.

Ik had het ook allemaal: een Amsterdams accent, een gymnasiumadvies, en een enkeltje mavo. Uiteindelijk toch nog gaan studeren, Nederlands taal- en letterkunde, en Jezus, wat vond ik mijn medestudenten een aanstellers. Ik vond het hele verschijnsel studenten zo weerzinwekkend dat ik van de weeromstuit geen flikker uitvoerde – ook omdat ik dat gewend was op de mavo, met mijn gymnasiumadvies. Studie na een jaar gestopt, en lekker gaan werken met m’n handen. En studenten bleven aanstellers.

Het heeft heel lang geduurd voor ik zag dat ik me juist aanstelde, ik en dat kutmilieu dat er voor zorgde dat mijn ontwikkeling heel lang niet verder kwam dan een graveerfabriekje in de Jordaan.

“Misschien ben ik wel een boze witte man,” zegt Willem in zijn stuk, en dat is ie inderdaad, want dat milieu van hem en mij is de grondlaag van heel veel boosheid, juist omdat niemand zich mag aanstellen, omdat je met de nek aangekeken wordt als je anders bent – of gewoon ronduit uitgelachen, want die echte Amsterdammers zeggen waar het op staat met hun grote bek en hun kleine hartje, ja, ik zeg het gewoon zoals het is – en Jezus, Willem: jij was anders. Ze hebben je klein gehouden, zo lang als het ze lukte, en nog verdedig je ze. Wat betekent dat je je nog steeds klein voelt.

Hoeveel mensen lopen er rond in die kleine milieus in Amsterdam, Rotterdam, Geldermalsen, noem maar op, die zich diep in hun kleine hartje kleingehouden voelen omdat ze klein moesten blijven van huis uit en daar boos om zijn? Ik mocht me niet aanstellen, denken die kleingehouden mensen, dus jij ook niet, jij met je VWO, en jij met je studeren, en jij met je arbeidsdiscriminatie wegens een rare naam, en jij met je boeken schrijven, en jij met je studeren, en jij met je vluchten uit een land dat kapot wordt gebombardeerd.

Willem van Oostvoorn zegt in zijn stuk: “wat ik niet doe, is jammeren over hoe oneerlijk het allemaal is geweest dat ik vanwege mijn afkomst, sociale status en accent allemaal kansen niet heb gekregen die de jongens en meisjes uit Zuid, Bussum en Aerdenhout allemaal wel kregen.” Wat jij doet is precies dat, Willem, jammeren op de manier zoals het jou is aangeleerd, door te koketteren met jouw gewoonheid, door te zeggen dat anderen zich aanstellen.

Mensen hebben het moeilijk, en het wordt niet minder moeilijk als ze in een keurslijf van doe maar gewoon moeten passen. Want als je goed oplet, Willem, hoor je dat die mensen van jou die niet jammeren over hoe moeilijk zij het hebben, wél jammeren over anderen van wie ze vinden dat het aanstellers zijn (omdat ze zo nodig een baan of een huis willen, zich gediscrimineerd voelen om hun huidskleur of Arabische naam, gebombardeerd worden en ‘geluk zoeken’, ik noem maar een paar dingetjes).

Als je het moeilijk hebt in de maatschappij, heb je er niks aan om te horen dat je je niet moet aanstellen. Die kleine hartjes van de gewone mensen, die mogen best eens wat ruimer worden en mensen die anders zijn toelaten. Te beginnen bij mensen uit hun eigen kringen die afwijken, omdat ze bijvoorbeeld een gymnasium-advies krijgen.

Geen reacties | Link | 22 december 2016 | Categorie:

Geweld tegen vrouwen

In de boeken die ik schrijf, komt nogal wat huiselijk geweld voor. Ik laat mannen vrouwen in elkaar slaan – dat kan je wel een themaatje noemen bij mij. Ik heb er ooit voor gekozen open te zijn over het waarom van dat thema, waar dat vandaan komt bij mij.

Mijn moeder heeft een tijdje een vriend gehad die haar regelmatig in elkaar sloeg. Ik was toen een beginnende puber, en ik heb daar wel wat aan overgehouden, trauma-gewijs, zeg maar. En je weet hoe dat gaat met mensen die boeken schrijven: die schrijven er dan boeken over.

En ik heb er nog iets anders aan overgehouden: de absolute zekerheid dat ik zelf nooit een vrouw zal slaan, of een ander soort geweld zal gebruiken tegen een vrouw. Dat zit in mijn wezen ingebakken. Maar ik had dat verleden helemaal niet hoeven hebben: ik vind het volledig vanzelfsprekend dat je met je poten van vrouwen afblijft.

Dat is niet voor iedereen zo, helaas. Daarom heeft de organisatie van de White Ribbon-campagne een paar mannen gevraagd ambassadeur te worden voor ‘de zaak’, dus ik ben bij deze aan het ambassaderen:

Ik zal nooit geweld gebruiken tegen vrouwen, het nooit goedpraten en het nooit negeren. 

Iedere man kan dat statement afleggen op de website van White Ribbon: daarmagjenooitvoorkiezen.nl.

En denk niet dat het niet nodig is; RTL plaatste bijvoorbeeld een bericht met de titel ‘Kwart Europeanen vindt seks bij een nee toch oké’ — en normale mensen noemen dat dan verkrachting. Erger dan verkrachting kan geweld niet worden.

Laten we normale mensen zijn en geen geweld gebruiken. Als je geweld nodig hebt, in welke vorm dan ook, is er iets mis met jou. Dat zeg ik niet om je aan te vallen, maar om je er bewust van te maken. Ga er iets aan doen.

nooitvoorkiezen

Geen reacties | Link | 25 november 2016 | Categorie:

Een lofzang op mijn Crocs

Ik heb Crocs met voering. Wintercrocs, dus. Ik had al gewone Crocs, en daar was ik al blij mee, maar ik ga nu de winter in Heesselt wel doorkomen, zo.
Crocs zijn belachelijk als je ze in de stad hebt — dat is hetzelfde als een in enorme SUV rondrijden als je in Amsterdam Zuid woont. Maar hier, hier kan het.

Als je een erf hebt, loop je regelmatig van binnen naar buiten. Ik zeg nu ‘erf’ om jou nog een extra buitengevoel te geven, die vandenb en zijn vrouw hebben een erf, zozo, die wonen echt buiten, zeg, maar we hebben een tuin. Hoewel het wel zo is dat de containers voor het gescheiden afval echt op ons erf staan; niet in de afgesloten tuin, maar achter het huis, op een stukje dat binnen de erfgrens valt, dus ik denk dat ik het woord ‘erf’ hier legaal gebruik.

Dus: als je een erf hebt, loop je regelmatig van binnen naar buiten, bijvoorbeeld om je gescheiden afval gescheiden weg te gooien. Je hebt dan iets aan je voeten nodig waar je makkelijk in en uit stapt, en waar je zowel binnen als buiten mee kan lopen, zonder dat het direct schoenen zijn. De hele dag je schoenen aan, dat wil je niet. En de dingen waar je in uit stapt, wil je bijvoorbeeld ook makkelijk af kunnen spoelen, omdat je altijd ergens in kunt stappen.

Crocs dus. Crocs zijn de klompen van vandaag.
Een maand of vier geleden had je me niet aan het verstand kunnen brengen dat ik ooit zoiets zou zeggen: Crocs zijn de klompen van vandaag. Ten eerste zou ik de ‘klompen van vandaag’ niet nodig hebben gehad, net zomin als ik een SUV nodig had, en ten tweede zou ik me schamen voor het feit dat ik Crocs zou hebben. Een zinnig mens draagt geen Crocs, zou ik gezegd hebben.
Maar nu weet ik wel beter.
Crocs. Je kan niet zonder. Als je van jezelf vindt dat je een erf hebt, tenminste.

Geen reacties | Link | 6 november 2016 | Categorie:

Ik wist niet meer wat ik over Paulien Cornelisse wilde vertellen

Een paar weken geleden moest ik voorlezen op twee scholen in Oss. Ik was geboekt door de plaatselijke bibliotheek, die haalden ieder jaar een keer of wat een schrijver naar Oss die ze dan voor de VWO-klassen van twee verschillende scholen neerzetten. Ik werd opgehaald bij het station door een aardige mevrouw, en in de auto roddelden we wat over de schrijvers die ze eerder had rondgereden.

Ik was nerveus, want ik had maar één keer eerder voor scholieren gestaan, en dat was dan nog voor scholieren die zich vrijwillig hadden opgegeven voor een literatuurkamp — nu ging het om gedwongen zitten en luisteren. En toen ik eenmaal de zaal binnenkwam waar het ging gebeuren, was het écht eng, want er bleken vier klassen bij elkaar gezet te zijn. Honderd paar ogen die zitten en stil moeten zijn, dat is een potentieel vat buskruit.

Ik haalde diep adem, pakte mijn aantekeningen erbij, en hakkelde me de eerste vijf minuten door. Er was gevraagd of ik iets over het vak wilde vertellen, dus ik had steekwoorden opgeschreven. Een kleine greep uit die steekwoorden:

– uitgever nodig – waarom?
– mijn moeder zou denken: tik veel woorden en hup naar de winkel
– heb je nog uitgevers nodig in de toekomst?
– Paulien Cornelisse
– vooralsnog: kwaliteitsstempel

Ik wist niet meer wat ik over Paulien Cornelisse wilde vertellen. Geen flauw idee.
Ik hakkelde me naar de steekwoorden aan het eind van de lijst:

– mijn thema: onvermogen
– over vroeger vertellen, Erik —> mijn moeder
– Voorlezen

Ik ging over vroeger vertellen, zoals mijn steekwoorden me instrueerden, en ik zei erbij: ik ga nu iets heel persoonlijks vertellen. En toen had ik ze.
Het was sowieso een goeie groep, hoor, ze waren in de eerste fase van mijn gehakkel heel beleefd aan het luisteren, maar toen ik het draaiboek losliet en ik, nou ja, ik zeg het gewoon, mezelf was, verdulleme, dat werkte.

Aan het einde van mijn verhaal (ik las nog voor uit Van dode mannen win je niet omdat dat zo lekker voorleest) kreeg ik nog een paar heel goeie vragen van zes of zeven leerlingen die die vragen van tevoren hadden verzameld, en dat werkte ook heel goed; via die vertegenwoordiging kreeg ik contact met alle leerlingen.

Toen we klaar waren, zei ik dat ik een heel toffe/gave/vette/lauwe uitgever heb en dat als iemand Schuld wilde hebben, ze dat moesten melden aan de docente van dienst, en dat ik dan gratis exemplaren zou regelen. Dat was heel dapper om te zeggen, maar ik ging ervan uit dat het om een stuk of zes boeken zou gaan.

Hup, door naar de volgende school. In de auto wist ik weer wat ik over Paulien Cornelisse wilde zeggen: dat zij als enige van Nederland geen uitgever meer nodig had. Maar wat zou dat die kinderen in godsnaam interesseren?

Bij die volgende school had ik weer zo’n grote groep, en ik liet mijn aantekeningen meteen helemaal achterwege — ik vertelde dat persoonlijke verhaal gewoon. En daarna weer: als je een boek wilt hebben, laat het weten. Wie weet, nog zes of zeven boeken, moet kunnen.

Deze week kreeg ik mail van die twee docenten uit Oss. De eerste mailde:

Het duurde even om bij alle klassen te inventariseren, maar we zijn eruit. In totaal willen 65 leerlingen van ons Schuld lezen.

En de tweede docent mailde:

De animo voor jouw aanbod is dermate groot, dat ik niet denk dat jouw uitgeverij daaraan kan/wil voldoen: 67 leerlingen willen graag een exemplaar van Schuld, 40 leerlingen een exemplaar van Van dode mannen win je niet.

132 lezers voor Schuld.
Linde, een van de heldinnen van mijn uitgever mailde terug: komt goed, 132 boeken naar Oss.

Zo tof/gaaf/vet/lauw is mijn uitgever dus 1.

En zo tof is het dus om voor te lezen op een middelbare school. Of zo vet/lauw/gaaf/etc kan het zijn, als je maar gewoon doet wat je het beste kunt: vertellen waarom je bent gaan schrijven. Zonder uit te willen leggen waarom Paulien Cornelisse geen uitgever meer nodig heeft.

Geen reacties | Link | 22 oktober 2016 | Categorie:

Dode mannen, de ‘trilogie’

Omdat Das Mag de leukste uitgever van Nederland is, hebben ze mijn eerste drie boeken van de Bezige Bij overgenomen. Volgende week komt er een bundel uit, met daarin De hondenkoning (2004), West (2007) en Van dode mannen win je niet (2014).

 

We hebben de bundel een ‘trilogie’ genoemd omdat omnibus een beetje oubollig klinkt, en omdat er wel degelijk samenhang in die boeken zit: er lopen een aantal personages rond die overlappend voorkomen, natuurlijk speelt het allemaal in Nieuw-West, en zo zijn er nog wel wat dingen te bedenken.

Ik ben er in ieder geval heel blij mee. Ik zit bij een uitgever die me waardeert, én mensen die me pas sinds Schuld kennen, kunnen nu die oude boeken lezen.

Fans van Zingende Ron: in West staat een lekker treurig lang verhaal met je lievelingsheld.

Geen reacties | Link | 21 oktober 2016 | Categorie:

Ik ben geen Amsterdammer meer

Ik heb een verrekijker gekocht, en de ANWB Vogelalmanak. Er zitten flink wat buizerds in de uiterwaarden, en die herken ik nu makkelijk, vooral omdat er in de almanak letterlijk staat dat buizerds graag op paaltjes zitten. Zie je een flinke vogel op een paaltje, dan is het een buizerd.
Van de week dacht ik een paartje visarenden te zien, maar dat weet ik nu niet zeker meer. Misschien waren het wat actievere buizerds. Het lastige van de almanak: hij is zwaar, dus hij blijft thuis.

Mijn vrouw en ik hadden het van de week over onze oude woning in Amsterdam, over het blok waar we zaten, met de schreeuwende buurvrouw die de hele binnentuin op zondagochtend voor ‘kankerlijeeeeers’ uitmaakte, haar zoon met de vier pitbulls, de mannen onder ons die ons kakkerlakken cadeau hadden gedaan — nou ja, voorheen de mensen die ons het leven zuur maakten, nu het kader waarin we ons geluk kunnen plaatsen.

We vonden het een gek idee dat daar nog steeds alles hetzelfde was, met onze afwezigheid als enige verschil. Het leven daar ging door, voor die mensen, het is een nog steeds bestaande werkelijkheid, maar onze werkelijkheid is in dit dorp, waar ik dit stukje tik in de mooie werkkamer van ons mooie huis, een huis dat geen huizen eraan vastgeplakt heeft; we kunnen er een rondje omheen lopen als we willen. Misschien ga ik dat zo nog maar eens doen.

Zo’n boerderijtje kopen — het is natuurlijk een kwestie van geld, kan het, zullen we het doen, maar het is ook een kwestie van kiezen, van het maken van die keuze. Zullen we er nog jaren van dromen, luisterend naar het gekankerlijer van de buurvrouw, of zullen we het doen, het onszelf gunnen, en zo kiezen voor geluk? In plaats van wachten tot je je gelukkiger voelt en er een bijpassende plek bij zoeken.

Ik ben geen Amsterdammer meer. En dat is goed.

We pakken straks ons autootje en dan rijden we over de Waalbandijk, met links en rechts weilanden, dijkhuisjes, boerderijen, en we gaan boodschappen doen in een stadje in de buurt. En we gaan de hele dag gelukkig zijn.

Geen reacties | Link | 1 oktober 2016 | Categorie:

Achter de dijk

We zijn verhuisd naar de Betuwe. We woonden op één van de drukste kruispunten in Amsterdam en sinds twee weken wonen we in een vrijstaand huisje in een dorpje waar volgens wikipedia 400 mensen wonen, en volgens Google Maps 200. Die meningen verschillen, maar het is er hoe dan ook heel erg stil, en we vinden het geweldig.

Het huis is prachtig, een kleine boerderij uit 1920 die mensen dingen laat zeggen als ‘het is net een sprookje’, twee keer zo groot als de woning die we hadden in Amsterdam, pas opgeknapt door de vorige bewoners, een fijne tuin, en het ligt tussen andere mooie huizen waar leuke mensen wonen – we hebben al bij onze buren tot laat in de avond wijn zitten drinken.

Het dorp ligt achter de Waalbandijk, en als je over de dijk bent, kom je in de uiterwaarden van de Waal, en daar kun je heel lang lopen zonder mensen tegen te komen. Wat je wel tegenkomt: ooievaars (in groepen van acht, negen, tien), buizerds, zwaluwen, konijnen, vosjes (die hebben we nog niet gezien maar ze zijn er).

Het kwam door de hond, min of meer. We kregen een pup in Amsterdam, Willem, en die socialiseerden we, en dat werkte, hij vond alles in de stad leuk en interessant, tot ie alles eng begon te vinden. En toen we door zijn ogen naar de stad keken, zagen we wat hij zag, het verkeer dat steeds vervelender werd, de drukte, en we werden er ongelukkig van, en we wilden weg.

Er waren meer redenen waarom we weg wilden; in het blok waar we woonden kwamen langzaam steeds meer studenten, die tot laat in de avond wijn zaten te drinken op balkons en in tuinen, en ik gun dat iedereen, want het is leuk, maar het is niet leuk als de binnentuin van je blok een echoschaal is waar ieder gesprek door de openstaande ramen van onze slaapkamer binnenkomt. En het is ook niet leuk als de oorspronkelijke bewoners (gezellige Amsterdammers) daar dan tegen protesteren door hard André Hazes te draaien of op zondagochtend zeven uur ‘kankerlijeeeeers ’s avonds een vent ’s ochtends ook een vent’ te schreeuwen.

Voor de verhuizing moesten we een nieuwe koelkast en wasmachine kopen omdat we in onze Amsterdamse woning kakkerlakken hadden gevonden, omhoog gekropen bij de buren vandaan, en de bestrijder raadde ons aan nieuw witgoed te kopen omdat we die beesten anders waarschijnlijk mee zouden nemen.

Nee – het was niet leuk meer in Amsterdam.

We kwamen op een feestje iemand tegen die vertelde hoe het was om in het midden van niets te wonen. We vroegen: maar je ziet toch niemand meer? En ze antwoordde: juist wel, als jij op een heel fijne plek woont, komen je vrienden daar graag naartoe.
Na dat feestje kwamen we thuis, en Robin ging meteen op Funda kijken, en daar kwam ze het huis tegen dat nu ons huis is.

Stel je voor dat, zeiden we tegen elkaar.
En het ons voorstellen hoeft niet meer, want we hebben het gekocht.

Het huis kopen was nog een heel avontuur, omdat ik ZZP’er ben, en hoe hard banken ook reclame maken over hypotheken voor ZZP’ers, een reclamecampagne bedenken is altijd nog wat anders dan de cultuur van een bank omgooien, maar ach, dat is ook gelukt, en we hebben het huis, en we zijn er verdomd gelukkig mee.

We moesten er een auto bij kopen, want het enige OV dat het dorpje aandoet is de belbus, en soms zien we ‘m rijden, het busje waar zes mensen inpassen, en het hoort allemaal bij de charmes. De andere openbare voorziening in het dorp is de brievenbus.

We zijn er heel gelukkig, in ons huisje achter de dijk.

En de hond, jongens, wat is die hond gelukkig. Voorheen tilden we ‘m van drie hoog naar beneden, twintig kilo aan ongedurige Friese Stabij, nu doen we het tuinhekje open en lopen we tien meter tot aan de dijk, we gaan de dijk over en hij kan los, en in die tien meter zijn er nooit auto’s, scooters, andere stressmomenten.

We wonen er nu bijna drie weken, alles is ingericht, we zijn in een ritme aan het komen. Het is nog een beetje uitzoeken hoe het leven werkt daar, ik moet met de auto naar het station om naar mijn werk te kunnen (helemaal met de auto zou filerijden worden, en dan lees ik liever in de trein), en hoe zien de dagen eruit dat Robin de auto nodig gaat hebben, hoe regelen we dat – maar dat is allemaal niet erg, want het is rust, alles is rust.

Na het werk kom ik aan met de trein op het station van een nabijgelegen stadje, daar staat de auto, en ik stap in de auto en rij rustig naar de stilte, en op het laatste stuk rij ik over de dijk, en ik zie de koeien in de uiterwaarden staan, en ik rij naar ons huisje, ons geluk achter de dijk.

Geen reacties | Link | 18 augustus 2016 | Categorie:

Gratis af te halen

Zondag stapten we in de auto omdat we nog naar Amsterdam moesten – de oude huurwoning moest leeg worden opgeleverd, en de vloeren moesten er nog uit. We hadden het laminaat op Marktplaats gezet, gratis af te halen, maar alleen op die en die zondag, en als je zelf meehelpt met eruit halen.

We hadden er geen zin in, want we wilden verder in ons nieuwe huis, daar was nog genoeg te doen, we wilden niets meer met die oude woning op die overvolle kruising te maken hebben.

We hadden een paar dagen geleden bij een van de buren in de tuin gezeten, en die hadden gezegd dat het inderdaad heel stil was hier, alleen de weekends, dan hoor je de motoren over de dijk rijden, maar we waren het laatste jaar de motoren gewend die vanuit Nieuw-West de kruising opkwamen, motoren van jongens die een jaar daarvoor nog op scootertjes hadden gereden, en nu op machines reden die ze hadden uitgezocht op het lawaai dat ze konden maken.

We luisterden naar de buurman en glimlachten, en toen we het weekend in ons nieuwe huis achter de dijk meemaakten, hoorden we niets, niets, niets.

We zaten mokkend in de auto, we wilden niet weg, maar het moest. we reden over de dijk, en de boerenzwaluwen scheerden speels langs het voorruit, met tientallen tegelijk, en de koeien graasden rustig in de uiterwaarden, en we zagen een buizerd op een paaltje zitten, en we bedachten dat we een paar uur later weer de A2 af zouden rijden, naar beneden, naar onze rivier, en dat we die avond gewoon weer terug zouden zijn.

Geen reacties | Link | 11 augustus 2016 | Categorie:

Het proces (1): mijn thema

Als ik een verhaal of een roman schrijf, is mijn vertrekpunt vaak (misschien wel altijd) Het Decor, en de mensen die rondlopen in dat decor. Daarom denk ik nog steeds niet dat er ooit een politieagent in een van mijn boeken voor gaat komen. Ik heb ondertussen genoeg scenes geschreven waar een agent bij had gekund, maar ik heb ze altijd weggelaten, omdat ze niet in mijn geschreven universumpje passen. Natuurlijk zijn ze er, want mijn personages hebben met De Wet te maken, maar ik voer geen politieagenten op.

Nederlandse politieagenten hebben iets lulligs (sorry voor alle agenten die dit lezen), en dat komt niet door de agenten, maar door het decor, door de context. Iemand mailde me dat er ‘niets lulligs is aan het maandenlang tracken en verzamelen van bewijs van een grote crimineel’, en daar is inderdaad niets lulligs aan, maar de rechercheur die overdag onderzoek doet naar die crimineel, gaat ’s avonds naar zijn eengezinswoning, en die woning, die je nergens ziet als ik dat niet wil — die mag er helemaal niet zijn bij mij, ook niet in het achterhoofd van de lezer.

Of een ander voorbeeld: stel je voor dat je iemand met een enorme hanekam ziet lopen, heel oldskool punk, en je bent echt onder de indruk, want die hanekam conformeert zich nergens aan, dat is heel erg duidelijk. Maar dan zie je die hanekam een Albert Heijn inlopen omdat ie wel boodschappen moet hebben.

Ik denk dat ik wil dat de toeschouwers van het toneelstuk dat ik neerzet in mijn boek niet gaan denken aan de acteurs die een beetje achter het decor whatsappen tot ze weer op moeten; de acteurs blijven in hun rol, altijd, ook als ze buiten beeld zijn, en die hanekam past bij mij niet in de Albert Heijn, en geen enkel personage uit mijn universumpje past in een eengezinswoning, dus ik zorg dat die mogelijkheid er niet is.

Best vermoeiend.

Nu ik een beetje nadenk over mijn vijfde roman, probeer ik dat anders aan te pakken, omdat het altijd goed is te zoeken naar vernieuwing, denk ik, maar ik heb het er moeilijk mee. Ik weet steeds beter wat ik de wereld duidelijk wil maken, dus ik zou dát mijn vertrekpunt kunnen laten zijn: mijn thema, zoals dat heet.

Ik heb ooit een leraar Nederlands gehad die zei dat je altijd een thema moest bedenken voor je een stuk ging schrijven. Ik bestreed dat, want ik was al naarstig aan het schrijven, en ik had nooit een thema bedacht voor ik een verhaal in een schriftje hanepootte. De opstellen die ik voor die leraar schreef, kregen ook altijd mooie cijfers, en ik zat nooit in de klas voor me uit te staren omdat het thema maar niet wilde komen voor ik met mijn opstel begon.

Maar ja: nu weet ik wat mijn thema is.

Ik heb de laatste tijd een serietje interviews gegeven, want zo gaat dat, met een nieuw boek, en ik vind interviews geven heel erg leuk en vooral heel erg nuttig. Leuk omdat het mijn ego streelt, geef ik gewoon toe, en nuttig omdat het je dwingt na te denken over wat je hebt gemaakt, en waarom. Als ik er voor mezelf over nadenk, blijft het vaag, maar een interviewer wacht op een duidelijk antwoord, dus hup, formuleren, kreng. Daarom heb ik steeds beter onder woorden kunnen krijgen wat mijn thema is.

Vorige week had ik een interview met Lezen TV (binnenkort online), en Peter Gielissen, die in zijn eentje Lezen TV maakt, hielp me met het laatste duwtje.
Mijn thema is: onvermogen.

Ik heb het interview nog niet teruggezien terwijl ik dit schrijf, en het kan heel goed zijn dat Peter het gewoon voor me verwoord heeft. Maar dat maakt niet uit. Ik denk dat dat één van de redenen is waarom schrijvers schrijven: ze vragen de wereld te helpen bij hun zelfonderzoek (wat schrijven altijd is).

Onvermogen dus. Het menselijk tekort, zei Peter ook, maar ik geloof dat ik daarop antwoordde: ik weet niet precies wat dat inhoudt. Laten we het bij onvermogen houden.

Ik heb vorige week een bestand aangemaakt in Scrivener, mijn schrijfprogramma, ik heb het boek5.scriv genoemd, en ik heb er een paar avonden naar zitten staren. Een leeg, wit vel, waarin ik uiteindelijk een paar woorden heb getikt: welk lettertype staat er nu ingesteld?
Dus al die verse kennis is niet per se inspirerend.

Maar gisteren heb ik bij het afwassen het nadenken aangezet, en ik denk dat ik een idee heb gekregen waar ik iets mee kan. Het gaat inderdaad over onvermogen, maar het zou zomaar kunnen zijn dat iedere roman van iedere schrijver over onvermogen gaat.
Overigens leert de ervaring dat mijn ideeën drie tot vier keer rigoureus een andere kant opgaan voor ze een echt verhaal worden, dus ik weet nog niet of dit Het Idee is, of een idee.

In ieder geval: ik ben begonnen aan mijn vijfde boek.

Geen reacties | Link | 5 april 2016 | Categorie:

Miskenning

Bij schrijvers zit jezelf miskend voelen hoog in de top 10 van beroepsziekten. Ik heb er zelf bij vlagen last van, als een chronische aandoening die af en toe de kop opsteekt. Het feit dat je schrijver wilde worden heeft ongetwijfeld te maken met dat miskend voelen; waarom zou je anders een boek vol kunnen tikken en verwachten dat mensen de moeite nemen dat boek helemaal te lezen? Misschien zodat je na het tikken van dat boek kan zeggen: zie je, ze lezen het niet. Of: ze lezen het wel, maar ze begrijpen me niet.

Ik bivakkeerde tot een paar weken geleden nog regelmatig in het zaaltje met bedden waar de ze-lezen-het-nieters af en toe bij moeten komen, maar sinds mijn laatste roman bij De Wereld Draait Door boek van de maand werd, heb ik mijn lidmaatschap op dat zaaltje opgezegd en ik verplaats me nu alleen nog maar, zo heel nu en dan, naar het zaaltje met ze-begrijpen-me-nieters. Meestal ben ik overigens blakend van erkendheid, nu.

Grenzeloze fantasie

Anne Eekhout is een echte schrijver, want ze voelt zich ook miskend. Ze zegt in NRC Handelsblad dat ze de pech heeft dat ze niet autobiografisch schrijft en daardoor niet interessant is voor bepaalde media (DWDD) die boeken een verkoopsucces maken. Ze zegt dat ze juist om haar grenzeloze fantasie aandacht zou moeten krijgen van tv-programma’s.

Ik heb mezelf ook eens zo miskend gevoeld, omdat mijn vorige roman goede besprekingen kreeg, maar opvallend vaak met de aantekening dat de recensent het boek aanvankelijk had laten liggen omdat de achterflap kon doen vermoeden dat ik een autobiografisch gegeven had gebruikt om mijn verhaal te schrijven. Ik was daar behoorlijk pissig over, goeie recensies of niet.

Ik had dus de tegenovergestelde ervaring van Anne Eekhout, en ik tikte er ook opiniestukken over (die niet geplaatst werden; hallo miskenning, mijn oude vriend), maar in al dat soort stukken gongt de persoonlijke pijn door. Lees mij, ik word niet gelezen.

“Pure fictie”

Eekhout geeft een opsomming van wat er bijzonder is aan ‘pure fictie’, zoals zij het noemt, de volledig verzonnen roman, en waarom die verzonnen roman meer aandacht zou moeten krijgen (bij DWDD, bijvoorbeeld, of bij een nog niet bestaand tv-programma waarvan ze het format schetst).

Maar die verzonnen roman krijgt die aandacht al. Mijn eigen boek van de maand: ik heb ‘m helemaal verzonnen. Elke gebeurtenis in die roman heb ik gefantaseerd. Net als een heleboel eerdere boeken van de maand ‘pure fictie’ zijn: Godin, Held van Gustaaf Peek bijvoorbeeld, of De onderwaterzwemmer van Thomese.

Het thema

Maar het thema dat in mijn laatste boek zit, is vergelijkbaar met dat in mijn vorige romans, die wel autobiografisch geïnspireerd waren. En ik ben er vrij zeker van dat Eekhouts thema in haar eerste en tweede boek vergelijkbaar is, zelfs als ze nu zal zeggen dat het niet zo is. Net zoals Gustaaf Peek in zijn heel erg uiteenlopende romans (qua onderwerp) steeds over hetzelfde schrijft.

Schrijvers gaan niet zomaar schrijven, namelijk. Ze denken misschien dat ze schrijven ontdekken doordat het ze lukt op een leuke manier woorden achter elkaar te zetten, en hup, laat ik dan maar een boek schrijven, maar er zit een waarde in die woorden, een waarheid die geldt voor de schrijver, en die waarheid moet uitgedragen worden — dat is schrijven.

Beproevingen

“Je hoeft geen beproevingen te hebben doorstaan om een heel goede schrijver te zijn, maar het maakt je wel heel wat makkelijker te promoten,” schrijft Anne Eekhout.

Als Anne van zichzelf vindt dat ze een heel goede schrijver is, dan wil ik dat graag geloven; haar palmares bewijzen het. Maar als ze van zichzelf vindt dat ze geen beproevingen heeft doorstaan, dan geloof ik alleen dat zij dat gelooft, maar ik geloof het niet. Ieder mens doorstaat beproevingen. Hoe dan ook. Klein en groot, en al die beproevingen, hoe klein ook, hoe groot ook, hebben een uitwerking. Een van de mogelijke uitwerkingen: de noodzaak (daar is ie) tot schrijven.

En dat daar dan ‘pure fictie’ uitkomt of een verhaal met autobiografische elementen: dat doet er niet toe. Alle literatuur zegt iets over de schrijver, dus alle literatuur is autobiografisch. Anne Eekhout gaat op een gegeven moment zien waar ze altijd over schrijft, en ze gaat op een gegeven moment zien waar dat vandaan komt. Net zoals dat het geval is bij de schrijvers die ze als voorbeelden geeft, Joost de Vries, Jamal Ouariachi en Wytske Versteeg.

Een bestseller werd gemaakt

Dat ze niet te promoten zou zijn door haar vermeende gebrek aan beproevingen: dat is ook niet waar. Ik kan me een aflevering herinneren van DWDD (altijd weer dat DWDD!) waarin een paar mensen bij elkaar zaten om te vertellen waarom ze Bonita Avenue van Peter Buwalda zo goed vonden. Je zag wat daar gebeurde: er werd een bestseller gemaakt, maar het ging alleen over het boek, en het is een succes geworden zonder dat het één keer over de schrijver of zijn beproevingen ging.

Anne Eekhout hoeft niet boos te zijn om vermeende gewoonte van tv-programma’s alleen aandacht te besteden aan schrijvers met een verleden van “drugs, verslaving, of een rare familie die je heeft verneukt,” zoals zij het stelt. Er is wel degelijk aandacht voor de pure fictie.

En ja, er zitten vaker mensen bij zo’n programma die iets over hun rottige verleden te vertellen hebben dan mensen die aan die pure fictie doen, maar er zitten ook vaker mensen die een kookboek schrijven bij zo’n programma. Dat is de aard van het programma, niet de manier waarop de wereld naar literatuur kijkt.

En nee, een maand geleden had ik dit misschien niet zo gezegd. Maar erkenning schept helderheid, net zoals miskenning voor vertroebeling zorgt.

Schrijf door, voel je miskend, al dan niet terecht, maar schrijf vooral door, ontdek waar je over schrijft, verbaas je over het autobiografische ervan, schrijf een nog beter boek, en word genoemd op tv, of niet, maar schrijf door. Het zit in je, en het moet eruit, dus uiteindelijk doen we allemaal hetzelfde.

Geen reacties | Link | 23 maart 2016 | Categorie:

Tree of Smoke – Denis Johnson

Ik heb me ooit voorgenomen alles wat ik lees hier te bespreken of in ieder geval te noemen, maar natuurlijk hou ik me niet aan dat voornemen, want druk/geen zin/etc. Mijn voornemen wordt ook af en toe flink in den wielen gereden door een boek waar ik zo lang mee bezig ben dat ik na het lezen het overzicht niet meer heb. Wat heb ik nou eigenlijk in godsnaam gelezen?

Misschien is dat een tactiek van de schrijver: maak je boek zo ondoorgrondelijk en dik tegelijk, dat de lezer stunned achterblijft. Tree of Smoke van Denis Johnson is zo’n motherfucker. Ik denk dat ik twee ruime maanden heb gedaan om de 702 pagina’s weg te werken, en naderhand heb ik een paar recensies opgezocht om te kijken of iemand me kon helpen met een beetje duiding.

In één van die recensies las ik zo ongeveer: ik heb ook geen idee waar het over gaat, maar wat een fantastisch boek!

Ja, nou ja, dat begreep ik, maar ik had er niets aan.

Van de week sloeg ik het dus dicht, na die maandenlange worsteling, en mijn verzuchting lag dicht bij de inhoud van die recensie.

Geen reacties | Link | 23 maart 2016 | Categorie:

“Deel dit bericht en…”

Een vriendin stuurde een screenshot van een whatsapp-gesprek dat ze op een ochtend had met een collega. De collega had een foto gemaakt van haar exemplaar van Schuld, en dit gesprek volgde erop:

IMG_3824

En daar het vervolg op, in de avond:

IMG_3825

Ik kan u vertellen: dat is geweldig om mee te maken. Mensen die je boek oprecht goed vinden, en dat graag willen delen, man, dat is groots. Dan kun je nog honderd winacties bedenken (“deel dit bericht en maak kans op” — we proberen het zelf ook hoor, want wie weet bereik je er weer wat lezers mee), maar enthousiaste lezers die andere mensen laten weten hoe goed ze het vinden… Dat boek leeft, buiten mij om, buiten de uitgever om, en dat is magisch. Zulke lezers zijn geweldig. 

Geen reacties | Link | 19 maart 2016 | Categorie:

Gelezen worden en dan op het boekenbal zijn

Mijn eerste keer boekenbal was nog voor ik debuteerde; ik was mee als de +1 van Niels ’t Hooft, die toen net zijn eerste boek uit had. We liepen er rond met de verwondering van kleine jongetjes, en we vonden het geweldig. Niels was al schrijver, en ik zou het snel worden, en we waren er tussen soortgenoten. Ik wilde toen meer schrijver zijn dan dat ik wilde schrijven, en de volgende keren dat ik er rondliep, wás ik schrijver, of althans: ik had een boek geschreven, en toen twee, en toen drie.

En ik werd ook begroet als Schrijver (de hoofdletter is opzettelijk pompeus): mensen kenden me, feliciteerden me met de mooie recensies van mijn nieuwe boek, en ik voelde me er thuis, potdorie. En als ik dan een stukje over het bal schreef op mijn weblog, noemde ik lekker veel namen, met een knipoog naar clichématige society-verslaggeving, maar die knipoog was dan om te verbergen dat ik het heel erg stoer vond dat ik bij die mensen hoorde.

Op het boekenbal 2016 (we zijn nog een beetje aan het bijkomen) was er iets veranderd voor me: mensen feliciteerden me in de eerste plaats omdat Schuld boek van de maand bij DWDD was geworden, maar ze zeiden ook dat ze het mooi hadden gevonden, en ze noemden de recensies niet meer — ze hadden mijn boek daadwerkelijk gelezen.

Op een boekenbal lopen zo’n honderd schrijvers rond, en dan zijn er nog een paar honderd die geen kaartje hebben gekregen of gewoon liever niet gaan, en dat geeft een beetje aan hoeveel boeken er in Nederland uitkomen. Dat kan een normaal mens met geen mogelijkheid allemaal lezen, maar meer nog dan dat: een normaal mens wil dat ook helemaal niet. Lezers maken een schifting: dit lees ik, dit lees ik niet. Schuld bleek bij de meeste mensen op de dit-lees-ikstapel te hebben gelezen.

Gelezen worden voelt fijn, kan ik u vertellen.

Waarom een schrijver schrijft en gelezen worden, dat is ingewikkelde materie, en ik denk daar vaker over na. Blij zijn met gelezen worden kan vast mal overkomen, of arrogant, of te gretig, maar ik ga dat later allemaal nog eens goed onderzoeken, en voor nu accepteer ik even dat ik er blij van word. Een schrijver schrijft voor zichzelf, maar als ie niet gelezen wil worden, hoeft ie ook niet bij een uitgever aan te kloppen, en dat heb ik wel gedaan, dus, etcetera.

De anecdote: mijn echtgenote en ik stonden in het roezemoezende feestgedruis van de hoofdstedelijke Stadsschouwburg met ROMAN HELINSKI te praten, toen er twee dames langsliepen waarvan de eerste naar mij wees en zei: “dat is Walter van den Berg, schrijver van het Boek van de Maand!” Dat viel de schrandere schrijver van BLOEMKOOL UIT TSJERNOBYL ook op, en hij zei: “weet je wat er net gebeurde? Je werd herkend!” Ik zei daarop dat de avond compleet was voor mij, en dat wij dus wel naar huis konden.
Maar we voegden de daad nog niet bij het woord. Wij gingen nog een stevig mopje dansen.

Uit marketingtechnisch oogpunt zeg ik graag nog eens heel hard dat Schuld Boek van de Maand is geworden bij De Wereld Draait Door en dat uw boekwinkel ‘m op voorraad heeft. 

 

Geen reacties | Link | 12 maart 2016 | Categorie:

Boek van de maand worden en hoe dat precies voelt

Het ging ongeveer zo: ik was alleen thuis. Mijn vrouw was op haar avondopleiding, de hond was uit logeren. Ik zat te tikken aan een project, en om tien over zeven dacht ik: ik zal de tv eens aanzetten, want straks is het boekenpanel bij DWDD.

Stel je voor dat

Dit klinkt meteen veel nonchalanter dan ik de hele maand februari was, want er spookte een voortdurende gedachte in mijn hoofd: stel je voor dat. Die gedachte deelde ik af en toe met mijn vrouw, op een lacherige manier, en met mijn uitgever, en bij mijn uitgever ging het dan van: heeft een lid van het boekenpanel al buitensporig veel exemplaren ingekocht voor zijn of haar boekhandel?

Maar deze dinsdag was ik die gedachte een beetje vergeten, omdat, voor zover wij wisten, geen enkel lid buitensporig veel, etc. Dus ik tikte door aan mijn project tot ik de tv aanzette. Toen ik Matthijs van Nieuwkerk het panel hoorde aankondigen, keek ik weer op, en op onze blurry tv dacht ik mijn boek te zien liggen, en ik hapte dus een beetje naar adem, en ik sms’te mijn vrouw:

IK LIG OP TAFEL

En daarna: ‘en ik geloof dat ik boek van de maand ben’. Omdat ik bovenop lag bij Matthijs, en ik dacht mezelf te zien liggen bij panellid Wouter Cajot, tegen wie Matthijs zei dat hij zo het boek van de maand mocht gaan aankondigen.

Mijn vrouw belde me een paar seconden daarna. Ze was haar les uitgelopen en we schreeuwden wat hysterische dingen naar elkaar, en daarna zet ik haar op de speaker en luisterden we samen naar wat Wouter over mijn boek zei, en hoe de anderen daarop reageerden. En toen nog de heel erg mooie animatie gekeken, waarbij ik dingen zei als: het is mooi. Het is echt heel mooi.

Hard lachen

Daarna begon ik heel hard te lachen. Lachen is mijn zenuwenreactie, en ik denk niet dat ik ooit zo hard heb gezenuwlachen.
We hebben nog een paar minuten nagepraat, en daarna moest ze terug naar haar les, en ik ging nog even door met lachen.

In de uren daarna volgden de telefoontjes met mijn uitgevers, smsjes, whatsapps, tweets, facebookberichten. Twitter verversen, hard lachend. Wachten tot het fragment online zou worden gezet zodat ik het kon delen.

De beloning

Dat klinkt allemaal heel uncool en heel erg niet des kunstenaars. Een schrijver zit op zijn zolderkamer te tikken aan zijn volgende meesterwerk, maar de realiteit leert dat Boek van de Maand bij DWDD worden een enorme boost aan de verkoop van het laatst geproduceerde meesterwerk geeft, en dat is belangrijk om al die volgende meesterwerken te kunnen produceren. Ook al had ik vóór Schuld drie goed ontvangen boeken geschreven,  de recensies en de verkoop matchten nooit helemaal. Dat die twee nu wel gelijk gaan lopen, voelt als de grootst mogelijke beloning.

Wat er verder gebeurde

Mijn vrouw heeft haar lessen in Utrecht, dus toen ze sms’te dat ze in de trein zat, ben ik op de bus gestapt om haar tegemoet te gaan (sms’je van mij: ‘ik sta nu op de halte op de bus te wachten’, sms’je terug van mijn vrouw: ‘DE MAN VAN HET BOEK VAN DE MAAND STAAT OP DE HALTE’). Op het plein voor station Zuid kwamen we elkaar tegemoet, en mijn vrouw toverde een fles champagne uit haar tas, en samen waren we erg, erg gelukkig.

Geen reacties | Link | 2 maart 2016 | Categorie:

Boek van de maand bij DWDD

Schuld is boek van de maand bij DWDD. De persen zijn aan het draaien voor de herdruk. In de tussentijd zijn er nog een paar luxe-edities te koop.
Wilt u graag een beetje op de hoogte worden gehouden? Ik probeer iedere zaterdag een nieuwsbrief te versturen met gezelligheid en eventueel nieuws.

Inschrijven kan hier:

U krijgt na het invullen een popup van ‘Tiny Letter’ en die zegt dat u nog even moet bevestigen via uw mailbox.

Bekijk de uitverkiezing op de website van DWDD.

DWDD

Geen reacties | Link | 2 maart 2016 | Categorie:

‘In een onbelemmerde, rauwe stijl’

In de Gazet van Antwerpen stond een 4-sterrenrecensie, geschreven door Marijn Sillis, en ik plak ‘m hier helemaal:

‘Goofy, bleef ze zeggen, Goofy, maar niet hard, omdat ze zich schaamde dat ze het hondje kwijt was geraakt terwijl ze het net had gekocht.’ Veel treuriger dan dat wordt het niet in Schuld. En zo is die ene scène – hoe de triestigste puppy van het nest in een vreugdeloos uithoekje van Amsterdam weg springt van de ellendige Sandra – min of meer de samenvatting van de nieuwste roman van Walter van den Berg.

Een boek lang dealt de Nederlander immers in treurigheid, en dat in een onbelemmerde, rauwe stijl. Terwijl de hoofdpersonages en tijdsvakken doorheen de hoofdstukken in elkaar schuiven, blijft het decor hetzelfde: de grauwe, tijdloze ach­terkant van Amsterdam, waar immer falende helden zich ledig houden met het maken van schulden om schulden af te lossen.

Daarin bedreven is ook de sjacherende tiener Kevin, rond wie alle personages zich verzameld hebben: de voor moord veroordeelde zingende vader, de schrijvende non­kel, de lamgeslagen stiefmoeder en de lou­che handelspartner. De afwezige katalysa­tor van zoveel schuld(gevoel): de verdwenen moeder. Het gebroken gezin als onzichtbare aanvoerder van niet te counteren sociale ellende.

Maar ook al zijn zijn personages hopeloos, Van den Berg zet ze niet genadeloos neer. De auteur wekt in Schuld een zekere empa­thie op voor verloren zielen die, zoals de achterflap aangeeft, nooit gered zullen worden. Schuld – esthetisch gezien trou­wens erg lekker uitgebracht door het prille Das Mag Uitgevers – doet in al zijn grimmigheid pijn, en verraadt op die manier het schrijftalent van Van den Berg. Hij zal weinig lezers opzadelen met een schuldgevoel om de geïnvesteerde leestijd.

Geen reacties | Link | 13 februari 2016 | Categorie: