Wij waren erbij

Gisteren hadden we twee wij-waren-erbijmomenten. in de kleine zaal van Paradiso speelde The Tallest Man on Earth — een Zweed met een gitaar die in zijn eentje op het podium mooie liedjes speelt, en vriend Martyn en ik vonden dat ie goed genoeg was om later over te zeggen: wij waren erbij. The Tallest speelde alleen zijn mooiste niet.

Toen we de kleine zaal uitliepen, bleek er in de grote ook een concert bezig te zijn. Door de ramen van de dichte deuren van het balkon herkende Martyn een bandje dat ie de laatste weken vaak draaide: Reverend and the Makers. We bleken beneden gewoon de zaal in te kunnen lopen, en voor de acht euro die we voor een zweed met een gitaar hadden betaald, zagen we ook nog een concert van een heel erg Manchesterse club, met een zanger die de uitstraling van een voetbalhooligan heeft en zich ook zo over het podium beweegt, en toch was de muziek lekker.

En het wij-waren-erbijmoment: de zanger die zijn gitaar pakte aan het eind en het hele publiek mee naar buiten nam, om op de trappen van Barleaus nog wat liedjes te spelen.

# | Drie reacties | 30 September 2009

Planeet vandenb

1.

Er stond hier een stukje dat verloren is gegaan. Het ging over het lezen van The New Yorker en hoe moeilijk dat wel niet is en meer intellectueel geneuzel. Afgelopen vrijdag is er iets mis gegaan op de server, en het stukje is kwijtgeraakt.

Tijdens het misgaan is ook alle mail die naar me gestuurd is verdwenen, dus als u mij vrijdag toevallig gemaild hebt, mail me gezellig nog een keer.

2.

Mijn oude moedertje heeft een telefoon en soms is ze daar niet snel genoeg bij; dan wordt er opgehangen voor ze op kan nemen. Als 'r dat gebeurt, gaat ze iedereen in haar telefoonboekje bellen: heb jij gebeld? En als ze dan bij aankomt, leg ik 'r uit dat het waarschijnlijk een bedrijf was dat haar iets wilde verkopen, dat die altijd ophangen na drie keer overgaan. Dat iemand die haar nodig heeft haar voicemail wel inspreekt en dat ze nu niet iedereen moet gaan bellen.
Oh ja, zegt ze dan.
En een week later belt ze weer iedereen.

3.

Ik stond net in de lift met de man met de dikke kont. De man met de dikke kont had vandaag ook een Heel Erg Grote Puist op zijn linkerwang.

4.

Elke laatste vrijdag van de maand komen we samen: een paar schrijversch die in de begindagen van dat samenkomen gezellig klaagden over hun uitgevers en het gebrek aan publiciteit en nu gewoon een groepje vrienden zijn die het over voetbal en vakantie hebben.

Toch heeft die schrijverschborrel een aanzuigende werking op mensen die pas de schrijverschwereld in zijn gestapt, dus deze vrijdag had ik een introducée bij me wiens naam ik pas ga noemen als hij een beetje behoorlijk googlebaar is.

Dat was gezellig, maar ik ben een mietje, dus om tien voor één ging ik weg, om één uur liet ik de hond uit, en om half twee lag ik in bed.

De introducée smste de volgende dag dat hij om zes uur thuis was.
Die gaat er wel komen, in de literatureluur.

5.

Vanochtend maakten we allebei ons fiets los, Robin en ik, en omdat de gekke hondenman die altijd pijnlijke dingen roept eraan kwam, haastte Robin zich, en we kusten en we zeiden tot vanavond, en ik keek haar even na en bedacht dat je het best goed hebt gedaan als het mooiste meisje dat je ooit gezien hebt gewoon je vriendin is. Toen was de gekke hondenman bij me en ik luisterde naar zijn pijnlijke dingen, en ik aaide zijn hond.

# | Dertien reacties | 28 September 2009

814 woorden: dom dik volk

We zaten op het terras en het terras keek uit op de Tilburgse kermis.
De Tilburgse kermis heeft speciale dagen — een roze maandag, voor homo's, en vandaag moest een dag voor gehandicapten zijn, want we zagen kleine optochtjes van rolstoelen, mongooltjes, een verstandelijk gehandicapte die luchttrompet aan het spelen was.

Het uitzicht was goed voor ons.
En toen kwam de dikke familie. Lees verder na de klik.

# | Elf reacties | 22 September 2009

Robin doet briefjes

Robin doet briefjes.
Als ze bij me thuis is geweest, vind ik regelmatig een briefje.
Op het briefje heeft ze dan iets Ongelooflijk Liefs geschreven, want zo is ze.

Vaak laat ze een briefje achter als ze er gelegenheid voor heeft gehad, dus als ik Banjer even uitlaat voor ik haar naar de metro breng, achterop de fiets. En als ik dan 's avonds thuiskom, vind ik het, en overstroom ik een beetje van geluk.

Soms ligt het briefje op tafel, en soms ligt het bij m'n computer. Ik heb een keer een briefje onder mijn kussen gevonden, maar pas toen ik 's ochtends wakker werd — ik heb natuurlijk heel erg mooie dromen gehad die nacht.

En de mooiste briefjesvondst ooit: tussen mijn boterhammen, toen ze een keer brood voor me had gesmeerd.

Als ik nu thuiskom en Robin heeft bij me geslapen, loop ik heel nonchalant het huis een beetje rond om te zien of er toevallig iets anders is. Of er iets onder mijn toetsenbord zou kunnen liggen, of weer (hoewel ze nooit in herhaling zou vallen) onder mijn kussen.

Let wel: ik ben natuurlijk nooit ontevreden als er géén briefje ligt, maar ik ben wel extreem gelukkig als ze wel een biefje heeft geschreven.

Af en toe kan ik iets terugdoen, briefjesgewijs, maar de gelegenheid is er vrijwel nooit; ik ben nooit alleen in haar huis — laatst heb ik een briefje haar kamer ingegooid toen ze even niet keek. En nog zag ze dat.

Het liefst laat ik de briefjes die Robin voor me achterlaat liggen op de plek waar ik ze vind, maar dat zou een probleem opleveren: dan kunnen mensen die op bezoek komen ze lezen. En ze zijn heel erg voor mij.
Nu verzamel ik ze in mijn portomonnee, die langzaam dikker wordt, en ik heb er één laten liggen op zijn plek: een briefje dat ik ooit op mijn nachtkastje vond.

Robin doet briefjes.
Ik verheug me nu al op de volgende.

# | Tien reacties | 16 September 2009

De toespraak die ik ongeveer gehouden zou kunnen hebben bij de presentatie van het debuut van Ivo Victoria (En die er maar half uitkwam omdat Ivo Victoria zelf al alle grappen maakte)

Als je veel schrijvers onder je vrienden hebt, heb je al snel een halve meter plank met ongelezen boeken in je kast staan. Ivo Victoria pakte het slimmer aan door mij te vragen het eerste exemplaar in ontvangst te nemen. Hij belde me, vroeg of ik dat wilde, en natuurlijk zei ik ja, want oh, de eer.
Maar: dan moet je zo'n boek wel lezen, van te voren.

Gelukkig is Hoe ik nimmer de ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt) een heel mooi boek.

Toen Ivo me belde, bekende hij dat ik tweede keus was. Hij had Kenny van Hummel, held uit de laatste Tour de France, geprobeerd te krijgen, maar Kenny was onbereikbaar.
Maar hij kende nog iemand die een racefiets had.

Ik ben zo arrogant te vinden dat ik een beetje bij de geboorte van het boek aanwezig was, want Ivo vroeg me lang geleden of ik het een goed idee vond als hij meedeed met het debutantenklasje van Paul Sebes. Daar hebben we een tijdje over gemaild, en uiteindelijk heeft hij het gedaan, en het verhaal over de zes pagina's waar meerdere uitgevers grote bedragen op boden, is nu al legendarisch.

Maar ik voel me ook op een andere manier aangeraakt door Ivo's boek, want het beschrijft een jeugd zoals ik die ook gekend heb. Het romanpersonage Ivo Victoria maakt het leven wat mooier door er af en toe een beetje leven bij te verzinnen, en dat deed ik ook toen ik klein was.

Ik heb ooit mijn buurjongen Petertje een verhaal verteld dat ik ooit een goeie fiets had, een Union met wel drie versnellingen, en dat ik daar met gemak de 50 kilometer per uur mee haalde.
Petertje geloofde dat.

Nu ben ik inderdaad iemand die een racefiets heeft. Ik heb 'm één dag voor de Ronde van Frankrijk van dit jaar gekocht. Afgelopen zaterdag ben ik gaan fietsen, en er stond een harde wind, en tussen Haarlem en Amsterdam, met wind in de rug, haalde ik de 49 kilometer per uur. 49 kilometer per uur is nog steeds geen 50 kilometer per uur, maar ik ben dicht bij mijn eigen grootspraak gekomen. Toch voelt het nog als een leegte in mijn leven. Ooit haal ik die 50 nog en reken ik af met mijn eigen opschepperij. En: ik hoef er geen boek meer over te schrijven.

Want het romanpersonage Ivo Victoria rekent af met zijn opschepperij in Hoe ik nimmer de ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt), en de schrijver Ivo Victoria laat hem dat op magistrale wijze doen.

Met een prachtig boek over grootspraak, vaders, moeders en kanaries heeft Ivo heel veel andere boeken — al geschreven en nog te schrijven — overbodig gemaakt.

# | Vier reacties | 07 September 2009

Voor mij

De Stoet loopt 's ochtends door een woonwijk, en in de woonwijk loopt een kat rond. De kat is arrogant zoals alleen katten kunnen zijn; als de stoet eraan komt, gaat hij niet opzij.

Vanochtend maakte hij het nog een graadje erger: de stoet (een kleine versie de stoet; het was kwart voor tien, dus de dikke stoeten waren al geweest) kwam eraan, en de kat zat op de stoep, zag al die mensen aankomen, en rolde om. Hij liet zijn buik zien. En hij zei: aai me maar.

Ik liep redelijk vooraan in de stoet. Er waren drie mensen tussen mij en de kat, en de kat wachtte af. Ik ook — ik wachtte af tijdens het lopen. Stoeter 1 liep de kat voorbij zonder een blik, stoeter 2 keek wel maar liep door, en stoeter 3 stond even stil, zei iets, en ging ook verder.

De buik van de kat was voor mij.

Ik ging op m'n hurken en aaide. De kat keurde me goed. Ik aaide zijn buik, krabde achter zijn oor, en stoeide met zijn duwende achterpoten.

Zo liet ik de stoet voorbij gaan.
De kat stond op, liep een paar passen, begon zich een meter verder te wassen.
We bedankten elkaar, en ik liep verder — de stoet achterna.

# | Twee reacties | 02 September 2009

alles © Walter van den Berg.

Mijn krenten in uw pap