Toen de iPad uitkwam, was ik teleurgesteld: ik vond het een uitgewalste iPod Touch. Ik maakte wel een voorbehoud (altijd slim om voorbehouden in te bouwen): als ontwikkelaars met briljante apps zouden komen, zou ik nog om kunnen gaan. En ik ben om.
In de maanden tussen de Amerikaanse release en de Nederlandse, ben ik het nieuws over apps die uitkwamen blijven volgen, en er kwam genoeg uit om mij op de dag van die Nederlandse release in de rij voor de winkel te laten staan. En er was nog een reden om voor die deur te staan trappelen - iets wat me in die tussenliggende maanden duidelijk was geworden.
Wat opviel bij die rij: er waren veel grijze hoofden. Dat was ook de tendens bij andere rijen. En dat maakt sense.
Mijn oude moedertje kwam een jaar of twee geleden op het idee dat ze een computer moest hebben, want dan kon ze chatten, en dan zou ze zich niet zo alleen voelen. Mijn zuster kocht een tweedehands (windows) laptop voor haar, en dat ding is één keer aangeweest: de startknop in de taakbalk was al te hoog gegrepen voor haar begrip.
De computer waar wij allemaal mee opgegroeid zijn, is ooit bedoeld geweest voor kantoorwerk. Om het een beetje begrijpelijk te houden, zijn allerlei analogieën bedacht met ramen en mapjes in archiefkasten, maar mensen die op hun 65ste instappen, pakken dat niet op. Wij zijn eraan gewend, maar leg maar eens uit waarom je moet dubbelklikken op een bestand en moet enkelklikken op een link op een webpagina (ik zie overigens wel eens mensen die al jaren achter een computer zitten keihard dubbelklikken op hyperlinks - beter een keer klikken te veel dan te weinig).
Met een beetje moeite zou mijn oude moedertje de iPad kunnen snappen. Niet elke app, maar als ik haar vraag of zij zou kunnen kijken wat het weer wordt, zou ze het icoontje met het zonnetje van Weather Pro op het scherm kunnen vinden en zou ze met een druk van haar vinger de weersvoorspelling kunnen zien. Installeren van apps, daar zou ze mee geholpen moeten worden, maar een verzameling voor haar samenstellen zou moeten lukken: wat wil je allemaal kunnen doen? Twintig apps op het eerste scherm, standaard dingen van apple die ze niet gebruikt naar het volgende scherm, en mijn oude moedertje is online. Geen boomstructuren met documentjes, niet op start klikken om je computer uit te zetten.
Maar de iPad is niet alleen voor grijze hoofden, natuurlijk. Ik heb 'm nu een week en een paar dagen, en het is mijn beste vriend op de bank, thuis. Precies zoals ik dacht dat ik 'm zou gebruiken: ideaal voor casual vermaak, twitter volgen tijdens een voetbalwedstrijd, dingen opzoeken zonder naar het bureau waar je computer staat te hoeven lopen, en als ik eraan toe ga komen, ga ik er vast mijn gedownloade series ook nog op kijken.
Lees ik er boeken op? Nog niet. Ik hou te veel van fysieke boeken om ze te vervangen door een digitaal bestand, maar ik léés er wel op: ik heb de NRC-app en op vrijdag betaal ik 79 cent om de krant van die dag te downloaden zodat ik de boekenbijlage kan lezen, en de digitale editie van WIRED is geweldig: zeer leesbaar en met interactieve leukheid. En met Instapaper bewaar je langere stukken die je achter je computer op het web tegenkomt voor een prettiger leeservaring.
Conclusie: de iPad is geweldig speelgoed, én het is de toekomst van computing.
Een column voor het literaire tijdschrift Passionate.
Ik woonde in Slotervaart en in Slotervaart zat een bibliotheek. De bibliotheek zat om de hoek van het plein waar de Albert Heijn, de Dirk van den Broek en de garniturenwinkel zaten. Op het plein hingen jongetjes die in de bibliotheek achter de computers zaten als ie open was, maar hij was niet zo vaak open.
Ik ging er op maandagavond heen om boeken te lenen. Ik leende meer boeken dan ik las. Ik leende er meestal zes, elke week dacht ik: ik zou er best zes kunnen lezen. Maar als ik één boek las, was het veel.
Bij de bibliotheek deden ze ook aan activiteiten. Op een dag hing er een poster en op de poster stond Martin Bril. Hij zou komen. Martin Bril schreef nog stukjes voor het Parool, waarin hij met zijn dochter achterop door het Vondelpark fietste en naar een reiger keek. Kaartjes voor de avond met Martin Bril waren twee gulden vijftig, en ik ging naar binnen en kocht een kaartje.
De avond met Martin Bril ging niet door wegens gebrek aan belangstelling.
Een paar maanden later zou er een avond zijn met Ronald Giphart. Ik kocht weer een kaartje. Ik wilde graag een schrijver van dichtbij zien omdat ik van plan was er zelf één te worden. Ik wilde een schrijver worden die over tweehonderd jaar nog herinnerd zou worden, want zo denkt iedereen die schrijver wil worden.
Die avond ging door. Mijn zuster belde me, net voor ik naar de bibliotheek zou gaan, en ze vroeg wat ik ging doen, en ik vertelde het. Ze wilde ook mee. Mijn zuster wilde niet per se een schrijver van dichtbij zien, hoewel ze wel alle boeken van Virginia Andrews had gelezen. Mijn zuster zorgde ervoor dat de opkomst verdubbelde, dus het liep niet echt storm voor Ronald Giphart in Slotervaart, maar de mensen van de bibliotheek hadden de avond toch door laten gaan — ik denk omdat zij Ronald Giphart graag een keer van dichtbij wilden zien. Mijn zuster en ik zaten met zes of zeven bibliothecaressen op stoeltjes naar Ronald Giphart te kijken, en hij las voor. Hij las voor uit verschillende boeken, en de bibliothecaressen krompen allemaal in elkaar toen hij de rug van één van zijn eigen boeken brak om ‘m open te houden. Hij merkte de reactie op en deed het nog een keer. Hij zei: het is maar een boek.
Toen hij klaar was met voorlezen voor het deel van voor de pauze, mochten we vragen stellen. De bibliothecaressen stelden vragen en ik verzamelde moed: ik wilde schrijversvragen stellen, en ik wilde ook graag dat Ronald Giphart door zou hebben dat hij met een andere schrijver te maken had. In de pauze zou ik het nog zeggen, met m’n handen in m’n zakken zou ik bij het koffiedrinkende groepje gaan staan en ik zou zeggen dat ik ook schreef, en hij zou heel enthousiast zeggen dat dat heel goed was en dat ik maar eens iets naar zijn uitgever moest sturen.
Maar nu, voor de pauze, vroeg ik over tijdloosheid. Hij had net een passage voorgelezen die heel erg niet tijdloos was, door de details die hij gebruikte. Ik vroeg of hij daar niet naar wilde streven, tijdloosheid.
Hij vroeg wat mijn lievelingsboek was. Ik zei dat dat The Catcher in the Rye was. Ik was jong en getourmenteerd. Ronald Giphart vroeg of ik even na wilde gaan hoe tijdloos The Catcher dan was. Ik dacht er over na. The Lunts, daar moest ik aan denken, het toneelstuk waar Holden naartoe gaat, The Lunts zijn de acteurs die erin zaten. Ze bestonden niet meer, alleen nog maar in The Catcher. En The Catcher bestond alleen maar uit dat soort details. Ik zei tegen Ronald Giphart dat hij gelijk had.
Toen wilde ik niet langer een schrijver worden die over tweehonderd jaar herinnerd zou worden. Ik hield op met het vermijden van details die mijn verhalen niet meer tijdloos zouden maken.
Het was een bevrijding. Vanaf die dag ging ik goed schrijven. In ieder geval: beter dan ik voorheen had gedaan.
Ik moest aan Ronald Giphart denken toen ik las dat Max Havelaar hertaald was. Ik denk dat Ronald Giphart het allemaal niet zoveel kan schelen, want het is maar een boek, maar het gaat wel tegen zijn wet in. Het hertalen van Multatuli is een poging tot tijdloos maken. Een paar mensen hebben bedacht dat Multatuli bepaalde details had moeten vermijden, en zij hebben dat gelukkig goedgemaakt. Het kan me niet zoveel schelen, want dat heb ik ook geleerd van Ronald Giphart. Als het boek door de hertaling iets makkelijker te lezen is voor de schoolkinderen die ertoe gedwongen worden, is dat meegenomen — ik heb niet eens het recht om me er druk over te maken, want Max Havelaar staat hier nog ongelezen in de kast. Niet hertaald.
Maar het is natuurlijk idioot. Het boek is niet meer het boek wat het was. Multatuli is de enige Nederlandse schrijver die tweehonderd jaar gelezen worden zou kunnen halen, maar niet op deze manier.
Een klassieke openingszin van stukjes zoals deze is: er is al veel gezegd over. Dat u weet dat ik iets ga verkondigen dat al helemaal uitgemolken is. Op twitter was de vuvuzela ongetwijfeld een trending topic (de juiste opmerkingen werden druk geretweet) en op elke werkplek werd er natuurlijk hard over gemeningd. Nu kom ik er dus nog even bij.
Natuurlijk vind ik het ook een kuttoeter. Mijn zwager, die bij een tv-winkel in Tilburg werkt, werd tijdens de openingswedstrijd gebeld door een mevrouw die net een tv bij hem had gekocht met de vraag of die zoem in haar apparaat normaal was.
Door die toeter mis ik het normale stadiongeluid. Ik wil mensen horen zingen, oooh horen roepen als een bal net over gaat, fluiten als er tijd gerekt wordt — ik mis de sfeer.
Maar wat ik ook mis: het er-is-iets-aan-de-handgeluid. Bij een wedstrijd op tv zie je altijd maar een deel van het veld, en op het deel van het veld dat niet in beeld is, kan er ook van alles gebeuren; en dan moet je vooral denken aan spelers die elkaar het licht uit de ogen schoppen. Het publiek reageert daarop, zodat je als tv-kijker weet: hee! Er is iets aan de hand!
En wat je ook niet meekrijgt: de reacties van het publiek op bijvoorbeeld een al dan niet vermeende handsbal voor het doel.
De scheidsrechter en ik, wij worden gewaarschuwd door dat soort geluiden.
Maar ja: met die kuttoeter lukt dat dus niet meer.
*De kuttoeter is dus ©Robin Smits
Ik ben handig.
Of beter: ik ben handig geworden.
Ik ben geboren en getogen met twee linkerhanden, maar de afgelopen zes weken heb ik zoveel gaten geboord en plakplintjes moeten zagen dat er ongemerkt een Gamma-klantenpas mijn portemonnee in is geslopen.
Ik wilde bijhouden wat we allemaal deden, maar het kwam er niet van. Wat we vooral deden was hard, zeer hard doorwerken. We hebben de laatste weken dagen van 16 uur gemaakt. Op een van de zaterdagen heb ik om half vier 's nachts de deur van het klushuis achter me dichtgetrokken om naar het slaaphuis te fietsen, en ik fietste zo'n beetje op met de mensen die terugkwamen van het stappen.
Maar: het was het waard.
We wonen samen. En dat doen we in het mooiste huis ooit.
Deze afgelopen zaterdagnacht, een uur of half twee, keken we om ons heen en zagen we dat het klaar was. Er moesten nog wat fotolijstjes neergezet worden, maar alle meubels stonden op hun plaats, het nieuwe kleed was uitgerold, en Banjer lag in zijn mandje. Banjer had al die weken in het slaaphuis gewoond en zag ons alleen 's ochtends bij het opstaan, bij het avondeten en bij het naar bed gaan. Ons hart brak regelmatig, maar nu was het weer een gelukkig hondje.
We mochten gaan slapen in onze nieuwe slaapkamer, voor het eerst, en we sliepen de diepe slaap van de zeer, zeer tevreden mens, en we werden onze eerste zondagochtend als samenwonenden wakker.
Het gaat voorspoedig hoor! Dat ik zo lang stil ben wil niet zeggen dat het slecht gaat, alleen maar dat het druk is. Nog een week, en dan kunnen we erin. En dan heb ik ook tijd om weer behoorlijke stukjes te schrijven.
Even geen Literaire Hoogstandjes hier, maar een verslag van de vorderingen van het opknappen van de woning: Robin komt bij me wonen, en om te voorkomen dat het 'Robin komt in Walters huis wonen' wordt, knappen we de boel op naar onze gemeenschappelijke smaak, en gelukkig hebben we die ook — we vinden vrijwel altijd dezelfde dingen en kleuren mooi.
We wilden zelf gaan schilderen, aanvankelijk, en daar hadden we weken voor uitgetrokken, tot we op het idee kwamen het toch maar te laten doen, want: sneller en minder stress. Een buurman van wie we weten dat ie schilder is aangesproken, en hij wilde het doen, maar wel meteen, want er zaten meer klussen voor 'm aan te komen.
Meteen betekende vandaag, dus dit weekend zijn we bezig geweest het huis schilderklaar te krijgen: twintig (20) vuilniszakken met overbodige rommel naar buiten, alle boeken in dozen, alles van de muur af, kasten die we niet meer wilden bij het grofvuil — veel, veel werk. Maar we hebben het afgekregen.
De buurmanschilder schuurt vandaag het houtwerk, wit de plafonds, schildert de muren van keuken, gang en badkamer. Vanavond gaan Robin en ik de definitieve kleur voor de woonkamer uitkiezen zodat ie verder kan. Leve de bouwmarkten die tot negen uur openzijn.
Gisteren werd Rick van Leeuwens boek 'Misschien sliep je al' gepresenteerd in het exotische Katwijk. Ik mocht het eerste exemplaar in ontvangst nemen, en natuurlijk vertelde ik een verhaaltje.
Er zijn een heleboel schrijvers die graag schrijver willen worden. Dat is wat anders dan graag willen schrijven. Ik was er zelf zo een die graag schrijver wilde worden. Ik wilde met andere schrijvers omgaan, en ik wilde het voor de meisjes. Ik dacht: als je eenmaal schrijver bent, dienen de mooie meisjes zich aan.
Dat klopte ook: op een dag kreeg ik een mailtje van een mooi meisje, en dat meisje is nu mijn vriendin. Dus nu kan ik me toeleggen op graag willen schrijven.
Maar: als je schrijver bent, krijg je dus mailtjes. Op een dag kreeg ik een mailtje van Rick van Leeuwen. Hij had mijn tweede boek gelezen en zei er een hoop aardige dingen over. In dat mailtje maakte hij duidelijk dat hij ook met schrijven bezig was.
Zelf ben ik zo een keer naar Ronald Giphart toegestapt, toen ik nog geen boek in de winkel had. 'Ik schrijf ook.' Mensen als Ronald Giphart, van wie ongeveer heel Nederland weet dat ie schrijver is, horen dat gemiddeld vier keer op een dag. Ronald Giphart kan waarschijnlijk niet rustig naar de supermarkt. Er zijn een miljoen mensen in Nederland die 'ook schrijven,' en dat willen ze allemaal aan Ronald Giphart vertellen. Een paar van die mensen slaan Ronald Giphart over en komen bij mij terecht.
Ronald Giphart heeft een simpel trucje; hij zegt zoiets als: wat goed, stuur je boek naar m'n uitgever, die is vast geinteresseerd.
Zo ver ben ik nog niet. Dus krijg ik af en toe een verhaal in m'n mailbox. Rick van Leeuwen stuurde mij er ook één. Dat lovende mailtje over mijn boek was dus gewoon een binnenkomertje.
Met een diepe zucht, niet helemaal gemeend, want natuurlijk vind ik het leuk dat ik af en toe een beginnende schrijver van Ronald Giphart afvang, begon ik te lezen. En wat ik las was goed.
Ik heb Rick doorgespeeld aan mijn agent. Ik kan me voorstellen dat ik in het mailtje zoiets heb geschreven als 'deze kan het.'
Want Rick van Leeuwen kan het.
Rick van leeuwen is schrijver. En hij is geen schrijver die schrijver wil zijn: hij wil graag schrijven. Hij heeft al een meisje, en als hij graag met andere schrijvers om wilde gaan, had hij wel een mailtje aan Ronald Giphart gestuurd. Rick is een echte.
Een column voor Passionate.
De RAF heeft ooit in Osdorp gezeten. Ze hadden er een schuilplaats en ze werden ontdekt en toen werd er geschoten. Een jongen waar ik wel eens mee voetbalde op het pleintje heeft me de kogelgaten in de muur op de Pieter Calandlaan laten zien; die zitten er al heel lang, zei hij.
De RAF vocht voor een betere wereld, in de jaren zeventig.
Ik heb zelf ook een keer gevochten voor een betere wereld. Dat was in de jaren tachtig. Althans, ik heb een keer meegelopen met een demonstratie. Ik weet niet meer waar die demonstratie voor of tegen was. Maar we hoefden niet naar de les, dat weet ik nog wel. We vertrokken van school en daar kwamen we ook weer aan. Toen we klaar waren, ging ik naar huis.
Op de route van school naar huis hingen op vier verschillende plekken gele posters in de ramen: stop de neutronenbom. Toen ik mijn moeder vroeg wat dat was, zei ze dat het een bom was die alle gebouwen liet staan, dat alleen mensen ervan dood gingen. Ik weet nog steeds niet of dat klopt. Ik heb de neutronenbom altijd iets magisch gevonden. Ik zag dat wel voor me, een wereld zonder mensen waar alleen alle dingen er nog waren.
Ook in de ramen: zwartwitposters met boze figuurtjes die de bom een schop gaven.
Op de radio was Doe Maar met De Bom.
Laat maar vallen
want het komt er toch wel van.
Op school liepen oudere jongens in zwarte kleren.
Het was heel veel onschuld, in de jaren 70 en 80. Zelfs de RAF met hun aanslagen en hun doden hebben achteraf gezien een bepaalde liefheid — met veel excuses en respect naar hun slachtoffers, natuurlijk. Elk clubje dat dacht dat communisme een oplossing was, heeft een bepaalde liefheid; naïviteit is altijd een beetje vertederend. Maar ze waren radicaal en de mensen waren bang voor ze.
De radicalen waar de mensen nu bang voor zijn hebben die onschuld niet, ook al zijn zij net als de RAF ervan overtuigd dat de wereld een betere plek wordt als iedereen naar ze luistert. Ik denk alleen dat de radicalen van nu vinden dat iedereen slecht is — in de jaren 70 had juist iedereen iets goeds in zich.
Het is grappig dat het zo loopt: je zou denken dat de geschiedenis terwijl hij zich voltrekt laat zien dat mensen zich op saamhorigheid richten, niet op wij en jullie. In vrijwel elk verhaal dat zich in de toekomst afspeelt, zijn er geen landsgrenzen meer op aarde; grenzen zijn iets heel onlogisch voor mensen met lieve idealen. Maar mensen zijn niet liever geworden. Mensen zijn bozer geworden. En als ze niet boos zijn, zijn ze ongeïnteresseerd.
Dus: de radicale actie is radicaler geworden. Meer doden, minder gericht. En de niet-radicale actie stelt niets meer voor. Als je nog eens een demonstratie op de Dam ziet, zijn het altijd Azerbeidjanen die om vrijheid roepen of iets anders dat Azerbeidjanen nodig hebben. Of Tibetanen. In kleine groepjes. Bij de Tibetanen zie je dan wel een paar verdwaalde Nederlanders, maar die zijn nog van vroeger.
De mensen van nu voeren actie door hun avatar op twitter groen te maken zodat ze laten zien dat ze het heel erg vinden dat er een meisje in Iran is doodgeschoten.
Misschien ben ik zelf nog een beetje van vroeger dat ik dat een beetje jammer vind.
Als ik Star Trek keek, vond ik het volkomen logisch dat er geen landsgrenzen meer bestonden. Ik dacht: mensen gaan allemaal bij elkaar horen. En dan dacht ik niet aan communisme, maar aan aardig voor elkaar zijn. En ik dacht dat ik dat zelf nog mee zou gaan maken, want dat bij elkaar horen zou een beetje gelijk opgaan met de komst van vliegende schotels voor iedereen, en die vliegende schotels waren een kwestie van tijd; vanaf het jaar 2000 zou dat wel een beetje op gang komen. Iedereen wachtte op dat jaar 2000, zo leek het, want er waren een heleboel producten en winkels en leuzen die dat magisch klinkende ‘2000’ incorpereerden.
Ik was niet de enige die wachtte.
Er kwam niets.
Maar niemand hier heeft nog veel zin om actie te voeren.
Alle actie komt altijd voort uit gezamenlijke onvrede. Onvrede is er nog steeds, misschien wel meer dan ooit, maar het is geen onvrede meer over de situatie van mensen — het is onvrede over mensen. Niet-radicale actie is een eenmansbetoging geworden met een reactie op een artikel op telegraaf.nl: ze moeten eens boeven gaan vangen.
De radicale actie van nu is een laatste oprisping - straks, over honderd jaar vind iedereen iedereen stom, en om het dan nog ergens op te laten lijken, maakt ergens iemand zijn avatar op twitter groen, en vervolgens kijkt hij uit het raam om te zien hoe de landsgrens rond zijn huis erbij ligt.
Zij werkte op de ene afdeling, hij op de andere.
Hij had haar op zijn verjaardag gevraagd. Het was geen verjaardag met familie in een kringetje en taart; het was met wat vrienden en collega's in de kroeg, dus het kon. Zij was nog meegegaan naar een hippe tent waar de mannen graag naartoe wilden, maar ze was weggegaan toen een van de mannen van de andere afdeling zich begon te misdragen.
Ze waren een beetje onhandig verder gegaan, en de onhandigheid kwam vooral van zijn kant. Hij vroeg haar niet echt uit, het was meer een soort meevragen. Ik ga nog met collega's wat drinken, ga je mee. En af en toe stuurde hij een smsje, en ook zijn smsjes waren onhandig. Haar collega's waren nieuwsgierig; na ieder weekend vroegen ze of er nieuws was, of er nog iets gebeurd was, en nee, er was niets gebeurd. Ja, hij heeft bij me op de bank gezeten, nee, hij deed niets. Ze zei tegen haar collega's dat ze niet wist wat ze ermee moest, en haar collega's zeiden dat ze het ook niet wisten.
Toen ze drie weken verder waren, stuurde hij een mailtje op vrijdag, en in het mailtje stond: heb jij een luchtbed?
Ze liet het mailtje aan haar collega's lezen, en die zeiden dat het code was, dat ie viste of ie zou kunnen blijven slapen. Ze antwoordde niet.
Op vrijdagavond liep ze het kantoor uit, en hij liep achter haar, en hij belde: wil je meerijden? Ze dacht: waarom niet.
Ze bleef staan tot hij bij haar was. Hij zei dat zijn auto vlakbij stond. Maar ik moet eerst een luchtbed kopen, zei hij.
Ze gingen drie winkels af. Pas bij de Kijkshop vond hij een luchtbed met electrische pomp. Daarna bracht hij haar naar huis en wenste haar een prettig weekend.
Ik ging zitten in een van de onhandige zitjes bij het raam. Er waren genoeg plekken om beter te zitten, maar ik was daar niet zo goed in, plekken waar je beter zat.
Mijn redacteur kwam een paar minuten later binnen en hij schoof in het onhandige zitje.
We praatten over wat dingen, en toen hadden we het over het derde boek, ik stelde voor hoe ik verder wilde gaan en hij vond het goed, hij zei wat geruststellends, we praatten over wat andere dingen, en we dronken nog wat.
Buiten liepen er goths langs. Mensen in sombere kleren met witgeschilderde gezichten en rare kapsels. Ze kwamen in korte stroompjes, groepjes van twee of drie met tussenpozen van tien, vijftien minuten.
Roy woonde achter de Derkinderenstraat. Hij was Jerry's neef. Ik weet niet precies hoe het in elkaar zat; Jerry kwam van de Antillen en Roy was een Molukker, en Jerry's moeder was Indisch, maar ze was niet Moluks. Het maakte ook niet uit. We reden op zaterdagmiddag naar Roy omdat we niet veel meer te doen hadden.
In het hofje waar Roy woonde, stond een rij garages, en één van die garages was van Roys vader, maar zijn vader reed niet meer, die was te oud en had zijn auto weggedaan. Dus die garage was een beetje van Roy geworden. Roy had zelf geen auto, maar hij was wel monteur, en hij sleutelde er aan de auto's van zijn vrienden. De hofjes achter de Derkinderenstraat hadden veldjes tussen de woonblokken, en om de veldjes heen, tegen de woonblokken aan, stonden prikkelstruiken. Roys ouders woonden op de eerste verdieping van hun blok, en Roys slaapkamer was beneden — als je via de voordeur naar binnen ging, moest je beneden aanbellen, de trap op naar de eerste, naar binnen bij z'n ouders, en dan de trap weer af. Roys kamer had een raam, en door dat raam gingen we dan weer naar buiten, door de prikkelstruiken, naar de garage.
Bij Roy hingen altijd nog een paar jongens, Franco en Corrie, en Patrick, een grote gast die al een stuk ouder was dan wij. Hun auto's stonden op de plaats voor de garages, en Franco had zijn portieren open en zijn radio aan; hij had de beste geluidsinstallatie en hij had 'm op een zender staan die house uitzond — ik weet niet wat voor house het was, het was 1990 en ik denk niet dat er iets anders was dan gewoon house.
Zo hingen we.
Er was altijd wel iets aan een van de auto's te doen, en als er niks aan te doen was, verzonnen we wel iets. Als het regende, riep Roys moeder ons naar boven, en dan gingen we de prikkelstruiken door, stapten we door het raam van Roys slaapkamer en liepen we naar boven. Dan gingen we op de bank zitten en schonk Roys moeder cola voor ons in.
Mijn zuster belde toen ik op m'n werk zat. M'n moeder was verhuisd naar het ziekenhuis omdat ze weer een longontsteking had. Ze had hoge koorts gehad, vanochtend, die was nu een beetje aan het zakken, maar de mensen van het revalidatiecentrum hadden haar in een ambulance gelegd en haar naar het Lucas laten brengen.
Na het werk fietste ik ernaartoe. Ze lag op een kamer waar ze een week of twee geleden ook had gelegen. De andere mensen waren nieuw. Een oud vrouwtje dat de hele tijd naar ons zou blijven kijken, een oude man die in een rolstoel was gezet en bewoog door kleine stapjes op de vloer te zetten, en een man met een baard. De man met de baard zag eruit alsof hij in een band die liedjes van Boudewijn de Groot speelde had gezeten.
Mijn moeder sliep.
Ik legde mijn hand zacht op haar arm en ze werd wakker.
We praatten een beetje, ze vertelde hoe het gegaan was vanochtend. Ik legde mijn hand op haar voorhoofd — ze was niet warm meer.
Toen we niets meer te zeggen hadden, keek ze omhoog. Boven het bed hing een televisie, en die stond uit.
Ik vroeg of ik een tv-kaart voor haar moest halen.
Graag, zei ze.
Ik pakte de lift naar beneden, liep naar de hal, naar de automaat die tv-kaarten uitgaf. Er was een A4-tje opgeplakt, en op het A4-tje had iemand met balpen 'defect' geschreven. Ik liep naar de portier. De portier was een jongen met puisten, en hij vertelde me dat er nog zo'n automaat op de tweede stond. Hij wees naar het trappenhuis, rechts van hem.
Ik pakte de lift naar de tweede. Op de tweede vond ik geen automaat. Alleen deuren naar verkoeverkamers en operatiecomplexen. Er kwamen twee jonge dokters aangelopen — ze hadden geen witte jassen aan, alleen maar stethoscopen om hun nek hangen. Ik vroeg ze of ze wisten waar de automaat stond.
De langste van de twee zei dat ik in de verkeerde toren stond. Dat ik het andere trappenhuis naar de tweede had moeten nemen. Hij wees me de kortste weg naar de andere toren, via de eerste verdieping; hij liep een klein stukje met me mee om de deur die ik moest hebben aan te wijzen.
Ik bedankte hem.
Succes, zei hij.
Het was een donderdagochtend en de V&D zat nog in de Bilderdijkstraat. Ik had Aardrijkskunde maar ik was niet gegaan. Het heette geen spijbelen meer, want ik zat op de moedermavo. Aardrijkskunde was niet heel vervelend, maar de mensen die op de school rondliepen waren dat wel. Ouderen die niet meer werkten en jongeren die van hun normale school waren afgetrapt of daar niet mee konden komen — een ongelukkige soep van misplaatsten. De ouderen waren te geïnteresseerd, de jongeren hadden vastgehouden aan hun houding van het tegenovergestelde: ik ben hier omdat het moet. Maar het moest niet.
Daarom was ik in de V&D. Ik was mijn tijd aan het volmaken. Het moest niet, maar ik was achttien en thuis moest ik vertellen hoe het was geweest, op school, en daarom moest ik ook echt weg zijn geweest.
Ik keek rond bij de muziek; het was de tijd dat er een stelling met singletjes achter de balie stond, met nummers van 1 tot en met 40. Ik stond een tijdje bij de singeltjes, maar ik had geen platenspeler. Ik weet niet meer wat er in de top 40 stond.
Na de singeltjes ging ik naar de bandjes. Er was ook een rek met voorbespeelde cassettebandjes, de harde plastic hoesjes in cellofaan, in een systeem met een slot aan de onderkant van het rek: je moest een verkoper roepen als je een bandje wilde hebben.
Ik keek rond bij de bandjes en ik zag iets wat ik wilde hebben. Een bandje van John Hiatt. Ik weet niet meer waarom ik het toen wilde hebben; misschien had ik iets van hem op de radio gehoord, misschien dacht ik: nu ga ik van country houden. Ik weet niet of je John Hiatt country kan noemen, maar ik weet wel dat ik dat soort dingen kon beslissen. Nu ga ik van country houden, en dit is mijn eerste aankoop. Ik riep er een verkoper bij en kocht het bandje. Ik draaide thuis alleen maar bandjes; de vriend die mijn moeder toen had, had uit de haven een radio-cassettespeler voor me meegenomen. Aan de radio had ik niks, want mijn slaapkamer was in de kelder, en de antenne deed er niet veel.
In mijn herinnering ben ik kleiner dan de verkoper, maar dat kan niet, want toen ik achttien was, was ik al twee meter. Ik heb dat met meer herinneringen uit die tijd: ik stel mezelf altijd kleiner voor dan ik was. Nu doe ik dat al een tijdje niet meer. Als ik me nu iets van een jaar of twee, drie geleden herinner, ben ik gewoon twee meter.
Ik denk dat ik nog ergens ben gaan rond gaan hangen, want Aardrijkskunde duurde anderhalf uur, en toen ben ik naar huis gegaan.
Ik nam de lift naar de derde etage. Op de derde zit een uitbouw binnen het glas, en in de uitbouw staan ouderwetse tafels zoals ze vroeger ook in bibliotheken moeten hebben gestaan, met een schuin tafelblad en groen vilt. Ik heb daar vaker gezeten; als je niet schreef, kon je door de grote ramen naar de stad kijken.
Ik kwam de lift uit en de OBA was vol. Achter de rijen met computers zaten Marokkaanse jongetjes Runequest te spelen, op de plekken zonder computers zaten studenten met openliggende boeken en opengeklapte laptops.
Ik liep tussen de boekenkasten door naar de uitbouw, maar alle plekken in de uitbouw waren bezet, de tafels onzichtbaar onder al het papier.
Ik pakte een roltrap omhoog, ik pakte weer een roltrap omlaag, ik vond een plek in een diepe stoel zonder tafel, legde mijn macbook op een kunstboek op mijn schoot, klapte 'm open — en er kwam niets.
Ik las wat ik tot dan toe had, zuchtte een paar keer diep, keek op twitter, keek op facebook, klapte mijn macbook weer dicht en vertrok.
Ik liep de Amsterdamse Poort door met mijn fiets aan mijn hand. Er zat een parfumwinkel; ik had 'm een keer gezien.
Het was bijna zes uur 's avonds en ik wist niet of ze hier nog aan koopavond deden; koopavond is als een soort feestdag die nauwelijks meer wordt gevierd in Amsterdam, zoals Sint Maarten, omdat de stad altijd open is op zondag.
Ik liep een rondje en vond de winkel. Binnen stonden alleen maar negerinnen. De winkeldames en de klanten. Een winkeldame kwam naar me toe en vroeg of ze me kon helpen. Ik zei dat ik een geurtje wilde voor mijn vriendin, en ze was klaar om te zuchten — een man die een geurtje voor zijn vriendin wilde, waar moest je beginnen?
Ik zei snel dat ik wist wat ik wilde. Die, wees ik aan. Ze had een monstertje gekregen en ze had er heel zuinig mee gedaan omdat ze 'm zo lekker vond ruiken. Ik was al heel lang van plan geweest een heel flesje voor haar te kopen, en vandaag was er een gelegenheid geweest; een reden.
De winkeldame rekende met me af en gaf het flesje aan een andere winkeldame, vroeg of zij 'm in wilde pakken. Toen we klaar waren met afrekenen, ging de eerste winkeldame ergens anders staan en liet me alleen met de tweede winkeldame. Ze pakte het flesje netjes in, goudkleurig pakpapier en een hardroze krul eraan. Ze zei dat ze alleen nog hele grote tassen had. Ik zei dat ik 'm zo mee zou nemen.
Ik fietste naar haar huis, en toen ik er bijna was, kreeg ik een smsje, hoe laat zou ik thuis zijn, en ik wilde eerst iets terugsms'en, maar ik stopte m'n telefoon weer weg, zette mijn fiets op slot, ging naar boven en naar binnen en zei dat ik een cadeautje voor haar had.
Zij zei dat ze ook een cadeautje voor mij had.
Het was koninginnedag en we waren begonnen bij Daan thuis. We waren met vijf jongens, of mannen eigenlijk — iedereen was ouder dan ik, en ik was al oud. Bij Daan thuis hadden de anderen paddestoelen genomen, en iemand was met biertjes binnengekomen, en ze maakten grappen over mijn nuchterheid. Dat duurde altijd maar even, en zo ging het ieder jaar. De jongens waren vrienden van elkaar, maar niet heel erg van mij; alleen Daan zag ik regelmatig, de anderen waren voor mij koninginnedag, Ajax in de Champion's League, Nederland met het WK.
We liepen Daans huis uit, de Jordaan in, en bij de eerste bierpomp werd nog meer bier gehaald. En zo gingen we door, de overstroomde straten over, naar het Museumplein, eerst, want daar stond kermis, en we moesten een doel hebben.
Op de kermis gingen we de cakewalk in, en Jonathan raakte al zijn drugs kwijt — de bewegende trap had al zijn zakjes en pakjes uit zijn borstzakje geschud. Een jongen die bij de cakewalk werkte, wilde hem helpen met oprapen, maar trok zijn handen terug toen hij zag wat hij wilde pakken.
In het reuzenrad keken we over de stad, en we maakten grappen. Alle bomen die nog op het Museumplein stonden waren lichtgroen in de zon. In die tijd waren alle koninginnedagen warm.
We duwden onszelf de stad weer in, en de anderen waren dronken, stoned, van alles, en ik zorgde dat Armin, die altijd harder liep als ie meer drugs had gebruikt, bij ons bleef, en ik trok Jonathan mee toen ie op het Leidsplein ruzie zocht met een grote gast op een lage motor. De Angels, zei hij, dat zijn pas mannen, en hij zei dat we naar de bar van de Hell's Angels op de wallen moesten, en hij zeurde net zo lang door tot er werd toegegeven.
Ik denk dat we de Leidsestraat niet namen; ik weet het niet meer. Het enige dat ik altijd tegen mensen van buiten Amsterdam zeg als ze vragen waar ze heen moeten met koninginnedag, is: vermijd de Leidsestraat.
Maar we kwamen op de wallen, en we liepen het café van de Hell's Angels binnen, en de anderen met al hun bier en hun drugs en hun onzekere bravoure bestelden nog meer bier, schreeuwden naar elkaar en gingen tussen de Hell's Angels staan alsof ze dat iedere dag deden, en ik vond een hondje op de bank bij het raam, een Jack Russelachtige, en het hondje kwispelde en ik aaide en ik ging ernaast zitten; het zette haar pootjes op mijn schoot en vroeg om meer, en ik aaide door.
De grootste Hell's Angel maakte zich los uit de groep bij de bar, kwam naar me toe en zei: lief is ze, hè?
Heel lief, zei ik.
Ze stapten de deur uit na het eten, en het was later geworden dan ze van plan waren, want ze wilden van het goeie weer genieten maar het was al donker, toch, en koud nu — maar ze hadden het de hond en elkaar beloofd, dus ze gingen toch.
De hond mocht los toen ze bij het eerste park waren, hij keek af en toe achterom om te zien welk pad hij kon nemen, en ze liepen achter hem aan, af en toe hand in hand, af en toe de handen in de zakken om warm te worden, en ze liepen over de donkere paden langs het kleine vijvertje in de richting van de grote weg, gingen daar onderdoor, keken naar de mooie huizen aan de overkant van het water, en ze praatten lang en veel over de dingen waar ze blij van werden: het huis opknappen, samenwonen, de vrienden die ze hadden, en toen ze het eerste park uit waren en het kleine stukje naar het tweede park overbrugden, de hond aan de lijn, wezen ze elkaar nog meer huizen aan: daar, en dat is ook mooi, en kijk daarbinnen, nu weten we dat we geen rode muur moeten nemen (ze lachten), en deze huisjes hier, net een klein dorpje in de stad.
In het tweede park ging de hond weer los en hij rende naar elk geurtje dat hij op moest snuiven, negeerde kleine hondjes die naar hem blaften.
Ze keken naar het silhouet van de ooievaars in hun nest, en ze liepen door, wachtten met oversteken van het grote pad op een groepje renners, gingen aan de andere kant het park weer uit en liepen door de oude wijk terug naar huis; ondertussen bij etalages stilstaand, die lamp misschien, en hier kunnen we nog voor meer borden kijken. Zo gingen ze &mdash en alles aan hen moet geluk hebben uitgestraald.
We zaten aan de boulevard en het was middag. De avond ervoor hadden we hier ook gezeten, bij dezelfde tent, we hadden even moeten kijken, maar ja, zie die lampen, daar hadden we het over gehad, Ikea-lampen, dus in Griekenland moesten ze Ikea hebben. De avond ervoor hadden we frappés gedronken. Nu Fanta Lemon, en het ging hard, want het was heet.
Op de boulevard waren perkjes aangelegd, kleine stukjes gras met een muurtje eromheen, een boom in het midden. Verderop het beeld van Onassis, neergezet door mensen die zich zijn vrienden hadden genoemd.
Er kwam een groepje aangelopen, drie orthodoxe priesters met grote baarden, in zwarte gewaden en een een stuk of tien, twaalf meisjes.
Ze bleven hangen bij het perkje recht voor ons, één priester leunde tegen de boom, pakte de weinige schaduw die de boom gaf, de andere twee praatten met elkaar, de meisjes gingen op de muurtjes rond de perkjes zitten, twee gingen bij de priester onder de boom staan. De jongste van de twee leunde tegen hem aan, nonchalant, ze maakten grapjes, er werd gelachen.
Een van de meisjes had een gitaar.
Ze droegen allemaal nette rokken; het meisje dat het gewaagdst was gekleed, was ook nog tuttig.
Wij zaten en we keken. We vroegen ons af wat de situatie was — een schoolklas op stap? Nee, het was zaterdag, en scholen zullen nu toch ook wel vakantie hebben hier?
Een van de priesters wees een kant op, de helft van het groepje liep weg, een paar meisjes en de priester onder de boom bleven nog even hangen.
Wij bestelden nog een Fanta Lemon.
Het strandje waar we vandaag naartoe wilden rijden was dichtbij. Geen haast. Nooit haast, hier.
Ik tilde mijn fiets de trap af, trok onderaan de trap mijn schoenen aan, zette mijn helm op, en rolde mijn fiets naar buiten. Ik klikte mijn schoenen vast en reed weg, de Postjesweg op, en ik wilde mijn achterblad schakelen naar een zwaardere versnelling, maar ik maakte 'm lichter — ik was vergeten hoe het schakelen ging. Ik had te lang niet gefietst.
Maar het voelde goed, rijden, na een winter vol sneeuw, al was het nog koud; de snelheid binnen een paar trappen, de fiets die nog harder wilt en het zware lichaam dat erop zit bijna achter wilt laten, de spieren in mijn benen die al meteen protesteren en tegelijkertijd om meer vragen.
Ik reed over de Derkinderenstraat naar de Plesmanlaan, kou door m'n kleren heen, ook al had ik vier lagen aangetrokken, en een koude kop; ik had verwacht dat de helm kou tegen zou houden, maar dat was dom. Die helm heeft spleten, en de kou kwam door de spleten heen.
Op de Plesmanlaan snoot ik m'n neus op de onbeschaafdste manier: achterom kijken en snuiten zonder zakdoek. Sommige mannen drukken eerst het ene neusgat en dan het andere dicht, maar ik blaas ze samen leeg.
Over de brug naar Badhoevedorp ging ik rechts, zette weer aan, was van plan naar Halfweg te rijden, maar het was te koud op m'n kop en het werd niet warmer. M'n handen tintelden al in m'n handschoenen, dat wel.
Verderop zag ik het viaduct over de ringvaart terug naar Amsterdam. Ik had 'm nooit genomen, die weg, er stond een bordje 'Osdorp' bij, en Osdorp kende ik wel. Maar nu wilde ik terug, weg uit die kou.
Ik zakte linksaf de dijk af, reed de verhoging naar de brug op, een lange helling tegen het talud van de brug aan, in tegenovergestelde richting met zestig meter verderop een haarspeldbocht, langs de jongetjes die hun fiets de steile trap opduwden. Ik reed, zij liepen, en zij waren eerder. Ze waren al op de brug zelf toen ik er kwam, reden slingerend over het fietspad. Ik belde; ik heb een klein belletje op mijn stuur dat een helder geluidje laat horen. Veel is het niet, maar het is genoeg, de jongetjes maakten ruimte, maar ze riepen wel iets, ze moesten stoer zijn.
Van de brug af: snelheid.
En een stoplicht.
Terug door Osdorp, over Tussenmeer, mijn oude Tussenmeer, dat was de wereld, toen ik twaalf was. Op het fietspad zat ik achter een scooter met een stel erop, een jongen die langzaam reed, een meisje achterop dat dikker was dan hij en hem helemaal uit het zicht nam.
langs de Sloterplas, door het park, weer naar de Postjesweg, en ik bleef het koud hebben, alleen mijn handen waren warm.
Een te kort rondje dat naar meer deed verlangen, langere, rechtere wegen, een paar graden warmer maar, of gewoon een muts onder die helm.
Mijn zuster zat in de hal. Ik zag haar door het raam.
Mijn neefje zat in de stoel naast haar, met zijn DS. Hij speelde. Ik ging door de draaideur naar binnen.
Ze zitten te eten, zei mijn zuster, daar mogen wij niet bij zijn.
Ik ging naast mijn neefje zitten. Hij had Mario op zijn DS. Hij zat in een wereld met water dat steeg en weer daalde.
Hoe ziet het er verder uit, hier, vroeg ik.
Wel goed, zei ze. Ze hadden alleen een fout gemaakt in het Lucas, ze hadden gezegd dat ze geen zuurstof nodig had bij het lopen, dus ze hebben geen flessen meegegeven. Dus ik heb even flink gevloekt, zei mijn zuster. Maar morgen neem ik flessen mee. Dan kan ze zonder de kachel.
De kachel is het apparaat waar mijn moeder nu haar zuurstof uit krijgt. Zo noemt ze het apparaat zelf, en wij zijn het ook zo gaan noemen.
Ze zat nog in de eetzaal. Ze zat aan een grote tafel tussen andere oude vrouwen. Er waren drie mannen in de eetzaal: twee oude en een jongere, met een lichaam dat meer romp was dan iets anders. Ze keek op toen we in de deuropening stonden. Daarna keken alle oude mensen naar ons.
Een verpleegster haalde haar van tafel. Ze trok de stekker van de kachel uit de muur en de kachel piepte. De verpleegster rolde mijn moeder naar de gang, waar een zitje was; met een hand duwde ze de rolstoel, met de andere rolde ze de kachel. Bij het zitje stopte ze de stekker van de kachel weer in het stopcontact; de kachel hield op met piepen.
Mijn neefje klapte zijn DS weer open en speelde verder. Hij was in een wereld waarin Mario als een reus doorheen stapte.
We zaten een half uur. Toen rolden we mijn moeder zelf naar haar kamer.
Ze deelde een kamer met drie mensen. De andere drie zaten nog steeds in de eetzaal.
We maakten lichten, hielpen haar op bed, sloten de kachel weer aan, vroegen of ze nog iets wilde. We vroegen of het gordijn tussen haar en het bed naast haar open of dicht moest.
Laat maar dicht, zei ze. De man naast me is een zeur, zei ze, hij is blind en vraagt de hele tijd hoe ik eruit zie.
"Ik heb hele grote tieten," zei ik.
We lachten.
Mijn zuster had de deur van haar autootje op een kier laten staan. Haar stoel was nat geworden. Mijn neefje ging achterin zitten.
Mijn zuster stuurde haar autootje uit de parkeerplaats met wilde armbewegingen.
We zochten een plek bij het restaurant van haar man.
Hier, zei ik.
Nee, zei mijn zuster, dat kan ik niet met mijn armen. Mijn zuster heeft MS; ze kan niet heel veel met haar armen.
We vonden een plek waar ze zo in kon rijden.
We aten ossehaas.
Mijn neefje at zijn halve ossehaas niet op.
We eten te vaak ossehaas, zei mijn zuster, drie keer per week.
Mijn neefje zat in een wereld met vliegende blokjes. De blokjes hadden vleugels, en vraagtekens.
alles © Walter van den Berg.