vandenb.com // Walter van den Berg


Astrid Joosten is hoofd bij sales

Ik zou een serie kunnen maken over mensen met beroemde namen die een niet-zo-beroemde baan hebben.
Omdat ik overal en nergens werk, zoals dat heet, hoor ik heel veel namen, en ik kan nog steeds niet anders dan een kort lachje lachen als ik weer een beroemdheid een heel normale baan zie hebben.

Ik hoorde vandaag iemand zeggen ‘dan moet je even Astrid Joosten bellen, die is hoofd bij sales.’
Op mijn vorige afdeling liep er een leidinggevende rond die Jos Brink heet.
Bij een andere klus heb ik een keer de hand geschud van een heel grote man die zich voorstelde als Roel van Velzen.

En dat blijft zo maar doorgaan. Het is niet eens grappig meer.
Ach, laat ook maar.

Geen reacties | Link | 28 april 2015 | Categorie:







Honden, en waarom ze beter zijn dan katten

Dit stuk heb ik in 2009 geschreven voor de VARA-gids. “Mijn hond, Banjer, 10 jaar,” staat ergens op de helft, en dat zou nu “Onze hond, Banjer, 16 jaar” moeten zijn, maar Banjer is een paar weken geleden ingeslapen. Hij was op, en het was goed zo, maar we missen hem, want het was onze kameraad.

Toegeven dat je wel kan lachen om André van Duin – zo voelt het ook een beetje als je zegt dat je van honden houdt. Mensen die denken te weten waar het om gaat, die uit kunnen leggen waarom André van Duin juist niet grappig is, weten ook altijd waarom katten veel beter zijn. Het is het soort volk dat de keuze heeft gemaakt voor de next best thing – nou ja, niet voor honden dus.

Dat soort volk hoor je dan nooit een keer zeggen: ik ben meer een slangenmens. En dan niet in de zin van: het is mijn hobby mezelf in weekendtassen te vouwen. Nee, zij zijn gevallen voor warme, harige dieren die lekker te knuffelen zijn en die niet angstig wegrennen als je naar ze bukt (zoals cavia’s en konijnen – oefenbeesten voor als je te jong bent voor een echt huisdier). Katten komen heel dicht in de buurt van honden, maar ze missen één ding: ze houden niet van je.

Waar kattenmensen altijd op hameren is de eigen wil van hun huisdier.  Nee, hij heeft nu geen zin om te komen, ach ja, eigen willetje hè. Nee: die kat heeft geen zin jou een pleziertje te doen want die kat houdt niet van je.

Mijn hond komt altijd. Ik hoef ‘m maar aan te kijken en hij begint al te kwispelen. Als je ’t zegt, kom ik hoor, baas!
En als ik het zeg, vindt hij het zo’n gigantisch feest dat zijn hele lijf kwispelt.
Dom, zeggen kattenmensen dan.

En als je dan vraagt waar je aan kan zien dat katten slimmer zijn, komt het argument er altijd op neer dat je een kat niks kan leren.  Oh ja, want niks kunnen leren is een kenmerk van intelligentie.

Ik ken een hond die op een boerderij woont en op die boerderij woont ook een stel paarden. De hond weet dat de paarden het leuk vinden om andere paarden te zien, dus als hij in de verte andere paarden aan hoort komen, gaat hij zijn paarden waarschuwen. Jongens! Kom snel kijken! De hond weet ook dat zijn baas het leuk vindt oldtimer tractors te zien. Nieuwe trekkers zijn niet interessant, maar als er een oude aankomt, gaat hij de baas halen. Baas! Kom snel kijken!

Ik denk niet dat er veel andere diersoorten zijn die conclusies kunnen trekken over het soort tractors waar de baas voor gewaarschuwd moet worden.

Waarschijnlijk heeft de hond de reputatie van dommerd omdat ie alles gezellig vindt. Mensen die alles gezellig vinden worden vaak ook niet al te hoog ingeschat.

Maar goed: heb ik de aanval nodig om mijn liefde voor honden te verdedigen?
Mijn hond, Banjer, 10 jaar, vorig jaar uit het asiel gehaald, is mijn maatje. Ik kan met Banjer over straat lopen en hij kan dan even opkijken en oprecht naar me lachen: supertof dit, baas. En je kan dan bijna niets anders doen dan teruglachen en zeggen dat het inderdaad heel leuk is. Lopen met je kameraad.

En dan andere honden. Tim van mijn vriendin die juicht als ik kom (mijn vriendin heeft een feilloos talent om de stem van elke hond te pakken – Tim klinkt als een puber die de baard in de keel begint te krijgen en vindt dat ik zijn beste vriend ben, Banjer is een mietje en klinkt altijd een beetje recalcitrant als mijn vriendin er is), Deaf die auditief gehandicapt is en dat altijd als excuus gebruikt (zijn vaste uitspraak is ‘sorry hoor’ met de nooit hoorbare toeving ‘dat ik besta’), Lola de dikke pitbull in het park die heel uitbundig met Banjer speelt maar ook altijd één seconde bij mij komt kijken en dan heel hard HOI roept; en de oude Goldens. Mijn vriendin heeft een zwak voor Golden Retrievers, en dan het liefst de Goldens die mooi diepbruin zijn en een paar grijze haren rond de neus hebben – oude Goldens zouden de wereld moeten besturen met hun wijsheid en hun liefheid.

Als ik een hond zie en die hond ziet mij en hij groet me – dat doen ze, ze zeggen hoi, allemaal op hun eigen toon – dan heb ik het zwaar, want eigenlijk wil ik aaien, knuffelen, een kus op de neus drukken.

Dat doe ik niet.

Ik weet eigenlijk wel dat het raar is.  Misschien heb ik die aanval daarom nodig.
Ik weet eigenlijk wel dat André van Duin flauwe grapjes maakt. En ik hou ook van katten. Hoe katten zeggen dat ze je stom vinden maar dat je ze best mag aaien – dat is charmant. Maar ik begrijp mensen die honden niet het allerleukste vinden niet. Hoe ze hoi zeggen. En alles supertof vinden.

Geen reacties | Link | 14 januari 2015 | Categorie:

Op repeat

We liepen door de nieuwe Albert Heijn in de Jan Evertsenstraat en we hoorden het weer: een idiote uitvoering van David Bowie’s Heroes, een soort dance-achtig iets, de zang door een schellige dame. Zo vaak kwamen we niet bij die Albert Heijn, en langer dan 10 minuten waren we er nooit binnen, dus de kans was dik dat je die Heroes zes keer aan moest horen als je een half dagje vakken aan het vullen was.

Muziek die uit luiheid herhaald wordt: ik kan er erg verdrietig van worden. Winkels die maar één cd hebben. Of een veel te korte playlist. Of gewoon luiheid; zet die rommel maar op repeat, niemand die het hoort. Ooit zwom ik regelmatig in het Sportfondsenbad dat toen nog achter het blok van de nieuwe Albert Heijn lag. Daar kwam veel te regelmatig Ain’t no shunshine when she’s gone van Bill Withers langs. Ik kan Bill Withers niet meer horen zonder aan dat trieste zwembad te denken.

Of nog erger: zo’n gebrek aan smaak dat de draaier niet doorheeft dat je een plaat vermoordt als je ‘m meer dat 600 keer achter elkaar draait. Ik heb een vakantie lang in de auto naast Ruud gezeten; Ruud reed en koos dus de muziek. Ik heb toen de cd van Postmen 628 keer gehoord. Vakkundig vermoord, dus.

Geen reacties | Link | 2 november 2014 | Categorie:

Het worstelen en het klapstoeltje

In de metro naar Ahoy zaten twee jongens. Nummer 1 had thuis een wapenverzameling, en nummer 2 had thuis een altaartje ingericht voor nummer 1. Enge jongens. Rotterdammers, dacht ik, op weg naar een schietbaan (camouflagebroeken, en nummer 1 droeg handschoenen met rubber stroken op de knokkels bij zijn zwarte t-shirt), maar ze stapten ook uit waar mijn neefje en ik uitstapten: ze gingen naar het worstelen.

Toen Sky Channel nog op de kabel zat

Het worstelen: toen ik 13, 14 was en Sky Channel nog op de kabel zat, kwamen elke vrijdag of zaterdag alle helden van de World Wrestling Federation op tv. Hulk Hogan was de bekendste, maar die was zo bijzonder dat ze ‘m bewaarden voor speciale gelegenheden; André the Giant, The Iron Sheik, Rowdy Roddy Piper die later schreeuwend blenders ging verkopen bij Tell Sell — helden. De WWF bestaat nog steeds, maar er is een E gekomen op de plek van de F om verwarring met andere organisaties te voorkomen.

Mijn neefje bleek groot fan te zijn van de helden van nu, en die helden zouden naar Nederland komen. Het Meisje kwam met het idee dat ik hem mee moest nemen als verjaardagscadeau. Mijn neefje was er bijzonder blij mee. En ik verwachtte een opkomst van stellen zoals wij: mannen die hun zonen of hun neefjes meenamen. Maar toen we het plein voor Ahoy opliepen, bleek de verzameling gekkies zoals ik ze in de metro opgemerkt had, groter dan de hoeveelheid kinderen die met vaders of ooms meegingen.

Net zo gespierd als je helden

Duitse gekkies, gevonden op de.wwe.comIk zag diverse mannen die heel graag net zo gespierd wilden zijn als de helden in de ring, en daar deden ze hun best voor, maar ik zag bij meerdere van die mannen in de ogen dat het eigenlijk jongetjes waren die er nog wel voor zouden zorgen dat mensen niet meer om ze zouden lachen.
En in de rij voor de patat zag ik een man die ouder was dan ik met een duur leren jack met een embleem van een van de worstelaars groot op de rug. Zijn vrouw stond naast hem, en ze hadden geen kind bij zich.
Bijzonder.

Maar het worstelen! Het worstelen bleek nog als vanouds. Er waren goeieriken en er waren slechteriken, en het enige dat je hoefde te doen om ze te herkennen was luisteren naar het publiek: werd er gejuicht of werd er gejoeld?
En het spektakel: natuurlijk werd er bij elke voorzichtige vuistslag ook op de vloer van de ring gestampt, maar de sprongen van de touwen waren hoog, de backbreakers moesten goed afgesproken zijn, want ze zagen er overtuigend uit.
Mijn neefje liet zachte oeh’s en ah’s horen, en hij balde zijn vuistje als een van zijn helden een wedstrijd had gewonnen. En ergens tijdens een wedstrijd stapte een van de worstelaars buiten de ring en pakte hij een gereedstaand klapstoeltje (and the crowd goes wild!) om daar zijn tegenstander mee te bewerken. Het klapstoeltje bleek nog steeds een iconisch en onmisbaar attribuut bij het showworstelen te zijn. Ik genoot, en mijn neefje ook.

Trotse tijger

Toen ik nog een keer in de rij ging staan voor een hotdog, stond er voor mij een volwassen man die zijn gezicht had beschilderd alsof het koninginnedag was en hij een kraampje had gevonden waar het schildertje van dienst nog niet zo veel had geoefend op de tijger die hij met trots droeg.
Ik ging terug naar onze plekken met twee hotdogs, en m’n neefje vertelde wat er in de tussentijd was gebeurd.
Mooi, zei ik, cool hoor.

Op de terugweg in de metro ging m’n neefje zitten naast een man voor wie de helden die hij net had aanschouwd belangrijker waren dan er een beetje behapbaar uitzien voor zoiets onbelangrijks als, zeg, de wereld.
Vond je het leuk? vroeg ik mijn neefje.
Ik vond het kapot leuk, zei hij.
Ik keek nog even naar de man die naast hem zat en besloot dat ik mijn neefje tot zijn zestiende zou geven om het worstelen kapot leuk te blijven vinden.

Geen reacties | Link | 26 mei 2014 | Categorie:

Kieft

Ik heb Wim Kieft ooit een hand gegeven; iemand stelde me aan hem voor en ik deed of het de normaalste zaak van de wereld was, Wim Kieft een hand geven. Maar hij was een held voor me omdat ik me een bepaalde reportage herinnerde, in de periode dat Barend en Van Dorp voor Nieuwe Revu schreven – in die reportage vertelde Kieft dat hij boeken was gaan lezen toen hij bij Bordeaux zat. Nederlandse literatuur, echte boeken.

gevonden op http://www.voetbalstats.nl/listlandnedxi.php?landid=24En er was natuurlijk 1988. Dat ene buitenspeldoelpunt tegen Ierland, waardoor Nederland in het toernooi bleef, waardoor Nederland West-Duitsland kon verslaan en uiteindelijk, in West-Duitsland, Europees kampioen kon worden.

Het Meisje werkt in een café, en Wim Kieft komt af en toe gehaast binnen in dat café. Ik heb hem er twee of drie keer binnen zien komen en weer weg zien gaan, en Het Meisje kwam dan bij me staan terwijl ik hem nakeek. Kieft is niet per se een fijne klant; hij bestelt kortaf, haastig, maar ik zei tegen Het Meisje dat ze hem dat niet kwalijk mag nemen.

Ik zei dat hij niet alleen belangrijk was geweest voor het voetbal; hij was ook belangrijk geweest voor de Nederlandse geschiedenis, voor de verwerking van die geschiedenis.
Tot 1988 haatten heel veel Nederlanders De Duitser. Duitsers waren nog steeds moffen; ze waren arrogant en ze moesten onze fietsen teruggeven.

Maar ik heb het woord ‘moffen’ al heel lang niet meer gehoord.

Natuurlijk, zei ik tegen Het Meisje: het is niet alleen voetbal. Het is de EU, de welvarendheid, de hipheid van Berlijn. Maar 1988, het winnen van De Duitser, was het laatste zetje dat nodig was om een trauma te verwerken. Duitsers kregen na 1988 de gelegenheid normale mensen te worden. Het WK in 1990, het spuugincident met Frank Rijkaard (held!), was nog een kleine piek van Duitserhaat, maar dat voelde anders: we hadden een hekel aan Lothar Matthäus, aan Rudi Völler. We waren niet meer overtuigd van onze algemene Duitserhaat.

Ik heb geen hekel meer aan Duitsers. Ik vertelde Het Meisje dat ik een normale onschuldige hekel aan Duitsers als kind mee had gekregen, en nu worden er geen kinderen meer opgevoed met die hekel. Dat komt door Wim Kieft, zei ik.

Ik wist dat ik overdreef, maar ik vond dat hij mijn overdrijving verdiende. Van Basten won de wedstrijd tegen Duitsland. Maar Wim Kieft maakte die wedstrijd mogelijk. En hij las boeken.

Geen reacties | Link | 20 mei 2014 | Categorie:

Gelijk

We gingen de hond uitlaten, het laatste rondje, en om de hoek had iemand zijn auto dubbel gezet. Achter die auto stond een rijtje van vijf, zes auto’s, en de meeste bestuurders waren uitgestapt en keken naar de ramen boven de straat, alsof de bestuurder van de dubbelgezette auto achter een van die ramen zou staan en terug zou kijken.

De achterste auto toeterde, vast niet voor de eerste keer, en reed toen achteruit.

We gingen met de hond het park in en toen we twintig minuten later terugkwamen, stond de dubbelgezette auto er nog steeds. De voorste twee van de wachtende auto’s waren overgebleven; de rest was achteruit gereden.
Er stonden vijf mensen om die auto’s heen te draaien, rokend of hun armen over elkaar houdend, en ze waren niet van plan achteruit te gaan rijden.

Ze waren van plan hun gelijk te halen.

Geen reacties | Link | 4 november 2013 | Categorie:

vi-de-o-theek

Toen mijn ouders een winkel hadden in Slotermeer, kwam er een videotheek naast de winkel, en ’s avonds aan tafel zeiden mijn ouders: dat wordt natuurlijk niks, een ‘vi-de-o-theek’.

Maar Videotheek de Sloterplas werd een keten van een stuk of zes, zeven winkels, en in die begintijd konden ze het maken om 12,50 in guldens te vragen voor de nieuwste films. Een gouden idee, zo’n vi-de-o-theek.

Ik zat met de dochter van de baas in de klas en ik weet niet of ze er thuis veel van merkten, dat gouden idee, want ze zijn nog heel lang in een flatje achter de Louis Couperusstraat blijven wonen, misschien stak hun vader al het geld in nieuwe videotheken (en later in de sponsoring van de Zwarte Schapen, een licht roemruchte voetbalclub), maar er was een absolute bloeitijd voor videotheken.

Die bloeitijd is voorbij. Bij Fame in de Kalverstraat kun je nu je eigen dvd’s kopen voor de prijs waar de Sloterplas ze vroeger voor verhuurde.
Een van de vestigingen van de Sloterplas (of Big Brother, het is me nooit duidelijk geworden hoe de keten later is gaan heten) zit op de hoek van waar we nu wonen, en met een dikke witte kwast staat er op de ramen geschilderd ‘wij houden ermee op’. En: ‘na 32 jaar sluiten wij onze winkels’.

Einde van een tijdperk. Maar voor goeie films hoefde je al heel lang niet meer op de hoek binnen te lopen (de filmposters die ze ophingen waren altijd voor de slechtst mogelijke films die ze in huis hadden, zo leek het wel), en de blauwe en rode neonverlichting gaf de hoek een nogal sleazy uitstraling, dus veel gaan we er niet aan missen.
Ik hoop voor de eigenaar dat ze niet te keihard failliet zijn gegaan.

Geen reacties | Link | 7 april 2011 | Categorie:

Krant

Onder ons woont een clubje Egyptenaren — we weten niet hoeveel het er zijn, de gezichten wisselen, alleen de hoofdbewoner blijft, maar het zijn aardige jongens die vriendelijk groeten op de trap. Ze roken hoogstens een beetje veel.
De Egyptenaren verdienen geld met verschillende baantjes. Ze staan in Snackbars en hebben krantenwijken. Sinds een paar weken ligt er elke middag een Parool op onze mat, en soms een NRC. Dat is net te veel krant voor ons, want ’s ochtends hebben we al de Volkskrant, maar toch is het aardig.

Van de week kwam ik thuis, was heel even binnen, en toen ik de deur naar de trap weer opende om naar buiten te gaan, lag er een krant. Ik liep naar beneden en een verdieping lager stond de deur open, en een jongen die ik nog niet eerder had gezien stond naar binnen te praten. Hij keek om, lachte vriendelijk naar me — hee man, zei hij tegen me.
Hee, groette ik terug. Ik was gewend jongens die ik nog niet kende tegen te komen. Krijg ik die kranten van jou?
Ja, zei hij, en hij lachte breed.
Dankjewel, zei ik, en ik stak mijn hand uit. De jongen pakte ‘m en schudde ‘m alsof we al jaren goeie vrienden waren.

Buiten stond zijn fiets met krantentassen tegen de boom.

Geen reacties | Link | 18 maart 2011 | Categorie:

Om de hoek van de Sleutelkluis

Ik moest overstappen. Ik kwam uit de 17 en ik moest de 3 hebben. Ik ben één van die mensen die denkt dat ongeluk hen achtervolgt, dus ik rende een stukje – net lang genoeg om om de hoek van de Sleutelkluis te kunnen kijken. Zien of die 3 er niet toevallig net stond, en net zijn deuren sloot, en net wegreed.
Hij stond er niet.

Ik stak over naar de halte. Volgens de tijdentabel op de halte was de tram een minuut geleden geweest. Dat kan betekenen dat de tram een minuut geleden is geweest, maar het kan ook betekenen dat ie over 10 minuten komt.
De 3 bleek volgens de tijdentabel ’s avonds maar 4 keer per uur te rijden, dus ik vroeg aan een jongen die al op de halte had gestaan toen ik bij de Sleutelkluis om de hoek had gekeken of hij wist of de 3 net geweest was.

Het ongeluk dat mij achtervolgt bleek zich op twee manieren te uiten: de 3 was inderdaad net geweest, en de jongen die al op de halte had gestaan was heel erg blij met een gesprekspartner.

Ik ben niet vies van een gezellig praatje bij het op de tram wachten (zeker niet als het een tram is die maar vier keer per uur rijdt en net weg is), maar de jongen begon over tramtijden. En hoe het volgens hem beter kon.

De 3 had namelijk het beste elke 6 minuten kunnen rijden.
Natuurlijk was ik het daar gevoelsmatig helemaal mee eens, maar de jongen kon wetenschappelijk onderbouwd vertellen waarom die 6 minuten het beste waren.
Ah, zei ik. ‘Is het je vak?’ vroeg ik.
Hij gaf het antwoord waar ik al een beetje bang voor was: ‘het is mijn hobby.’

Mijn nieuwe beste vriend wist alles van het openbaar vervoer. Trams, bussen, treinen, dienstregelingen, de OV-chipkaart, de Combino (dat is de grote blauwe tram die door Amsterdam rijdt), de problemen op het spoor tijdens het slechte weer – alles.
En het beste was: hij had overal een oplossing voor.

De 3 kwam. Ik wist ondertussen alles over de lijst van 50 problemen met de OV-chipkaart (er was een lijst met 25 problemen gepubliceerd, en hij kon er zo nóg 25 opnoemen). Ik stapte in, veegde mijn OV-chipkaart enigszins schuldbewust over de kaartlezer, groette de conducteur en keek om me heen: waar te zitten?
Ik besloot aardig te zijn en in de tegenoverelkaarzitjes achterin te gaan zitten. Zodat hij de kans had om nog even zijn verhaal af te maken.

De jongen greep zijn kans. Hij vertelde over de problemen met de Combino. De assen van de tram zaten op een idiote manier in elkaar. Helemaal niet logisch, zei hij. Hij zei dat hij altijd de grote fout maakte logisch na te denken. Dat bedoelde hij als grapje. Hij zou zijn grapje nog vaak herhalen.

De tram trok op. Ik keek naar buiten, naar de Sleutelkluis op de hoek van de Kinkerstraat en de Bilderdijkstraat, en ik bedacht dat ik daar ook had kunnen blijven staan. Af en toe even om de hoek kijken.

Geen reacties | Link | 10 december 2010 | Categorie:

Enorm

We waren de eersten in de zaal. Er kwam een jongen binnen in z’n eentje die er heel aandoenlijk uitzag. Hij ging op onze rij zitten.
‘Aandoenlijk toch?’ vroeg ik Robin.
‘Enorm,’ zei ze.
‘Maar wel goed gekleed,’ zei ik (want hij was heel goed gekleed).
‘Enorm,’ zei Robin.
‘Heel verwarrend,’ zei ik.
‘Enorm,’ zei Robin.

Geen reacties | Link | 10 september 2010 | Categorie:

De kuttoeter*

Een klassieke openingszin van stukjes zoals deze is: er is al veel gezegd over. Dat u weet dat ik iets ga verkondigen dat al helemaal uitgemolken is. Op twitter was de vuvuzela ongetwijfeld een trending topic (de juiste opmerkingen werden druk geretweet) en op elke werkplek werd er natuurlijk hard over gemeningd. Nu kom ik er dus nog even bij.

Natuurlijk vind ik het ook een kuttoeter. Mijn zwager, die bij een tv-winkel in Tilburg werkt, werd tijdens de openingswedstrijd gebeld door een mevrouw die net een tv bij hem had gekocht met de vraag of die zoem in haar apparaat normaal was.

Door die toeter mis ik het normale stadiongeluid. Ik wil mensen horen zingen, oooh horen roepen als een bal net over gaat, fluiten als er tijd gerekt wordt — ik mis de sfeer.

Maar wat ik ook mis: het er-is-iets-aan-de-handgeluid. Bij een wedstrijd op tv zie je altijd maar een deel van het veld, en op het deel van het veld dat niet in beeld is, kan er ook van alles gebeuren; en dan moet je vooral denken aan spelers die elkaar het licht uit de ogen schoppen. Het publiek reageert daarop, zodat je als tv-kijker weet: hee! Er is iets aan de hand!

En wat je ook niet meekrijgt: de reacties van het publiek op bijvoorbeeld een al dan niet vermeende handsbal voor het doel.
De scheidsrechter en ik, wij worden gewaarschuwd door dat soort geluiden.
Maar ja: met die kuttoeter lukt dat dus niet meer.

*De kuttoeter is dus ©Robin Smits

Geen reacties | Link | 15 juni 2010 | Categorie:

De zeer tevreden mens

Ik ben handig.
Of beter: ik ben handig geworden.
Ik ben geboren en getogen met twee linkerhanden, maar de afgelopen zes weken heb ik zoveel gaten geboord en plakplintjes moeten zagen dat er ongemerkt een Gamma-klantenpas mijn portemonnee in is geslopen.

Ik wilde bijhouden wat we allemaal deden, maar het kwam er niet van. Wat we vooral deden was hard, zeer hard doorwerken. We hebben de laatste weken dagen van 16 uur gemaakt. Op een van de zaterdagen heb ik om half vier ’s nachts de deur van het klushuis achter me dichtgetrokken om naar het slaaphuis te fietsen, en ik fietste zo’n beetje op met de mensen die terugkwamen van het stappen.

Maar: het was het waard.
We wonen samen. En dat doen we in het mooiste huis ooit.

Deze afgelopen zaterdagnacht, een uur of half twee, keken we om ons heen en zagen we dat het klaar was. Er moesten nog wat fotolijstjes neergezet worden, maar alle meubels stonden op hun plaats, het nieuwe kleed was uitgerold, en Banjer lag in zijn mandje. Banjer had al die weken in het slaaphuis gewoond en zag ons alleen ’s ochtends bij het opstaan, bij het avondeten en bij het naar bed gaan. Ons hart brak regelmatig, maar nu was het weer een gelukkig hondje.

We mochten gaan slapen in onze nieuwe slaapkamer, voor het eerst, en we sliepen de diepe slaap van de zeer, zeer tevreden mens, en we werden onze eerste zondagochtend als samenwonenden wakker.

Geen reacties | Link | 18 mei 2010 | Categorie:

Een prettig weekend

Zij werkte op de ene afdeling, hij op de andere.
Hij had haar op zijn verjaardag gevraagd. Het was geen verjaardag met familie in een kringetje en taart; het was met wat vrienden en collega’s in de kroeg, dus het kon. Zij was nog meegegaan naar een hippe tent waar de mannen graag naartoe wilden, maar ze was weggegaan toen een van de mannen van de andere afdeling zich begon te misdragen.

Ze waren een beetje onhandig verder gegaan, en de onhandigheid kwam vooral van zijn kant. Hij vroeg haar niet echt uit, het was meer een soort meevragen. Ik ga nog met collega’s wat drinken, ga je mee. En af en toe stuurde hij een smsje, en ook zijn smsjes waren onhandig. Haar collega’s waren nieuwsgierig; na ieder weekend vroegen ze of er nieuws was, of er nog iets gebeurd was, en nee, er was niets gebeurd. Ja, hij heeft bij me op de bank gezeten, nee, hij deed niets. Ze zei tegen haar collega’s dat ze niet wist wat ze ermee moest, en haar collega’s zeiden dat ze het ook niet wisten.

Toen ze drie weken verder waren, stuurde hij een mailtje op vrijdag, en in het mailtje stond: heb jij een luchtbed?
Ze liet het mailtje aan haar collega’s lezen, en die zeiden dat het code was, dat ie viste of ie zou kunnen blijven slapen. Ze antwoordde niet.

Op vrijdagavond liep ze het kantoor uit, en hij liep achter haar, en hij belde: wil je meerijden? Ze dacht: waarom niet.
Ze bleef staan tot hij bij haar was. Hij zei dat zijn auto vlakbij stond. Maar ik moet eerst een luchtbed kopen, zei hij.
Ze gingen drie winkels af. Pas bij de Kijkshop vond hij een luchtbed met electrische pomp. Daarna bracht hij haar naar huis en wenste haar een prettig weekend.

Geen reacties | Link | 23 maart 2010 | Categorie:

Plekken waar je beter zat

Ik ging zitten in een van de onhandige zitjes bij het raam. Er waren genoeg plekken om beter te zitten, maar ik was daar niet zo goed in, plekken waar je beter zat.
Mijn redacteur kwam een paar minuten later binnen en hij schoof in het onhandige zitje.
We praatten over wat dingen, en toen hadden we het over het derde boek, ik stelde voor hoe ik verder wilde gaan en hij vond het goed, hij zei wat geruststellends, we praatten over wat andere dingen, en we dronken nog wat.
Buiten liepen er goths langs. Mensen in sombere kleren met witgeschilderde gezichten en rare kapsels. Ze kwamen in korte stroompjes, groepjes van twee of drie met tussenpozen van tien, vijftien minuten.

Geen reacties | Link | 19 maart 2010 | Categorie:

Niet veel meer

Roy woonde achter de Derkinderenstraat. Hij was Jerry’s neef. Ik weet niet precies hoe het in elkaar zat; Jerry kwam van de Antillen en Roy was een Molukker, en Jerry’s moeder was Indisch, maar ze was niet Moluks. Het maakte ook niet uit. We reden op zaterdagmiddag naar Roy omdat we niet veel meer te doen hadden.

In het hofje waar Roy woonde, stond een rij garages, en één van die garages was van Roys vader, maar zijn vader reed niet meer, die was te oud en had zijn auto weggedaan. Dus die garage was een beetje van Roy geworden. Roy had zelf geen auto, maar hij was wel monteur, en hij sleutelde er aan de auto’s van zijn vrienden. De hofjes achter de Derkinderenstraat hadden veldjes tussen de woonblokken, en om de veldjes heen, tegen de woonblokken aan, stonden prikkelstruiken. Roys ouders woonden op de eerste verdieping van hun blok, en Roys slaapkamer was beneden — als je via de voordeur naar binnen ging, moest je beneden aanbellen, de trap op naar de eerste, naar binnen bij z’n ouders, en dan de trap weer af. Roys kamer had een raam, en door dat raam gingen we dan weer naar buiten, door de prikkelstruiken, naar de garage.

Bij Roy hingen altijd nog een paar jongens, Franco en Corrie, en Patrick, een grote gast die al een stuk ouder was dan wij. Hun auto’s stonden op de plaats voor de garages, en Franco had zijn portieren open en zijn radio aan; hij had de beste geluidsinstallatie en hij had ‘m op een zender staan die house uitzond — ik weet niet wat voor house het was, het was 1990 en ik denk niet dat er iets anders was dan gewoon house.

Zo hingen we.
Er was altijd wel iets aan een van de auto’s te doen, en als er niks aan te doen was, verzonnen we wel iets. Als het regende, riep Roys moeder ons naar boven, en dan gingen we de prikkelstruiken door, stapten we door het raam van Roys slaapkamer en liepen we naar boven. Dan gingen we op de bank zitten en schonk Roys moeder cola voor ons in.

Geen reacties | Link | 18 maart 2010 | Categorie:

De verkeerde toren

Mijn zuster belde toen ik op m’n werk zat. M’n moeder was verhuisd naar het ziekenhuis omdat ze weer een longontsteking had. Ze had hoge koorts gehad, vanochtend, die was nu een beetje aan het zakken, maar de mensen van het revalidatiecentrum hadden haar in een ambulance gelegd en haar naar het Lucas laten brengen.

Na het werk fietste ik ernaartoe. Ze lag op een kamer waar ze een week of twee geleden ook had gelegen. De andere mensen waren nieuw. Een oud vrouwtje dat de hele tijd naar ons zou blijven kijken, een oude man die in een rolstoel was gezet en bewoog door kleine stapjes op de vloer te zetten, en een man met een baard. De man met de baard zag eruit alsof hij in een band die liedjes van Boudewijn de Groot speelde had gezeten.
Mijn moeder sliep.
Ik legde mijn hand zacht op haar arm en ze werd wakker.
We praatten een beetje, ze vertelde hoe het gegaan was vanochtend. Ik legde mijn hand op haar voorhoofd — ze was niet warm meer.
Toen we niets meer te zeggen hadden, keek ze omhoog. Boven het bed hing een televisie, en die stond uit.
Ik vroeg of ik een tv-kaart voor haar moest halen.
Graag, zei ze.

Ik pakte de lift naar beneden, liep naar de hal, naar de automaat die tv-kaarten uitgaf. Er was een A4-tje opgeplakt, en op het A4-tje had iemand met balpen ‘defect’ geschreven. Ik liep naar de portier. De portier was een jongen met puisten, en hij vertelde me dat er nog zo’n automaat op de tweede stond. Hij wees naar het trappenhuis, rechts van hem.
Ik pakte de lift naar de tweede. Op de tweede vond ik geen automaat. Alleen deuren naar verkoeverkamers en operatiecomplexen. Er kwamen twee jonge dokters aangelopen — ze hadden geen witte jassen aan, alleen maar stethoscopen om hun nek hangen. Ik vroeg ze of ze wisten waar de automaat stond.
De langste van de twee zei dat ik in de verkeerde toren stond. Dat ik het andere trappenhuis naar de tweede had moeten nemen. Hij wees me de kortste weg naar de andere toren, via de eerste verdieping; hij liep een klein stukje met me mee om de deur die ik moest hebben aan te wijzen.
Ik bedankte hem.
Succes, zei hij.

Geen reacties | Link | 17 maart 2010 | Categorie:

Een ongelukkige soep van misplaatsten

Het was een donderdagochtend en de V&D zat nog in de Bilderdijkstraat. Ik had Aardrijkskunde maar ik was niet gegaan. Het heette geen spijbelen meer, want ik zat op de moedermavo. Aardrijkskunde was niet heel vervelend, maar de mensen die op de school rondliepen waren dat wel. Ouderen die niet meer werkten en jongeren die van hun normale school waren afgetrapt of daar niet mee konden komen — een ongelukkige soep van misplaatsten. De ouderen waren te geïnteresseerd, de jongeren hadden vastgehouden aan hun houding van het tegenovergestelde: ik ben hier omdat het moet. Maar het moest niet.
Daarom was ik in de V&D. Ik was mijn tijd aan het volmaken. Het moest niet, maar ik was achttien en thuis moest ik vertellen hoe het was geweest, op school, en daarom moest ik ook echt weg zijn geweest.

Ik keek rond bij de muziek; het was de tijd dat er een stelling met singletjes achter de balie stond, met nummers van 1 tot en met 40. Ik stond een tijdje bij de singeltjes, maar ik had geen platenspeler. Ik weet niet meer wat er in de top 40 stond.

Na de singeltjes ging ik naar de bandjes. Er was ook een rek met voorbespeelde cassettebandjes, de harde plastic hoesjes in cellofaan, in een systeem met een slot aan de onderkant van het rek: je moest een verkoper roepen als je een bandje wilde hebben.
Ik keek rond bij de bandjes en ik zag iets wat ik wilde hebben. Een bandje van John Hiatt. Ik weet niet meer waarom ik het toen wilde hebben; misschien had ik iets van hem op de radio gehoord, misschien dacht ik: nu ga ik van country houden. Ik weet niet of je John Hiatt country kan noemen, maar ik weet wel dat ik dat soort dingen kon beslissen. Nu ga ik van country houden, en dit is mijn eerste aankoop. Ik riep er een verkoper bij en kocht het bandje. Ik draaide thuis alleen maar bandjes; de vriend die mijn moeder toen had, had uit de haven een radio-cassettespeler voor me meegenomen. Aan de radio had ik niks, want mijn slaapkamer was in de kelder, en de antenne deed er niet veel.
In mijn herinnering ben ik kleiner dan de verkoper, maar dat kan niet, want toen ik achttien was, was ik al twee meter. Ik heb dat met meer herinneringen uit die tijd: ik stel mezelf altijd kleiner voor dan ik was. Nu doe ik dat al een tijdje niet meer. Als ik me nu iets van een jaar of twee, drie geleden herinner, ben ik gewoon twee meter.

Ik denk dat ik nog ergens ben gaan rond gaan hangen, want Aardrijkskunde duurde anderhalf uur, en toen ben ik naar huis gegaan.

Geen reacties | Link | 16 maart 2010 | Categorie:

Tussen de boekenkasten door

Ik nam de lift naar de derde etage. Op de derde zit een uitbouw binnen het glas, en in de uitbouw staan ouderwetse tafels zoals ze vroeger ook in bibliotheken moeten hebben gestaan, met een schuin tafelblad en groen vilt. Ik heb daar vaker gezeten; als je niet schreef, kon je door de grote ramen naar de stad kijken.
Ik kwam de lift uit en de OBA was vol. Achter de rijen met computers zaten Marokkaanse jongetjes Runequest te spelen, op de plekken zonder computers zaten studenten met openliggende boeken en opengeklapte laptops.
Ik liep tussen de boekenkasten door naar de uitbouw, maar alle plekken in de uitbouw waren bezet, de tafels onzichtbaar onder al het papier.
Ik pakte een roltrap omhoog, ik pakte weer een roltrap omlaag, ik vond een plek in een diepe stoel zonder tafel, legde mijn macbook op een kunstboek op mijn schoot, klapte ‘m open — en er kwam niets.

Ik las wat ik tot dan toe had, zuchtte een paar keer diep, keek op twitter, keek op facebook, klapte mijn macbook weer dicht en vertrok.

Geen reacties | Link | 15 maart 2010 | Categorie:

Dat ik wist wat ik wilde

Ik liep de Amsterdamse Poort door met mijn fiets aan mijn hand. Er zat een parfumwinkel; ik had ‘m een keer gezien.
Het was bijna zes uur ’s avonds en ik wist niet of ze hier nog aan koopavond deden; koopavond is als een soort feestdag die nauwelijks meer wordt gevierd in Amsterdam, zoals Sint Maarten, omdat de stad altijd open is op zondag.

Ik liep een rondje en vond de winkel. Binnen stonden alleen maar negerinnen. De winkeldames en de klanten. Een winkeldame kwam naar me toe en vroeg of ze me kon helpen. Ik zei dat ik een geurtje wilde voor mijn vriendin, en ze was klaar om te zuchten — een man die een geurtje voor zijn vriendin wilde, waar moest je beginnen?
Ik zei snel dat ik wist wat ik wilde. Die, wees ik aan. Ze had een monstertje gekregen en ze had er heel zuinig mee gedaan omdat ze ‘m zo lekker vond ruiken. Ik was al heel lang van plan geweest een heel flesje voor haar te kopen, en vandaag was er een gelegenheid geweest; een reden.

De winkeldame rekende met me af en gaf het flesje aan een andere winkeldame, vroeg of zij ‘m in wilde pakken. Toen we klaar waren met afrekenen, ging de eerste winkeldame ergens anders staan en liet me alleen met de tweede winkeldame. Ze pakte het flesje netjes in, goudkleurig pakpapier en een hardroze krul eraan. Ze zei dat ze alleen nog hele grote tassen had. Ik zei dat ik ‘m zo mee zou nemen.

Ik fietste naar haar huis, en toen ik er bijna was, kreeg ik een smsje, hoe laat zou ik thuis zijn, en ik wilde eerst iets terugsms’en, maar ik stopte m’n telefoon weer weg, zette mijn fiets op slot, ging naar boven en naar binnen en zei dat ik een cadeautje voor haar had.
Zij zei dat ze ook een cadeautje voor mij had.

Geen reacties | Link | 12 maart 2010 | Categorie:

In de tijd dat alle koninginnedagen warm waren

Het was koninginnedag en we waren begonnen bij Daan thuis. We waren met vijf jongens, of mannen eigenlijk — iedereen was ouder dan ik, en ik was al oud. Bij Daan thuis hadden de anderen paddestoelen genomen, en iemand was met biertjes binnengekomen, en ze maakten grappen over mijn nuchterheid. Dat duurde altijd maar even, en zo ging het ieder jaar. De jongens waren vrienden van elkaar, maar niet heel erg van mij; alleen Daan zag ik regelmatig, de anderen waren voor mij koninginnedag, Ajax in de Champion’s League, Nederland met het WK.

We liepen Daans huis uit, de Jordaan in, en bij de eerste bierpomp werd nog meer bier gehaald. En zo gingen we door, de overstroomde straten over, naar het Museumplein, eerst, want daar stond kermis, en we moesten een doel hebben.
Op de kermis gingen we de cakewalk in, en Jonathan raakte al zijn drugs kwijt — de bewegende trap had al zijn zakjes en pakjes uit zijn borstzakje geschud. Een jongen die bij de cakewalk werkte, wilde hem helpen met oprapen, maar trok zijn handen terug toen hij zag wat hij wilde pakken.
In het reuzenrad keken we over de stad, en we maakten grappen. Alle bomen die nog op het Museumplein stonden waren lichtgroen in de zon. In die tijd waren alle koninginnedagen warm.

We duwden onszelf de stad weer in, en de anderen waren dronken, stoned, van alles, en ik zorgde dat Armin, die altijd harder liep als ie meer drugs had gebruikt, bij ons bleef, en ik trok Jonathan mee toen ie op het Leidsplein ruzie zocht met een grote gast op een lage motor. De Angels, zei hij, dat zijn pas mannen, en hij zei dat we naar de bar van de Hell’s Angels op de wallen moesten, en hij zeurde net zo lang door tot er werd toegegeven.

Ik denk dat we de Leidsestraat niet namen; ik weet het niet meer. Het enige dat ik altijd tegen mensen van buiten Amsterdam zeg als ze vragen waar ze heen moeten met koninginnedag, is: vermijd de Leidsestraat.
Maar we kwamen op de wallen, en we liepen het café van de Hell’s Angels binnen, en de anderen met al hun bier en hun drugs en hun onzekere bravoure bestelden nog meer bier, schreeuwden naar elkaar en gingen tussen de Hell’s Angels staan alsof ze dat iedere dag deden, en ik vond een hondje op de bank bij het raam, een Jack Russelachtige, en het hondje kwispelde en ik aaide en ik ging ernaast zitten; het zette haar pootjes op mijn schoot en vroeg om meer, en ik aaide door.
De grootste Hell’s Angel maakte zich los uit de groep bij de bar, kwam naar me toe en zei: lief is ze, hè?
Heel lief, zei ik.

Geen reacties | Link | 11 maart 2010 | Categorie: