Wat erg is: het bed. Het bed ligt te lekker.
Dan gaat de wekker en die snooze ik dan en dan slaap ik door want het bed ligt te lekker.
Rond kwart voor zeven ga ik dan half slapend rekenen hoeveel tijd ik nog heb: nu douchen oh nee ik heb gisteravond gedoucht dus dat kan ik overslaan als ik vanavond maar weer douche en weg ben ik. Volgende snooze. Aankleden brood smeren schoenen aan tanden poetsen maar dit bed DIT BED het ligt te lekker en weg ben ik weer.
Ik moet mezelf het bed uitvloeken.
Het is erg, het bed.
En dat is dan op dagen dat ze niet bij me slaapt.
Als ze bij me slaapt wordt de ergheid met een factor 10 verdubbeld.
Maar wat echt heel erg is. Op de dagen dat ze niet bij me slaapt.
Dat is als ik op tijd ben, net op tijd, wetend dat de trein om 7.51 gaat en dat ik nog net genoeg tijd heb om.
Dan gaat Banjer mee naast de fiets en op het stuk dat door het park kruist gaat ie los en piest ie tegen elke boom en elke keer trekt ie weer een sprint met zijn haren in de wind (en dan zie je 'm denken: oh ik ben echt heel knap zo, ik zie er zo goed uit!) om me bij te houden en dan doen we voorzichtig de deur open om haar huisgenote niet wakker te maken en dan loop ik zachtjes naar haar kamer en dan wordt ze een beetje wakker, een beetje maar, en hoe warm ze dan is.
Dat is echt heel erg.
Hoe warm en zacht en hoe ze dan lacht met haar ogen nog dicht.
Ik werk op een kantoor met zo'n zesduizend collega's (knus), en het treintje dat vlakbij stopt, stroomt een paar keer per ochtend behoorlijk leeg met toch wel een stuk of driehonderd mensen per trein, en dat stroomt dan rustig naar het gebouwencomplex.
Ik moest een beetje wennen aan het niet-groeten hier, maar waarschijnlijk hoort dat bij een kantoor met net iets te veel mensen. En: waar moet je beginnen? Al die mensen die vanuit de trein stromen zijn collega's, maar begin je al gedag te zeggen als je in die trein stapt? Nee. Sterker nog: zelfs mensen die je kent (die een afdeling verder zitten en wiens gezicht je wel eens bij de koffieautomaat ziet), negeer je in de trein, want ook al is het een ritje van vier minuten -- in de trein wil je nog even alleen zijn.
Maar goed: die stroom mensen.
Als je elke dag op dezelfde tijd komt, leer je die stroom een beetje kennen: de vrouw met het touwhaar, de lange man met de rare kont (ik kijk over het algemeen niet naar mannenkonten, maar als je te korte jasjes draagt en een raar loopje hebt, valt zo'n kont op), en de man die sudoku's doet terwijl ie loopt.
De man die sudoku's doet terwijl ie loopt is mijn ochtendspektakel. Er is weinig spannend aan een man die sudoku's doet terwijl hij loopt, maar de stroom moet wel een drukke weg oversteken, en ik wacht een beetje op de dag dat hij vergeet naar het stoplicht te kijken (zodat ik hem aan zijn kraag terug de stoep op kan trekken; ik zoek altijd naar gelegenheden waarbij ik de held kan spelen), maar wat nog veel spannender is: het bruggetje.
Toen het kantorencomplex is gebouwd, is er een tuinarchitect bij getrokken, en die tuinarchitect heeft er een paar waterpartijen ingegooid. En die tuinarchitect dacht: als ik dit pad dwars door het gras trek en dat pad dan ook nog door laat lopen in deze waterpartij, dan hebben we wat moois.
En dat pad dat doorloopt in de waterpartij is een betonnen loopbrug zonder leuningen van een meter breed.
En die brug zonder leuningen is de snelste weg naar de ingang van kantoor.
Dus een flink deel van de stroom gaat over die brug.
Ook de man die sudoku's doet terwijl ie loopt.
Eergisteren liep hij in een rechte lijn over de brug. Gisteren ook.
Maar vanochtend zwalkte hij even.
Hij viel niet. Zonder zijn ogen van de sudoku af te halen, rechtte hij zijn gang en liep hij door.
Maar er gaat een dag komen dat het misgaat. Of niet.
Ik weet het, het is niet veel.
Maar de man die sudoku's doet terwijl ie loopt, is mijn ochtendspektakel.
1.
Op de natte vloer van de mannendouche in de sportschool liggen pluisjes. Die pluisjes zijn nat, dus of het nog pluisjes zijn, is een andere verhaal, maar: volgens mij is het navelpluis.
Alleen mannen doen aan navelpluis, en zet grote hoeveelheden douchende naakte mannen bij elkaar, en dat navelpluis moet ergens heen. Dus: de vloer.
Robin is een paar keer meegeweest naar de sportschool, en ze heeft er voor me op gelet: op de vloer van de damesdouche lag geen pluis.
Ik vind mijn theorette bewezen.
U begrijpt dat ik goed uitkijk waar ik mijn voeten neerzet.
2.
Ik zag gisteravond een man die niet alleen zijn borsthaar föhnde (dat had ik al eerder gezien), maar ook zijn rug meenam, en daarna voorover boog om de föhn onder zijn handdoek te steken zodat ie zijn kruis even droog kon blazen.
Key principles, lessons learned, helder naar de klant toe, multi-channel, customer base, multi-brand, upsell, kpi's, horizontale ontkoppeling (en verticale), servicelevels, plannen van bovenaf naar beneden toe, stove pipes, het is zo afgeregeld, prospect management, een orderdialoog, calls afvangen, pass-through.
Ik stond in de rij voor de automaat en de trein zou er bijna zijn en de mensen achter me zouden allemaal de trein missen als ik niet opschoot.
Dat dacht ik dan, hè.
Ik moest nog twee dagen werken deze week, en om morgen niet meer in de rij te hoeven staan, zou ik nu twee ongedateerde kaartjes halen.
Dat had ik al eens fout gedaan.
Vier kaartjes voor dezelfde dag had ik toen.
Dus nu lette ik extra goed op.
Ongedateerd.
Waardoor het fout ging bij het kiezen van de klasse.
En toen dacht ik alleen: wat zijn die twee kaartjes duur.
En toen dacht ik: er staan nog honderd mensen achter me die die trein willen halen, dus pinnen.
Pas toen ik op het perron stond, dacht ik: zou ik misschien?
En ik had.
De trein kwam, de mensen drongen zich voor de deuren van de tweedeklassewagons, en ik stapte een eersteklasser in.
Tussen de mannen met opengeklapte koffertjes zocht ik een stoel uit en ging zitten.
Er schuifelden wat tweedeklassers langs die onze wagon misbruikten om nog een goedkope plek te kunnen bereiken.
Het rapalje.
Ik zit op een kamer in een gebouw waar ik niet hoor. Het gebouw waar ik wel hoor is vol. Ik zit op de kamer met een schrijver van functionele ontwerpen. Hij hoort wel in het gebouw, en er komen vandaag mensen bij hem langs om hem het beste te wensen voor het nieuwe jaar.
Als ze mij zien, twijfelen ze: moeten ze mij ook een gelukkig nieuwjaar wensen? Ze weten niet wie ik ben en wat ik in hun gebouw doe, behalve een kostbare werkplek bezet houden.
De score tot nog toe: drie gelukswensen voor het nieuwe jaar, twee keer volledig genegeerd, een keer gewogen en te licht bevonden.
Vanuit mijn raam zie ik de vijver in het kantorenpark weer dichtvriezen.
In het eindejaarslijstje van Zidouta stond een link naar een documentaire over de vader van zanger E van Eels, een geeky band waar ik een zwak voor heb omdat het een geeky band is; E gaat op reis om mensen te spreken die zijn vader hebben gekend, en meer dan dat: die mensen leggen hem uit hoe de theorie over paralelle werelden in elkaar zit die zijn vader, Hugh Everett, ooit bedacht.
In het laatste deel van de zes youtube-hapjes luistert E naar bandjes met de stem van zijn vader. Hij aarzelt voor ie het eerste bandje afspeelt, want hij weet niet meer hoe de stem van zijn vader klinkt.
Een paar bandjes verder hoort hij zichzelf als kind drummen in het huis, en dat moment is van een wonderlijke schoonheid.
Ik ben een sucker voor zulke dingen over vaders. Mijn vader was geen natuurkundige met briljante theorieën, hij was een zeeman die op de wal bleef omdat hij bang was dat zijn kinderen hem niet meer zouden kennen als ie te lang op reis was.
Ik weet ook niet meer hoe zijn stem klinkt. De enige bandopname in onze familie is een grijze TDK-cassette geweest waarin mijn tante mijn moeder heeft getaped toen ze vertelde over de ene keer dat mijn vader dronken was, en dat bandje draaiden we soms met kerst. Mijn moeder vertelde lachend hoe mijn vader zijn broek netjes opvouwde - waar hij zijn broek normaal altijd over de stoel gooide.
Het bandje is verloren gegaan, maar mijn vaders stem stond er toch niet op. De enige herinnering die ik heb waarin mijn vader spreekt is een scene op de camping. De familie komt op bezoek, en we staan alleen nog te wachten op tante Annie, de oudste zuster van mijn vader. Neef Frank zegt dat tante Annie in een Opel Kadett rijdt, dat we daar dus naar uitkijken, en mijn vader maakt de flauwe grap: 'Wat? een Opoe Tet?'
Opoe Tet was zo'n familieuitdrukking; ik denk dat het iets betekende als 'slappe ouwehoer'.
Ik heb die herinnering nog vrij duidelijk voor ogen, maar ik heb de klank van zijn stem er niet meer bij.
alles © Walter van den Berg.