vandenb.com // Walter van den Berg


De pijn van de schrijver

Het was boekenbal, en ik stond met Henk van Straten te praten. We hadden het eerst over de pijn van de schrijver, en daarna ging het over mensen die dingen van je wilden. Als je boeken schrijft, en je wil graag dat ze gelezen worden, krijg je vanzelf te maken met mensen die dingen van je willen. Dat is ook pijn.
We stonden op de trap, want de trap was relatief rustig. Af en toe kwamen er groepjes mensen langs, en in die groepjes zaten dan weer schrijvers die we moesten begroeten.
Ik had het van de week met een fotograaf, zei ik. Ik was bij een ceremonie geweest, en erna wilde de fotograaf alle schrijvers die deel waren geweest van de ceremonie apart op de foto zetten.
Fotografen! riep Henk. Hij zei dat ze uiteindelijk allemaal aan hem vroegen of hij zijn shirt uit wilde doen.
Ik zei dat deze fotograaf graag wilde dat ik iets met mijn handen bij mijn gezicht deed. Dat ik ze zo deed: en ik legde mijn handen op mijn wangen.
Net als een echter schrijver, zei Henk, want die hebben hun handen altijd zo. Bij mij vragen ze altijd eerst of ik mijn mouwen opstroop om mijn tattoos lekker zichtbaar te maken, zei Henk, en daar begint het dan mee, en dan is er altijd een moment dat de vraag over het shirt komt.
Ik zei tegen Henk dat ik had gezegd dat ik het niet wilde.
Heel goed, zei Henk. Net als met die foto in je laatste boek, met die coltrui. Dat moest zeker ook van de fotograaf?
Ik knikte, want het klopte.
Kom op, zei Henk, wie ben je, Steve Jobs? Was die coltrui ook van de fotograaf?
Van de fotogra-fe, zei ik.
Nee! Riep Henk. Maar, zei hij, nu heb je dit met die handen geweigerd.
Klopt, zei ik.
Goed, zei Henk, je komt steeds verder, man. Goed.
Ik knikte weer.
Henk nam nog een slok van zijn biertje. Er kwam weer een schrijver langs, vergezeld door een BN’er.
Ik heb het toch gedaan, zei ik.
Hm? Vroeg Henk.
Ik heb het toch gedaan, zei ik. Ik heb eerst geweigerd, en daarna heb ik het toch gedaan. Uit beleefdheid.
Hij keek me een paar momenten aan. Daarna zei hij: uit pijn. Je hebt het vanuit je pijn gedaan.
O ja, zei ik.
Als schrijver doe je zulke dingen vanuit je pijn, zei Henk. Onthou dat. Beloof je me dat?
Ik beloofde het.
Daarna groetten we weer een schrijver die we allebei kenden – iemand van wie we wisten dat er veel pijn zat.

Geen reacties | Link | 27 maart 2017 | Categorie:


alles © Walter van den Berg.






Ikea, 11 uur zondagochtend

We waren met de hond naar het strand geweest. Het was zondagochtend, bijna 11 uur, en we reden terug. In de verte zagen we de Ikea van Haarlem liggen.
‘We kunnen ook zo’n doos bij Ikea halen,’ zei mijn vrouw.
‘Dat kan,’ zei ik, en ik zei dat ik daar al op de heenweg aan had gedacht, om maar aan te geven dat ik het niet vervelend zou vinden.
‘Even gaan?’
‘Even gaan,’ zei ik, en het kon ook, want er stonden al mensen voor de deuren van de Ikea. Mijn vrouw stuurde de auto die kant op. ‘Hij zal wel om 11 uur opengaan,’ zei ze, ‘dat die mensen er al staan.’
‘Ik kijk wel even op de website,’ zei ik, en ik keek op de website, en daar zag ik dat Ikea pas om 12 uur openging.
‘Maar waarom staan die mensen er dan al,’ vroeg mijn vrouw terwijl ze de parkeerplaats op reed.
We vroegen ons af of het een speciale dag kon zijn, maar we konden niets bedenken. ‘Ik vraag het wel aan iemand,’ zei ze. Ze zette de auto neer, stapte uit, en liep naar het groepje mensen voor de deur.
Daarna liep ze terug. De hond en ik keken hoe ze weer in de auto stapte.
Ze zat even stil achter het stuur. ‘Ze wachten op het restaurant,’ zei ze. ‘Het restaurant gaat om 11 uur open. Deze mensen wachten allemaal tot het restaurant van Ikea opengaat.’
We keken nog even naar de wachtende mensen. Het waren er minstens dertig.
‘Oké,’ zeiden we, en mijn vrouw startte de auto weer, en we reden weg.

Geen reacties | Link | 13 december 2015 | Categorie:

De achterkant van Paradiso

Ik reed langs de achterkant van Paradiso, vanochtend. Ik haalde een paar langzame fietsers in op de Stadhouderskade en keek naar links en zag de bult die uit het gebouw stak aan de achterzijde, en ik realiseerde me dat ik daar over een paar dagen op het podium sta. Ik zakte een beetje terug op het fietspad en stelde me voor hoe het gaat worden, een nieuwe uitgever die dingen doet als Paradiso afhuren, een nieuw boek waar streng naar zal worden gekeken omdat ik die overstap heb gemaakt en achter me belde iemand.
Sorry, riep ik half achter me, en zette weer aan, mee met de stroom, door, door naar de kantoorbaan.

Geen reacties | Link | 12 november 2015 | Categorie:

Wit, man, met privileges

Ik had mijn fiets neergezet in de ondergrondse fietsenstalling, ik had mijn pas gevonden in mijn tas, en ik was door de draaideur gebliept. Ik liep door de gang die onder het kantoorgebouw doorloopt, naar de B-toren; ik moest naar B3C.
In de keldergang knikte ik naar iemand die uit de ‘kleedkamer voor fietsers’ kwam, speciaal ingericht voor de mensen die op de racefiets komen en hun zeemleren broekjes willen ruilen voor kantoorkleren. Verderop zat ook een douche. De douche en de kleedkamer zaten onhandig ver uit elkaar.
Ik liep verder, en ik kwam bij het lifthuis van de B-toren, en de kelderverdiepingen van de lifthuizen zijn altijd rommelig; er worden dingen neergezet waar nog iets mee moest: bureau’s, wandpanelen, lege kartonnen dozen.
Nu stond er tussen de kartonnen dozen een van de Afrikaanse vrouwen die samen de schoonmaakploeg zijn, kleine vrouwen, allemaal dik, allemaal langzaam in hun bewegingen; als ze door het gebouw gaan doen ze dat door hun gewicht te verplaatsen, van de ene voet op de andere voet. De vrouw stond vuilnisbakken te schrobben.
Ik zei ‘goeiemorgen’, maar niet hard genoeg; het lifthuis was net te ruim om mijn zachte groet ver genoeg te brengen. Ik drukte op de knop van de lift en ik wachtte op de lift die me naar mijn verdieping zou brengen, naar mijn bureau waar ik acht uur zou zitten tegen een uurtarief dat waarschijnlijk het vijfvoudige was van wat de vrouw nu aan het verdienen was met het schrobben van die vuilnisbakken, en ik stond met mijn rug naar de vrouw die mijn goeiemorgen niet had gehoord of die ervoor had gekozen mijn goeiemorgen niet te willen horen, en ik vond die keuze volledig gerechtvaardigd.

Geen reacties | Link | 11 november 2015 | Categorie:

Lichtsignalen

Wij rijden auto, maar dat is redelijk nieuw voor ons, hoewel we allebei al flink lang ons rijbewijs hebben. Dat resulteert in elkaar complimenten geven over het rijden, en in commentaar geven bij je eigen handelingen.
We reden van het weekend over de Bos en Lommerweg, en er stond een mevrouw op haar fiets te balanceren, wachtend tot wij voorbij waren. Ik besloot vaart te minderen en het pookje bij mijn linkerhand te gebruiken: ik gaf haar een lichtsignaal.
Het gezicht van de mevrouw brak stralend open, en hup, daar ging ze, fietsend de wereld in!
‘Ik gaf lichtsignalen,’ zei ik tegen Robin, commentaar gevend op mijn eigen handeling.
‘Die mevrouw ook,’ zei Robin.

Geen reacties | Link | 5 augustus 2015 | Categorie:

Krom

Er blafte een hond, fel en kort. We keken op en we zagen een man gehaast uit het koffiehuis weglopen. De man had een grote kin, Bob-Rosshaar, kleurige kleren, en hij liep voorovergebogen, krom, beschadigd. Het scenario dat zich waarschijnlijk had afgespeeld: man komt koffiehuis binnen, ziet hondje, buigt naar hondje, hondje blaft.
Het hondje moest hem niet.
Iedereen in het koffiehuis had opgekeken, en een vrouw zei over de hond: ‘nou, hij heeft er wel een neus voor.’
Ik keek hoe de man buiten een rugzak in een fietstas liet zakken, en onhandig de Haarlemmerdijk overstak, de fiets aan zijn hand. Nog steeds krom. Misschien nog wel iets meer beschadigd. Het hondje moest hem niet. De eenzaamheid die zijn kromme rug uitstraalde was verpletterend.

Geen reacties | Link | 13 juni 2015 | Categorie:

Zoek de vrijheid, Miguel

De rij voor de patatboer in de Voetboogstraat was kort toen we aankwamen. We hadden mazzel. De rij kwam achter ons.
De patatboer in de Voetboogstraat is een open loket waar je je patat bestelt. Achter het loket stonden twee dikkige jongens die eruit zagen alsof ze uit Noord kwamen, maar dan niet het hippe Noord. Misschien kwamen ze zelfs uit Ilpendam.
De jongen op rechts nam de bestellingen op, de jongen op links nam het geld aan.
Achter hen stonden nog twee jongens. Die jongens kwamen niet uit Ilpendam. Achterin stond er één aardappelen door een snijmachine te duwen. Tussen hem en de Ilpendammers stond de ander de patat te bakken.
De Ilpendammer op rechts zei tegen de patatbakker dat hij er nog een lading in mocht gooien. Hij had gelijk: de rij kwam nu al tot aan de Heiligeweg.
Wij waren aan de beurt. We bestelden twee patat en een flesje Fanta.
De Ilpendammer op links was een meter van de Fanta verwijderd.
De patatbakker was er anderhalve meter vandaan, en hij was bezig met een lading patat.
Miguel, zei de Ilpendammer op links, Fanta.
Miguel de patatbakker liet zijn patat een moment voor wat het was en reikte achter zich naar de koeling.
De Ilpendammer op links pakte de Fanta aan en zette hem voor me neer. Ik rekende met hem af.
Miguel roerde door de patat in de frituur.
De Ilpendammer op rechts nam weer een bestelling aan. Een toerist wilde patat en sparkling water.
Miguel, zei hij, sparkling water.
Miguel reikte naar de koeling en pakte een flesje water. Het water sparkelde niet.
Spárkling water, zei de Ilpendammer op rechts.
Miguel zette het niet-sparkelende water terug en pakte een sparkelend flesje. Daarna ging hij weer terug naar zijn patat.
Even had niemand iets te doen. Iedereen wachtte op de patat in de frituur.
Morgen lekker vrij hè, Miguel, zei de Ilpendammer op links. Hee Miguel. Morgen lekker vrij hè?

Geen reacties | Link | 4 mei 2015 | Categorie:

Een autoband en een parasol

Op de Amstelveenseweg stapten twee mannen een portiek uit. Ze hadden allebei een muts op die duidelijk maakte dat uiterlijk vertoon niet direct een vereiste was in hun belevingswereld. De eerste man had een plastic tasje vast, de tweede man droeg een autoband en een parasol. De parasol was wit met bruine accenten. Als de parasol uitgevouwen zou zijn, zou er een kringellijntje langs de rand lopen, en aan die rand hingen bruine sliertjes. Het wit was overigens niet heel wit meer.
De tweede man was de aangewezen persoon om de deur achter zich te sluiten; de eerste nam geen aanstalten, hoe vol de handen van de tweede ook waren. De tweede man zette daarom de parasol tegen de muur naast de deur, reikte naar binnen, en trok de deur dicht. Daarna pakte hij de parasol weer.
Zwijgend liepen de mannen de Amstelveenseweg af, in de richting van het Vondelpark.
Het was dinsdagochtend, kwart over acht, en de dag kon beginnen.

Geen reacties | Link | 10 februari 2015 | Categorie:

Een standaard groen tennisballetje

We waren gaan zitten, en toen we allemaal zaten, zei de man die bij de vergadering was aangesloten dat we moesten gaan staan.
Hij had een balletje meegenomen. Een standaard groen tennisballetje. Ik weet niet of de standaardheid van het balletje een betekenis had, maar het had me niets verbaasd, want de man die bij de vergadering was aangesloten straalde een en al betekenis uit.
We gingen staan, en hij zei dat we misschien maar even weg moesten bij de tafel. Dat was inderdaad niet onverstandig. Er stonden kannen met versgeperste jus op tafel, en er stonden glazen op pootjes bij. Glazen op pootjes en tennisballetjes zijn geen vrienden van elkaar.
Hier past een korte terzijde: de vergaderingen van mijn afdeling zouden door mensen die kwaadwillend staan tegenover onnodig geld uitgeven als decadent kunnen worden gezien. We hebben vaak een krokettenoverleg, bijvoorbeeld, waarbij de broodjes kroket al klaar staan als we plaatsnemen. Hoewel dat niet per se als onnodig geld uitgeven gezien hoeft te worden, want iedereen gaat altijd met plezier naar een krokettenoverleg, en dat is ook wat waard.
De man die bij de vergadering was aangesloten vertelde met het balletje in zijn handen wat de bedoeling was: we moesten elkaar het balletje toewerpen, en degene die het balletje had, moest met één woord duidelijk maken wat hij of zij verwachtte van deze vergadering.
Er raasde even een lichte paniek door mijn lichaam, want ik had het vergaderverzoek geaccepteerd zonder verder naar de bedoeling van de vergadering te kijken. Ik verwachtte dus helemaal niets, en dat was vast niet heel erg done om te zeggen als het balletje in je bezit was: ‘niets!’
Gelukkig was ik niet de eerste die het balletje kreeg.
De eerste die het balletje kreeg, riep: inspiratie!
Het balletje ging naar een redelijk willekeurig volgende persoon, en die zei enthousiast: kennis!
Daarna was er iemand die vol verve zei: passie!
Toen ging het balletje naar mij en ik zei: ik hoop dat ik dit ooit normaal ga vinden!
Maar ik denk dat ik eigenlijk bedoelde: ik hoop dat ik dit nooit normaal ga vinden.

Geen reacties | Link | 4 september 2014 | Categorie:

Wanstaltig dronken

Vorig jaar was ik lezer bij de leesclub van Joost de Vries, op het Dasmag-festival. Op dat festival worden op één avond 30 leesclubs over heel Amsterdam georganiseerd, op spannende locaties, en er is een ‘eindfeest’ in (dit jaar) Roest. Mijn lezer zijn bij Joost, vorig jaar, had allerlei voordelen: ik kreeg het boek van Joost in de bus terwijl het officieel nog niet uit was, ik kon een keer zien hoe zo’n leesclub eruit zag, en er was een feestje na. Bovendien werd Joosts club in de oude werkkamer van Harry Mulisch gehouden. Ik verbaasde me over de intelligente vragen die werden gesteld, en bij de aanvang van het feestje was een van de schrijvers (niet Joost) zo dronken dat hij een taxi ingedragen moest worden. Een bijzondere avond dus.
Dit is reclame voor mijn eigen leesclubavond op het nieuwe Dasmag-festival. Als je Van dode mannen win je niet nog niet hebt gelezen (heel veel sterren, ballen en lof gekregen) én je wil graag zo’n avond meemaken, kan je je nog inschrijven. Je krijgt een boek thuisgestuurd, samen met wat hippe merchandise van Dasmag, je kan een paar uur intelligente (of minder intelligente) vragen aan mij stellen op een vast spectaculaire locatie, en daarna kan je feesten tussen schrijvers die wanstaltig dronken worden (dat ga ik niet zijn, maar ik beloof minstens één wanstaltig dronken schrijver).

Geen reacties | Link | 14 mei 2014 | Categorie:

Bewonderend, dagdromend

Ik fietste door Duivendrecht, langs de flats waar de balkons afwisselend vol bloemen of vol verwaarlozing hangen, over het fietspad waarvan de tegels langzaam aan het afkalven zijn. De spleten tussen de tegels worden steeds breder en zouden nu al een flink kinderfietsje op kunnen slokken. De velden aan de voeten van de flats waren net gemaaid. De laagste flat waar ik langskom heeft een plantsoen dat bijgehouden wordt door een bewoner; ik heb hem een paar keer zien schoffelen, een tuinslang over zijn balkon om zijn betrokkenheid te benadrukken.
Het maaien was professioneel werk geweest. Er was een mannetje op een maaimachine langsgekomen en die had, ongetwijfeld met een shaggie in zijn mondhoek, nonchalant pirouettes gedraaid over het gazon. Ik vroeg me af of de amateurtuinman daarbij over zijn balkon had gehangen, aanwijzingen gevend, of anders: bewonderend en dagdromend.
Ik moest denken aan de dagen dat ik op de Rendorpschool in Slotermeer naar buiten had zitten kijken als de grasmaaier langskwam. Ik was bewonderend en dagdromend geweest. Op zo’n machine zitten, met machtige slagen van de messen het gras afkappen.
Ik fietste verder, draaide onder het kleine viaduct door, en daar stond een groepje in oranje pakken de perkjes aan te harken. Ik probeerde nog even te bewonderen, te dagdromen, maar daar bleek toch die machine voor nodig te zijn.

Geen reacties | Link | 13 mei 2014 | Categorie:

Een potje met vet

We reden.
Ik zat achter het stuur en zong liedjes mee van mijn autorij-playlist, Het Meisje las een boek en de hond lag op de achterbank te slapen.
We zaten ergens tussen Brabant en Utrecht (ervaren autorijders noemen dan een letter en een cijfer, maar zover ben ik nog niet) en er reed een auto voorbij met een groot achterraam. Ik had de vorige dag nog tegen Het Meisje verteld dat er een periode in een jongensleven is waarin die jongen alle automerken en types uit elkaar kan houden, maar die tijd is bij mij lang voorbij. Ik zag alleen het grote achterraam, en achter dat grote achterraam zat een golden retriever vrolijk naar buiten te kijken.
Kijk, zei ik tegen Het Meisje, een golden. Het Meisje is fan van goldens.
O, zei ze, kijk ‘m vrolijk een liedje zingen. En ze zong, met de stem van de golden, Een potje met vet.
Een kwartier later werd onze hond op de achterbank wakker. Heb ik nog wat gemist? vroeg hij.
We zagen een golden retriever langsrijden die ‘Een potje met vet’ aan het zingen was, zei Het Meisje.
Bij welk couplet was ie? vroeg de hond.
Het veertiende, zei Het Meisje.
De hond legde zijn kop weer neer, met een zacht gemompeld ‘aha’, waar we verder niets uit op konden maken.

Geen reacties | Link | 12 mei 2014 | Categorie:

Bijna weekend

Het weekend is er bijna.
Geen vorm van energie die door een gebouw, een metro, de stad zoemt, is duidelijker voelbaar dan de het-weekend-is-er-bijna-energie. Er staan minder mensen op het perron, en die mensen hoeven nog maar een dagje te werken. Er zijn minder mensen op kantoor, en het aantal spijkerbroeken is er omgekeerd evenredig gestegen.
Dit gaat een goed weekend worden, want Het Meisje is vrij. Ze werkt in de horeca, en horecamensen zeggen altijd: dat weet je, in de horeca: dat betekent ’s avonds en in het weekend werken.
Maar als het goed is, is dat voorbij, nu: haar weekenden zijn vrij. Dus dit wordt drie avonden samen gaan slapen en twee ochtenden samen wakker worden. En niet meer, bijvoorbeeld, alles uit de zondagmiddag sleuren omdat ze om 5 uur op het werk moet zijn en ik haar niet meer zie tot een uur of 2 ’s nachts.
Ik heb vanochtend op een metroperron gestaan dat leger was dan op andere dagen, ik zit op kantoor, leger dan op andere dagen, de radio staat een streepje harder, de mannen die op andere dagen in een pak de afdeling over wandelen dragen nu onwennig een spijkerbroek — wat in hun geval ook een uniform is, maar het is te vergeven, ze dragen bij aan het vrijdaggevoel.
Het weekend is er bijna, en het wordt een goed weekend.

Geen reacties | Link | 9 mei 2014 | Categorie:

Dagstart

Het vorige kantoor waar ik zat, werkte met ‘battles’. Er werden teams gemaakt, en die teams ‘battelden’ om resultaten. De teamleiders vergaderden met elkaar, en bij die vergadering trokken ze groene legerjasjes aan.
Op het kantoor waar ik nu zit, wordt met een programma gewerkt waar elke dag een ‘dagstart’ bij hoort. Bij een dagstart staat de afdeling in een kringetje en wordt er gepraat over ontwikkelingen. Daar horen ook bepaalde rituelen bij; we moeten bijvoorbeeld aangeven wat onze ‘mood’ is. Een mood kan groen, oranje of rood zijn. Je mood mag oranje of zelfs rood zijn als je trein is uitgevallen die ochtend. Het wordt dan wel op prijs gesteld dat je vertelt waarom je oranje of rood bent (“Mijn trein was uitgevallen.”).
Bij zo’n dagstart hoort ook een voorzitter die verplicht is te zeggen dat we het ‘iedere dag een stukje beter’ moeten doen.
Vanochtend was het niet duidelijk wie er moest zeggen dat het iedere dag een stukje beter moet. Er zaten drie mensen aan mijn bureaueiland in excell-sheets te kijken.
“Jij bent voorzitter.”
“Ik ben pas in juni voorzitter.”
“Ik ben vorige week voorzitter geweest.”
“In dit document staat dat jij voorzitter bent.”
“In dit document niet.”
Een dagstart binnen de dagstart om een mood aan te kunnen geven over de dagstart: ik zie het nog gebeuren.

Geen reacties | Link | 8 mei 2014 | Categorie:

Denk aan je rug

Onze hond heeft artrose. Hij mag niet al te veel beweging meer hebben, dus we maken geen lange wandelingen meer. We gaan een paar keer per dag een kort rondje met ‘m lopen, en we zijn blij als we merken dat hij blij is. Die blijheid kan ook een probleem zijn: van blijheid gaat hij bewegen, en van bewegen krijgt hij pijn. En tegen je blije hond zeggen dat hij moet stoppen met blij zijn — dat beitelt kleine stukjes van je hart af.
Gisteren liepen we rustig langs het gras, en er kwam een jonge hond op onze hond afrennen. Er werd gesnuffeld, er werd vriendschap gesloten, en er werd gespeeld. Rustig, Banjer, zei ik, denk aan je rug, meer om aan de baas van de jonge hond te laten merken dat ik onze hond niet tot rust maande omdat ik een vervelend persoon was, dan dat ik verwachtte dat Banjer daadwerkelijk aan zijn rug zou denken.
De jonge hond liep door, wij liepen rustig het park uit.
Toen we dertig meter verder waren, bleef Banjer stilstaan.
Lukt het niet meer, jochie?
Nee, het lukte niet meer.
Ik schepte hem van de grond en tilde hem naar huis. Hij zette een voorpoot tegen mijn onderarm en leunde zijn lichaampje tegen het mijne.

Geen reacties | Link | 7 mei 2014 | Categorie:

Een kleine stad

Het kantoorgebouw is een kleine stad. Er zijn torens waar mensen zitten, en als ze niet zitten, lopen ze door een lange gang die de torens met elkaar verbindt.
Het is een stad en geen dorp omdat mensen die elkaar niet kennen elkaar niet groeten.
De eerste keer dat ik in zo’n groot gebouw rondliep, knikte ik naar iedereen die ik tegenkwam, maar dat was niet de bedoeling, werd me toen duidelijk. Ik leerde het snel af.
Er lopen mannen in pakken en jongens op gympen. Ik loop op gympen.
Er zijn mannen in overall. Een stad heeft riolering nodig. Een stad moet gevoed worden, dus er is een bedrijfsrestaurant. Ik kom er niet meer; als je ergens gaat werken, is het een kwestie van uitvinden hoe je pauzes het beste werken. Hier is dat: naar buiten gaan. De stad uit.
Een stad heeft ook ontspanning nodig, dus er zijn twee koffietentjes aan de uiterste kanten van het gebouw. Aan de ene kant maken ze je koffie met een grote espressomachine, aan de andere kant zetten ze een kartonnen beker onder een tuutje en drukken ze op een knop.
Bij de koffie uit een knop zitten de mannen in pakken te vergaderen. Ze zouden het zelf ‘informeel’ noemen.
De jongens op gympen halen koffie aan de andere kant.
Waarschijnlijk hebben we daar een gevoel van vrijheid bij.

Geen reacties | Link | 6 mei 2014 | Categorie:

Aangrijpingspunt

De motor sloeg af. Voor de vierde keer.
Ik stond voor de poort van de opslag en tikte de code voor de vijfde keer in. Sterretje, acht cijfers, hekje.
De poort schoof langzaam open. Ik liet mijn koppeling opkomen. De motor sloeg af. Voor de vijfde keer.
Ik had de Greenwheels van een paar straten verder gepakt omdat de onze al weg was. Het hebben van een Greenwheels-abo geeft het al aan: ik rij niet zo vaak.
Ik heb ooit mijn rijbewijs mogen halen op kosten van de baas, in een cursus van twee weken heel veel autorijden — en daarna heb ik nooit meer gereden. Nou ja, sinds kort dus weer.
In ‘onze’ Greenwheels gaat dat rijden heel goed, maar dat is een Volkswagen Up met een lekker aangrijpingspunt, en ik ben zo iemand die dat nodig heeft, een aangrijpingspunt. Nu zat ik in een Peugeot 107 die duidelijk vond dat aangrijpingspunten voor mietjes waren.
De poort van de opslag schoof weer dicht; het was een poort die niet deed aan wachten tot er ook daadwerkelijk iemand door ‘m heen was gegaan.
Ik begon weer met de routine van sterretje, acht cijfers, hekje. Het schermpje zei dat ik bij binnenkomst ook mijn code in moest geven. Dat had ik gedaan, wilde ik zeggen, maar ik kan maar geen aangrijpingspunt vinden.

Geen reacties | Link | 5 mei 2014 | Categorie:

1988

Ik heb vroeger schoongemaakt op een kantoor. Het was 1988 en in de avond fietste ik naar het kantoor van De Telegraaf bij Sloterdijk, en ik stofzuigde dan de gehele derde verdieping.
In die tijd leerde ik die vloer goed kennen. Ik wist waar de hydrocultuurkorrels naast de plantenbakken lagen, ik wist onder welk bureau er twintig of dertig verbogen paperclips zouden liggen, en ik wist waar de broodresten lagen.
Ik denk dat ik me toen voornam nooit paperclips te gaan buigen in wat voor zenuwtrek de bewoner van dat bureau ook had, of ze althans niet op de vloer te gooien, nooit broodresten te laten vallen (en te laten liggen), maar ik denk ook dat ik me niet voor kon stellen ooit op kantoor te gaan zitten. Toen ik toch op een kantoor terechtkwam, ben ik een ochtend lang onder de indruk geweest van mijn eigen telefoon.
Maar dat is geweest, en als ik ’s ochtends binnenkom en mijn vaste flexplek is bezet, dan ben ik even humeurig, zet me eroverheen, en zit vervolgens acht uur op kantoor, en er zijn niet veel dingen op een kantoor meer die indruk op me maken.
Op vrijdag is het rustig, dus mijn plek is vrij, en ik zit alleen aan het eiland. En als ik onder mijn bureau kijk, zie ik een opengevallen doosje paperclips tussen de kruising van de vier aansluitende tafelpoten van het eiland liggen, en ik weet dat het dat doosje er al lang, lang ligt, en ik neem me weer voor het vanmiddag eens op te ruimen.
1988 is lang geleden.

Geen reacties | Link | 2 mei 2014 | Categorie:

Uw speciale vriendin

Ik moet u iets vertellen over iemand in uw vriendenkring. Ik zal geen namen noemen, maar het gaat over een vrouw. U zou over haar spreken als een ‘speciale vriendin’.
U kent haar goed. Dat is niet per se omdat u haar veel ziet of omdat u way back gaat, maar u krijgt bij haar altijd het gevoel dat ze bij u, en speciaal bij u, een open boek is. Het hart ligt op de tong als ze u spreekt. Ze moet bij u altijd ‘echt even haar verhaal kwijt’. Daarom heeft u een speciaal gevoel bij haar. Ja, zal u zeggen als het over haar gaat: het voelt toch alsof we een speciale band hebben.
Welnu: die speciale band heeft ze ook met 27 anderen.
Waarom ik dat weet?
Nou, kijk: uw speciale vriendin verveelt zich in het Openbaar Vervoer. En om haar verveling tegen te gaan belt ze u. Ze leest geen boek, ze speelt geen Candy Crush, ze belt u. Als ze u belt, ‘moet ze haar verhaal kwijt’ aan u, wat betekent dat u er geen woord tussen krijgt, en als ze haar verhaal kwijt is, BELT ZE HAAR ANDERE 27 VRIENDINNEN MET PRECIES HETZELFDE VERHAAL.
Ik weet dat omdat ik heel, heel vaak met haar in het OV zit.

Geen reacties | Link | 1 mei 2014 | Categorie:

Ondertussen is het straks

Naar kantoor gaan en eten – dat kan wel eens problematisch zijn.
Dat problematische is natuurlijk van het gehalte ‘first world problems’; ik waarschuw maar vast.
Vanochtend had ik geen zin om brood te smeren. ‘Ik zie straks wel’, dacht ik, en nu is het zover. Het is ondertussen straks, en ik moet het zien, maar ik zie het niet.
Dat wordt weer een veel te duur broodje kopen, belegd, en niet eens zo lekker. En daar maakt een mens zich dan druk om. Wat ik al zei: first world problems.
De collega die vandaag naast me zit heeft hipsterbrood. Kijk, zei ze, ik heb superbrood. Ze zei dat het heel lekker was en dat er spelt in zat.
Ze had een bakker gevonden in Reigersbos. Haar vriend woont in Gein, daar slaapt ze een paar dagen, en ze was op zoek gegaan naar een bakker. Ze vond er een, Jongejans, en hij had hipsterbrood.
In Reigersbos? vroeg ik.
In Reigersbos, zei ze.
Gein en Reigersbos – andere mensen zouden dat ‘De Bijlmer’ noemen.
Wij, u en ik, kunnen vandaag al voorspellen dat de volgende hipstercluster zich in ‘De Bijlmer’ zal vestigen. Als het speltbrood er is, zullen de hipsters volgen.
Maar goed; ik weet nog steeds niet wat ik moet eten.

Geen reacties | Link | 30 april 2014 | Categorie: