van•den•b.com

weblog [het, de; o en m -s: een ~ bijhouden] van

Walter van den Berg


Zoek de vrijheid, Miguel

De rij voor de patatboer in de Voetboogstraat was kort toen we aankwamen. We hadden mazzel. De rij kwam achter ons.
De patatboer in de Voetboogstraat is een open loket waar je je patat bestelt. Achter het loket stonden twee dikkige jongens die eruit zagen alsof ze uit Noord kwamen, maar dan niet het hippe Noord. Misschien kwamen ze zelfs uit Ilpendam.
De jongen op rechts nam de bestellingen op, de jongen op links nam het geld aan.
Achter hen stonden nog twee jongens. Die jongens kwamen niet uit Ilpendam. Achterin stond er één aardappelen door een snijmachine te duwen. Tussen hem en de Ilpendammers stond de ander de patat te bakken.
De Ilpendammer op rechts zei tegen de patatbakker dat hij er nog een lading in mocht gooien. Hij had gelijk: de rij kwam nu al tot aan de Heiligeweg.
Wij waren aan de beurt. We bestelden twee patat en een flesje Fanta.
De Ilpendammer op links was een meter van de Fanta verwijderd.
De patatbakker was er anderhalve meter vandaan, en hij was bezig met een lading patat.
Miguel, zei de Ilpendammer op links, Fanta.
Miguel de patatbakker liet zijn patat een moment voor wat het was en reikte achter zich naar de koeling.
De Ilpendammer op links pakte de Fanta aan en zette hem voor me neer. Ik rekende met hem af.
Miguel roerde door de patat in de frituur.
De Ilpendammer op rechts nam weer een bestelling aan. Een toerist wilde patat en sparkling water.
Miguel, zei hij, sparkling water.
Miguel reikte naar de koeling en pakte een flesje water. Het water sparkelde niet.
Spárkling water, zei de Ilpendammer op rechts.
Miguel zette het niet-sparkelende water terug en pakte een sparkelend flesje. Daarna ging hij weer terug naar zijn patat.
Even had niemand iets te doen. Iedereen wachtte op de patat in de frituur.
Morgen lekker vrij hè, Miguel, zei de Ilpendammer op links. Hee Miguel. Morgen lekker vrij hè?

Geen reacties | Link | 4 mei 2015 | Categorie:

Astrid Joosten is hoofd bij sales

Ik zou een serie kunnen maken over mensen met beroemde namen die een niet-zo-beroemde baan hebben.
Omdat ik overal en nergens werk, zoals dat heet, hoor ik heel veel namen, en ik kan nog steeds niet anders dan een kort lachje lachen als ik weer een beroemdheid een heel normale baan zie hebben.

Ik hoorde vandaag iemand zeggen ‘dan moet je even Astrid Joosten bellen, die is hoofd bij sales.’
Op mijn vorige afdeling liep er een leidinggevende rond die Jos Brink heet.
Bij een andere klus heb ik een keer de hand geschud van een heel grote man die zich voorstelde als Roel van Velzen.

En dat blijft zo maar doorgaan. Het is niet eens grappig meer.
Ach, laat ook maar.

Geen reacties | Link | 28 april 2015 | Categorie:

The Slang of Irvine Welsh

Geen reacties | Opgeslagen onder:

The Bizarre, Complicated Formula for Literary Fame

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Cormac McCarthy’s Original Drafts of Blood Meridian

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Sjamaan

Een probleem met fictie

Een essay over waarom ik fictie af en toe een raar ding vind. En fictie een raar ding vinden is een raar ding voor een schrijver.

Ik heb een probleem met fictie. En dat is lastig, als je romans schrijft.
Dat probleem is er niet altijd geweest; het kwam pas toen bij het verschijnen van mijn derde roman de achterflap iets te vaak werd betrokken in de recensies. Op de achterflap stond dat het verhaal in het boek was gebaseerd op iets dat ik als kind had meegemaakt, en de professionele lezers vielen over die verwijzing. Ik ben daar een tijdje boos over geweest, en die boosheid had een bijverschijnsel: ik vond romans die heel erg verzonnen waren plotseling raar. Het lukte me niet meer te zien wat de functie was van zo’n volledig uit de verbeelding ontstaan boek. Ik verwierp het verzonnen verhaal. Bah, humbug.
Dat heeft een tijdje geduurd; ik zat als een mokkend kind in een hoek het spelletje van de andere kinderen stom te vinden, en zoals dat dan gaat met mokkende kinderen: het heeft niet door het alleen zichzelf dwarszit.
Mijn acceptatie van het verzonnen verhaal kwam weer een beetje terug toen ik op een Grieks strand The Bone Clocks van David Mitchell las en daar in verzonk, zoals bij romans kan gebeuren. Een roman biedt een andere wereld buiten de gewone wereld, en The Bone Clocks was heel erg een andere wereld, en Mitchell had de knop van mijn suspension of disbelief weer op aan kunnen zetten. Niet dat het een briljant boek was: The Bone Clocks schiet in al zijn verzonnenheid regelmatig gierend uit de bocht, zoals dat dan heet, maar ik vergaf het Mitchell allemaal; ik was in for the ride.
Die teruggekeerde acceptatie nam niet weg dat het vreemd was: waarom zou een mens uren, bij elkaar misschien wel dagen bij een boek van 500 plus bladzijden, in een wereld willen stappen die door een ander verzonnen is? Zodra een roman door meer dan één persoon gelezen wordt, begint het meteen te ruiken naar een soort overbrengen van een religie, als een sjamaan die bij een kampvuur vertelt hoe de berg waar de stam onder woont zijn witte top heeft gekregen.
Met films kan ik het nog aan, het voorstellen waarom je je overgeeft aan iemands verzinsels: je geeft je anderhalf uur over aan kant en klare beelden, je kan — als je niet te arthouse bent gegaan toen je je kaartje kocht — je hersens even uitschakelen. Het is ontspanning. Maar een beetje roman lezen is werken.
Waarom zou je dat willen?
Daar worstel ik mee.

2.

Een stap dieper.
Sinds The Bone Clocks lees ik weer met plezier. En ik lees — ook met plezier — zwaarder spul dan David Mitchell. Want Mitchell kan je ook lezen op het niveau van die anderhalf uur durende film, natuurlijk. Dus dat deel van het probleem is opgelost. Nu naar het echte probleem.
Ik ben mijn vierde roman aan het schrijven.
Voor mijn vierde roman ben ik heel veel aan het verzinnen.
De eerste drie waren allemaal wel ergens gebaseerd op iets dat ik zelf had meegemaakt; alleen bij de laatste van die drie, Van dode mannen win je niet (De bezige bij, 2013), hadden we dat op de achterflap gezet omdat het relevant was, vond ik toen, en dat vind ik nog steeds: ik heb een gewelddadige stiefvader gehad en in dat derde boek vertel ik het verhaal vanuit mijn stiefvader. Moeilijke jeugden zijn er genoeg beschreven in de literatuur, moeilijke jeugden die worden besproken door de veroorzaker van zo’n jeugd zijn er veel minder.
Van dode mannen win je niet was voor mij vooralsnog een soort culminatie van dat persoonlijke verhaal; nu is het tijd verder te kijken. En in dit geval betekent verder kijken: verzinnen.
Ik heb voor het boek waar ik mee bezig ben een paar personages gepakt die ik al eerder op heb gevoerd in mijn tweede roman (West, De bezige bij, 2007), om niet te rigoureus te breken met mijn universumpje, en alles wat er in dit verhaal gebeurt, verzin ik.
Dat verzinnen is een traag proces, maar ik zou het niet moeizaam willen noemen. Ik heb in mijn schrijfleven, dat begon toen ik een jaar of veertien was, denk ik, een hoop verzonnen, dus het is niet vreemd voor me, hoe raar ik het nu ook vind. Als schrijvende puber vond ik verzinnen juist niet meer dan logisch. Ik wilde vooral SF-verhalen vertellen; mijn personages liepen rond op ruimteschepen. Dat je personages mee zouden kunnen maken wat jij zelf meemaakte, of dat ze iets mee zouden maken wat in ieder geval in een universum zou kunnen gebeuren dat dichtbij jouw eigen wereld lag, kwam toen nog niet in me op.
Het trage zit nu vooral in bedenken of het klopt bij wat ik wil vertellen. En ook dat is nieuw voor me: van te voren bedenken wat ik wil vertellen. Niet het letterlijke verhaal, natuurlijk, maar het thema dat ik duidelijk wil maken. Nadat ik drie romans had geschreven werd me duidelijk wat mijn thema is, en nu ben ik daar veel meer op voorhand mee bezig. Kan gevaarlijk zijn, want misschien ga ik erdoor kunstelen. Maar het zou me ook niets verbazen als ik nu een helder thema in mijn hoofd heb, en straks als het boek in de winkel ligt bedenk dat het eigenlijk heel ergens anders over gaat. Niet erg: dat voorkomt gekunsteldheid, denk ik.
Allemaal niet erg.
Maar ik denk net iets te vaak, terwijl ik mijn verzonnen verhaal zit te tikken: wat een fokking arrogante bezigheid is dat schrijven, zeg.
Ik voel me net iets te vaak die sjamaan bij dat kampvuur dat wil dat mensen naar zijn onzin luisteren.

3.

Door iets over schrijven te vinden, door er een mening over te hebben, plak ik die mening ook op andere schrijvers. Fokking arrogante gasten zijn het. Allemaal.
Maar dat zijn ze niet, natuurlijk.
Er zijn karrevrachten aan schrijvers aan te voeren voor wie die arrogantie wel geldt, maar zo heb je vast ook karrevrachten aan arrogante loodgieters. Of stukadoors, misschien is dat een beter voorbeeld; stuken is zo knettermoeilijk dat de arrogantie vast wel boven komt drijven bij de mensen die van zichzelf overtuigd zijn dat ze er goed in zijn. Net als bij schrijvers dus.
Maar er zijn genoeg schrijvers te bedenken bij wie die arrogantie niet bestaat. Die hun verhaal moeten vertellen. Alex Boogers bijvoorbeeld, die het een gekte noemt die langzaam opbouwt en er dan uit moet. Bij het schrijven aan zijn laatste boek is hij twee keer in het ziekenhuis opgenomen omdat zijn lichaam reageerde op die gekte.
Noodzaak. Het beruchte woord als het over schrijven gaat.
Als ik dat bij mezelf bekijk, gaat het niet om een gekte die langzaam opbouwt. Ik vind het lekker een mooi boek te maken, een goed verhaal, ik ben meer dan Alex B. met het schrijven bezig en met het ‘schrijver zijn’, met een mooie omslag kiezen en met het feestje als het boek klaar is. Waar ik bij mezelf die Noodzaak opmerk: dat thema waar ik het over had. Als ik bij alles wat ik ooit heb geschreven (verhalen en romans) eerlijk ga kijken naar waar het verhaal écht over gaat, zie ik dat ik eigenlijk altijd over hetzelfde schrijf, ook al dacht ik tijdens het schrijven dat ik nu met wel iets héél anders bezig ben.
Het feit dat ik een thema heb, bewijst die noodzaak, denk ik.
Goed; een noodzaak. Dat verklaart misschien waarom je de behoefte hebt 50.000 woorden te tikken, maar moeten andere mensen daar het slachtoffer van worden? Moet je zomaar iets kunnen verzinnen en verwachten dat andere mensen daar hun tijd in gaan steken?

4.

Tijd om eerlijk te zijn tegen mezelf.
Twee dingen:

  1. Dat laatste boek, Van dode mannen win je niet, daar stond niet op de achterflap: dit boek is autobiografisch. Er stond dat ik een gewelddadige stiefvader had gehad en dat ik in zijn huid was gekropen. Ik heb tachtig procent van dat boek verzonnen. Dat ik zo boos werd op fictie kwam alleen doordat een aantal beroepslezers mij ervan beschuldigden dat ik geen fictie had geschreven, of dat ik dat althans op de achterflap beweerde.
  2. Iemand vertelde me onlangs dat ze dat boek had gelezen en er, terwijl ze ‘erin’ zat, snel voor naar huis ging om verder te kunnen lezen. (Ik high-fivede mezelf in gedachten.)

Dus ik heb dat boek verzonnen, en het blijkt dat mensen er graag hun tijd in steken. En als ik eerlijk ben: dat is verdomd lekker.

5.

Moet je zomaar iets kunnen verzinnen en verwachten dat andere mensen daar hun tijd in gaan steken?
Als David Mitchell dat had gedacht, had hij me een mooi boek ontnomen. Als Alex Boogers dat had gedacht, had hij me een bijzondere ervaring ontzegd met zijn Alleen met de goden, waarin ik veel van mezelf herkende.
Ik heb de sjamanen nodig. Niet iemand bij een kampvuur die me vertelt waarom ik bang moet zijn als de donder over het veld rolt en de bliksem inslaat, maar sjamanen die me met moderne verhalen vertellen over het leven nu of me juist weghalen bij dat leven en me op die manier ook helpen.
Ik kies ervoor naast die sjamanen te zitten en naar hun verhalen te luisteren. Ik zet mijn probleem met fictie opzij. Dat probleem is een probleem van een verongelijkt kind.

6.

Ik ben zelf ook een sjamaan. Ik vertel verhalen aan dat kampvuur omdat ik verhalen heb waarvan ik vind dat ze gehoord moeten worden, dat ze geloofd moeten worden. Of een verhaal, dat ik in meerdere vormen vertel.
Dat verhaal is gebaseerd op iets dat ik mee heb gemaakt, en ik gebruik steeds meer fictie om dat verhaal te vertellen. Ik moet accepteren dat ik fictie nodig heb. Fictie is het smeermiddel om mijn verhaal over te brengen. Ik ben een sjamaan, en dat idee moet ik accepteren en omarmen, en ik moet de best mogelijke boeken schrijven om mijn verhaal te vertellen.
Als je schrijft, geloof dan in het schrijven.

Geen reacties | Link | 16 april 2015 | Categorie:

This Magic Moment – The Sopranos

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Seveneves

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Bij die exclusieve club horen

Ik ben mijn vierde roman aan het schrijven, en ik loop natuurlijk tegen existentiële twijfels aan, want dat hoort bij schrijven. Ik tik af en toe een stukje over het proces. De abonnees van de Planeet vandenb-nieuwsbrief hebben net weer een exemplaar in hun brievenbus gekregen. Wilt u bij die exclusieve club horen? Het kan niet simpeler: u hoeft alleen uw e-mailadres achter te laten.

U krijgt na het invullen een popup van ‘Tiny Letter’ en die zegt dat u nog even moet bevestigen via uw mailbox.

Ik ben blij met uw inschrijving. Dank daarvoor.

Geen reacties | Link | 6 april 2015 | Categorie:

The Narrative Possibilities of Networked Life

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Een autoband en een parasol

Op de Amstelveenseweg stapten twee mannen een portiek uit. Ze hadden allebei een muts op die duidelijk maakte dat uiterlijk vertoon niet direct een vereiste was in hun belevingswereld. De eerste man had een plastic tasje vast, de tweede man droeg een autoband en een parasol. De parasol was wit met bruine accenten. Als de parasol uitgevouwen zou zijn, zou er een kringellijntje langs de rand lopen, en aan die rand hingen bruine sliertjes. Het wit was overigens niet heel wit meer.
De tweede man was de aangewezen persoon om de deur achter zich te sluiten; de eerste nam geen aanstalten, hoe vol de handen van de tweede ook waren. De tweede man zette daarom de parasol tegen de muur naast de deur, reikte naar binnen, en trok de deur dicht. Daarna pakte hij de parasol weer.
Zwijgend liepen de mannen de Amstelveenseweg af, in de richting van het Vondelpark.
Het was dinsdagochtend, kwart over acht, en de dag kon beginnen.

Geen reacties | Link | 10 februari 2015 | Categorie:

Birdman

Mijn twee centen over Birdman: al dat meta kan te veel zijn; de single shot nodigt veel te veel uit tot lasnaden zoeken; en: gaat Michael Keaton de zoveelste terugkerende celeb worden waarover mensen zeggen dat ze altijd al fan zijn geweest? It gets old.

Geen reacties | Link | 3 februari 2015 | Categorie:

Honden, en waarom ze beter zijn dan katten

Dit stuk heb ik in 2009 geschreven voor de VARA-gids. “Mijn hond, Banjer, 10 jaar,” staat ergens op de helft, en dat zou nu “Onze hond, Banjer, 16 jaar” moeten zijn, maar Banjer is een paar weken geleden ingeslapen. Hij was op, en het was goed zo, maar we missen hem, want het was onze kameraad.

Toegeven dat je wel kan lachen om André van Duin – zo voelt het ook een beetje als je zegt dat je van honden houdt. Mensen die denken te weten waar het om gaat, die uit kunnen leggen waarom André van Duin juist niet grappig is, weten ook altijd waarom katten veel beter zijn. Het is het soort volk dat de keuze heeft gemaakt voor de next best thing – nou ja, niet voor honden dus.

Dat soort volk hoor je dan nooit een keer zeggen: ik ben meer een slangenmens. En dan niet in de zin van: het is mijn hobby mezelf in weekendtassen te vouwen. Nee, zij zijn gevallen voor warme, harige dieren die lekker te knuffelen zijn en die niet angstig wegrennen als je naar ze bukt (zoals cavia’s en konijnen – oefenbeesten voor als je te jong bent voor een echt huisdier). Katten komen heel dicht in de buurt van honden, maar ze missen één ding: ze houden niet van je.

Waar kattenmensen altijd op hameren is de eigen wil van hun huisdier.  Nee, hij heeft nu geen zin om te komen, ach ja, eigen willetje hè. Nee: die kat heeft geen zin jou een pleziertje te doen want die kat houdt niet van je.

Mijn hond komt altijd. Ik hoef ‘m maar aan te kijken en hij begint al te kwispelen. Als je ’t zegt, kom ik hoor, baas!
En als ik het zeg, vindt hij het zo’n gigantisch feest dat zijn hele lijf kwispelt.
Dom, zeggen kattenmensen dan.

En als je dan vraagt waar je aan kan zien dat katten slimmer zijn, komt het argument er altijd op neer dat je een kat niks kan leren.  Oh ja, want niks kunnen leren is een kenmerk van intelligentie.

Ik ken een hond die op een boerderij woont en op die boerderij woont ook een stel paarden. De hond weet dat de paarden het leuk vinden om andere paarden te zien, dus als hij in de verte andere paarden aan hoort komen, gaat hij zijn paarden waarschuwen. Jongens! Kom snel kijken! De hond weet ook dat zijn baas het leuk vindt oldtimer tractors te zien. Nieuwe trekkers zijn niet interessant, maar als er een oude aankomt, gaat hij de baas halen. Baas! Kom snel kijken!

Ik denk niet dat er veel andere diersoorten zijn die conclusies kunnen trekken over het soort tractors waar de baas voor gewaarschuwd moet worden.

Waarschijnlijk heeft de hond de reputatie van dommerd omdat ie alles gezellig vindt. Mensen die alles gezellig vinden worden vaak ook niet al te hoog ingeschat.

Maar goed: heb ik de aanval nodig om mijn liefde voor honden te verdedigen?
Mijn hond, Banjer, 10 jaar, vorig jaar uit het asiel gehaald, is mijn maatje. Ik kan met Banjer over straat lopen en hij kan dan even opkijken en oprecht naar me lachen: supertof dit, baas. En je kan dan bijna niets anders doen dan teruglachen en zeggen dat het inderdaad heel leuk is. Lopen met je kameraad.

En dan andere honden. Tim van mijn vriendin die juicht als ik kom (mijn vriendin heeft een feilloos talent om de stem van elke hond te pakken – Tim klinkt als een puber die de baard in de keel begint te krijgen en vindt dat ik zijn beste vriend ben, Banjer is een mietje en klinkt altijd een beetje recalcitrant als mijn vriendin er is), Deaf die auditief gehandicapt is en dat altijd als excuus gebruikt (zijn vaste uitspraak is ‘sorry hoor’ met de nooit hoorbare toeving ‘dat ik besta’), Lola de dikke pitbull in het park die heel uitbundig met Banjer speelt maar ook altijd één seconde bij mij komt kijken en dan heel hard HOI roept; en de oude Goldens. Mijn vriendin heeft een zwak voor Golden Retrievers, en dan het liefst de Goldens die mooi diepbruin zijn en een paar grijze haren rond de neus hebben – oude Goldens zouden de wereld moeten besturen met hun wijsheid en hun liefheid.

Als ik een hond zie en die hond ziet mij en hij groet me – dat doen ze, ze zeggen hoi, allemaal op hun eigen toon – dan heb ik het zwaar, want eigenlijk wil ik aaien, knuffelen, een kus op de neus drukken.

Dat doe ik niet.

Ik weet eigenlijk wel dat het raar is.  Misschien heb ik die aanval daarom nodig.
Ik weet eigenlijk wel dat André van Duin flauwe grapjes maakt. En ik hou ook van katten. Hoe katten zeggen dat ze je stom vinden maar dat je ze best mag aaien – dat is charmant. Maar ik begrijp mensen die honden niet het allerleukste vinden niet. Hoe ze hoi zeggen. En alles supertof vinden.

Geen reacties | Link | 14 januari 2015 | Categorie:

School bullies

One Day, I Will Die on Mars

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Why Read New Books?

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Underworld – Don Delillo

Neem geen schrijvers in uw vriendenkring. Schrijvers in uw vriendenkring hebben betekent: hun boeken moeten lezen. Die boeken hopen zich op, want ze komen allemaal tegelijk, weken vol presentaties in oktober en november, en dan liggen er weer 5, 6 boeken. Doe het niet.

15 jaar op de te-lezen-stapel

Op mijn te-lezen-stapel liggen Gustaaf P. en Philip H. nu een tijdje te zeuren, maar ik ben al maanden bezig in Underworld van Don Delillo. Op zich is dat a good thing, want ik heb dat boek al 15 jaar of langer op mijn te-lezen-stapel, en ik vind het een prestatie van mezelf dat ik zo’n boek dan toch nog pak. En wat blijkt: het is idioot goed.

800 pagina’s en steengoeie zinnen

Het heeft alleen wat problemen:

  • Het is meer dan 800 pagina’s dik
  • Iedere bladzijde staat vol met steengoeie zinnen.

Nu lijken dat luxeproblemen, want wat is er voor de lezer fijner dan een dik boek met goeie zinnen?
Nou, dat kan dus nog behoorlijk tegenvallen.

In een boek zitten

Als je al maanden een boek leest, wil je op een gegeven moment toch een beetje opschieten. Een boek waar je in zit (en ik zit erin) hoort bij een bepaalde periode, vind ik. Tijdens de vakantie zat ik heel erg in The Bone Clocks van David Mitchell, om maar een voorbeeld te noemen van inzitboek in combinatie met periode. Maandenlang in een boek zitten is, op een gegeven moment, een beetje slopend. Het is alsof je je vriendjes bankjesvoetbal ziet gaan spelen omdat ze verveeld zijn met verstoppertje, en jij zit nog achter de garage en je kan er pas vandaan als iemand je gebuut heeft.

450 bladzijden verder…

En opschieten in Underworld kan niet, door die goeie zinnen. Je kan niet door het boek snellen omdat je wil weten waar het heen gaat; de goeie zinnen maken het boek. Ik kan na 450 bladzijden nog steeds niet vertellen waar het over gaat.

Slopend.

Geen reacties | Link | 12 november 2014 | Categorie:

How Did Amazon End Up as Literary Enemy No. 1?

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Ons hele gesprek

De hond en ik liepen door het park. Het was donker en het regende.
Bah, regen, zei de hond.
Ja, vervelend hè, zei ik.
We hadden niet gezien dat er net een man langsfietste. Die man hoorde ons hele gesprek.

Geen reacties | Link | 4 november 2014 | Categorie:

Op repeat

We liepen door de nieuwe Albert Heijn in de Jan Evertsenstraat en we hoorden het weer: een idiote uitvoering van David Bowie’s Heroes, een soort dance-achtig iets, de zang door een schellige dame. Zo vaak kwamen we niet bij die Albert Heijn, en langer dan 10 minuten waren we er nooit binnen, dus de kans was dik dat je die Heroes zes keer aan moest horen als je een half dagje vakken aan het vullen was.

Muziek die uit luiheid herhaald wordt: ik kan er erg verdrietig van worden. Winkels die maar één cd hebben. Of een veel te korte playlist. Of gewoon luiheid; zet die rommel maar op repeat, niemand die het hoort. Ooit zwom ik regelmatig in het Sportfondsenbad dat toen nog achter het blok van de nieuwe Albert Heijn lag. Daar kwam veel te regelmatig Ain’t no shunshine when she’s gone van Bill Withers langs. Ik kan Bill Withers niet meer horen zonder aan dat trieste zwembad te denken.

Of nog erger: zo’n gebrek aan smaak dat de draaier niet doorheeft dat je een plaat vermoordt als je ‘m meer dat 600 keer achter elkaar draait. Ik heb een vakantie lang in de auto naast Ruud gezeten; Ruud reed en koos dus de muziek. Ik heb toen de cd van Postmen 628 keer gehoord. Vakkundig vermoord, dus.

Geen reacties | Link | 2 november 2014 | Categorie: