vandenb.com // Walter van den Berg


Hondenjaren

Ik heb een methode gevonden om in de tijd te reizen. Mijn ouders zijn allebei dood, en ik ga terug om ze te overtuigen dat ze moeten stoppen met roken. Ik heb mijn eerste tijdreis net achter de rug, en ik ga alles documenteren op hondenjaren.nl.

Ik ben het eerste verslag aan het uittypen. Ik heb het gevonden op handgeschreven briefjes, op de plek waar ik het in 1978 heb achtergelaten. De verrassing was toch groter dan ik verwachtte: het was dus echt gebeurd.

Eerste zinnen

Dit zijn de eerste zinnen van het verslag uit 1978:

Ik durf mijn ogen niet meteen open te doen. Ik probeer me eerst bewust te worden van het lichaam waar ik in zit. Het is… kort. Ik ben een man van twee meter maar nu ben ik kort. Ik denk na over wat er straks gaat gebeuren.
Ik ga mijn ouders zien, levend, en dat gaat een schok zijn, maar zij zien een joch dat ze de dag daarvoor hebben ingestopt. Het is zaak zo normaal mogelijk over te komen. Ik haal diep adem, tel van drie naar één, en open dan mijn ogen.

De slaapkamer is groot en heeft wit-groen behang. Of groot: ik moet me realiseren dat mijn perspectief zich aanpast aan mijn lengte. Het behang moet betekenen dat ik in Nijmegen ben. We hebben twee of drie jaar in Nijmegen gewoond; binnengekomen in de eerste klas van de lagere school, terug naar Amsterdam in de derde klas.

Ik zwaai mijn benen uit het hoge bed, het scheepsbed dat we bij de Miro hebben gekocht, spaanplaat beplakt met vurenhout fineer en moet een lach onderdrukken. Het zijn de jaren 70 en mijn benen zijn belachelijk kort. Ik duw mezelf van het bed en ik ga staan en val meteen om: mijn zwaartepunt zit lager, het voelt alsof er zakken grind aan mijn knieën hangen. Ik lach weer. Ik heb in de tijd gereisd en ik ben een kind.

Bijna

Ik heb het eerste verslag bijna klaar. Tot die tijd: schrijf u in voor de nieuwsbrief . U bent de eerste die het hoort als 1978 online staat.

Geen reacties | Link | 22 juli 2014 | Categorie:







Bij Hard Gras: Begrip

Ik heb een piepklein stukje bij Hard Gras ingeleverd, over Het Meisje dat meeleefde met mijn WK-beleving.
Lees het bij Hard Gras.

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Nooit meer slapen, vierde nacht

Het VPRO-radioprogramma Nooit Meer Slapen heeft iedere week een gastschrijver. Die gastschrijver leest iedere nacht een stukje fictie voor, gebaseerd op de het nieuws van die dag. In de week van 24 februari ben ik de gastschrijver. Dit stukje is, net als de nacht hiervoor, gebaseerd op de schimmige avonturen van een voortvluchtig stel.

Tony, zei het meisje, Tony, is nu de rechtszaak?
Nee, zei Tony, de rechtszaak is nu niet.
Waar brengen ze ons naartoe dan?
Ze brengen ons naar de rechter.
Dus nu is de rechtszaak?
Nee, nu is niet de rechtszaak.

Tony keek door het stalen gaas van het achterraam. Het busje waar ze in zaten liet Duitse straten, Duitse huizen en Duitse mensen achter zich – alleen de Duitse politieauto bleef bij ze. Voor ze reden twee motoren die bij kruispunten het verkeer tegenhielden en hij wilde vragen of het haar opviel hoe gek het eigenlijk was, altijd doorrijden en nooit hoeven stoppen, maar – laat maar.
Ik wou dat ik een crew had, zei hij na een tijdje. De volgende keer zorg dat ik een crew heb.
Wat is een crew? Vroeg het meisje, wat bedoel je ik wou dat ik een crew had?
Gewoon, zei hij, maten die me hieruit zouden kunnen halen, zoals in GTA 5. Zoals die crew in GTA 5 Lamar uit de shit haalt. Zo zou ik een crew moeten hebben die mij uit de shit haalt.
Het meisje bleef even stil. Daarna zei ze: en ik dan, Tony?
Je moet een paar gasten hebben die je kan vertrouwen, zei Tony, meer tegen zichzelf dan tegen het meisje.
Moet ik niet uit de shit gehaald worden, Tony?
Tony keek naar het meisje en lachte. Jij zit niet in de shit, schatje. Jij weet niet eens wat shit is.
Het busje stopte, en stoppen was tijdens de rit zo ongewoon geworden dat hij meteen misselijk was.
Kan ik je crew niet zijn, Tony?
Tony antwoordde niet.
Tony?

Geen reacties | Link | 28 februari 2014 | Categorie:

Nooit meer slapen, derde nacht

Het VPRO-radioprogramma Nooit Meer Slapen heeft iedere week een gastschrijver. Die gastschrijver leest iedere nacht een stukje fictie voor, gebaseerd op de het nieuws van die dag. In de week van 24 februari ben ik de gastschrijver. Dit stukje is, net als de nacht hiervoor, gebaseerd op de schimmige avonturen van een voortvluchtig stel.

Tony stond in zijn cel. Het was een typische arrestantencel; een minimaal rvs interieur bestaande uit een brits en een wc. De brits en de wc kwamen allebei uit de muur, en er waren geen scherpe hoeken – als je jezelf pijn wilde doen, was dat niet heel moeilijk, maar als je bloed wilde produceren, moest je er je best voor doen.

Het was niet gegaan zoals hij zich voor had gesteld. Hij had verteld tegen het meisje hoe het zou moeten gaan: nacht, auto’s buiten met zwaailichten die het plafond van de hotelkamer in blauwe vlammen zetten, schoten over en weer, en dan…
Maar de en dan was met daglicht gekomen, terwijl ze naar een marathon-uitzending van How I Met Your Mother hadden liggen kijken, met Duitse stemmen, en ze hadden zich afgevraagd of het lachende publiek ook verduitst was geweest. De deur werd ingetrapt en het pistool was ergens in de plooien van het dekbed verloren gegaan; hij had nog wel over het bed getast met zijn rechterhand, maar zijn linkerhand was zijn eigen weg al aan het zoeken, de lucht in, niet schieten, niet nu, niet als we How I Met Your Mother in het Duits aan het kijken zijn, dit is niet hoe het zou moeten gaan.
Hij liep een kort rondje in de cel, als een hond die zijn draai in zijn mand zoekt, en ging op het rubberen matrasje van zijn brits zitten. Hij sloeg zijn armen over elkaar, bekeek de cel nog een keer vanuit dit nieuwe perspectief, en zei: ik ben klaar voor mijn volgende behandeling.

Geen reacties | Link | 27 februari 2014 | Categorie:

Nooit meer slapen, tweede nacht

Het VPRO-radioprogramma Nooit Meer Slapen heeft iedere week een gastschrijver. Die gastschrijver leest iedere nacht een stukje fictie voor, gebaseerd op de het nieuws van die dag. In de week van 24 februari ben ik de gastschrijver. Dit stukje is, net als de nacht hiervoor, gebaseerd op de schimmige avonturen van een voortvluchtig stel.

Ze hadden uiteindelijk de Honda stilgezet bij een gallerijflatje aan de rand van een kleine stad, omdat Tony een theorie had over de boerderijen – op de boerderijen hadden ze geweren, want in Duitsland mochten mensen geweren hebben. Ik ben niet van plan met een schot hagel in m’n buik dood te gaan, had hij gezegd. Een politiekogel of honderd politiekogels is goed, had hij gezegd, maar geen schot hagel van een domme boer.

Dus ze waren over de galerijen van het flatje gelopen en ze hadden een paar woningen overgeslagen, geen oude mensen want oude mensen hebben geen internet, en Tony wilde een plek met internet. Ik wil weten wat ze over ons zeggen, zei hij.
Ze hadden aangebeld bij een woning waar één raam door een laken werd bedekt en een ander raam door een kast die er aan de andere kant voor was geschoven. Hier woont een man alleen, had Tony gezegd, en hij had aangebeld en hij had het meisje voor de deur gezet, zelf was hij plat tegen de muur gaan staan en dat had gewerkt; de man alleen had niet eens zijn best gedaan zich te verzetten, en hij keek erbij alsof hij elke week wel een keer een pipa op zijn buik gedrukt kreeg. Nicht schiessen, had hij gezegd, don’t shoot, en hij was zelf rustig op zijn stoel gaan zitten, zijn handen op zijn knieën.
Op de salontafel stond een laptop, en Tony pakte ‘m met één hand, in de andere hand zat het pistool waarmee hij de man alleen onder schot hield. Hij duwde de laptop in de handen van het meisje. Google me, zei hij. Hoeveel hits?
34.000, zei het meisje.
34.000, herhaalde Tony.

Geen reacties | Link | 26 februari 2014 | Categorie:

Nooit meer slapen, eerste nacht

Het VPRO-radioprogramma Nooit Meer Slapen heeft iedere week een gastschrijver. Die gastschrijver leest iedere nacht een stukje fictie voor, gebaseerd op de het nieuws van die dag. In de week van 24 februari ben ik de gastschrijver. Dit stukje is gebaseerd op de schimmige avonturen van een voortvluchtig stel.

Tony, zei het meisje, Tony, we moeten gaan.
Tony bleef nog een paar tellen zitten.
De uitbater van de belwinkel deed of ie ergens anders mee bezig was; hij pakte een doosje aan de linkerkant van zijn zaak en verplaatste het naar de rechterkant van zijn zaak.
Tony, zei het meisje nog een keer.

Tony stond op en schoof zijn stoel naar achter. Er stonden twee computers op een tafeltje, en tussen de schermen was een schotje getimmerd. Hij tikte met zijn vinger op het scherm waar hij achter had gezeten: hun foto’s stonden naast elkaar op de website van de telegraaf. Knap stel, hè? zei hij.
Het meisje trok aan zijn mouw. Kom, zei ze.
Tony trok zijn arm los uit de greep van het meisje. We hebben een nieuwe auto nodig, zei hij. Ze weten van de Daihatsu. Het staat in de krant.
Hij liep naar de toonbank. De uitbater liet zijn doosjes met rust en ging achter zijn toonbank staan, met zijn hand op de muis van zijn eigen computer. Hij klikte iets aan, keek kort, en zei: één uiro.
Een uiro? zei Tony, wat is een uiro?
Eén uiro, herhaalde de uitbater.
Tony bekeek de uitbater, en daarna keek hij naar het tafeltje met de internetcomputers. Op het scherm van de computer waar hij achter had gezeten, stonden de foto’s van hem en het meisje nog naast elkaar. Gezocht duo beschiet man op camping, stond er onder de foto.
Hij keek de uitbater weer aan en vroeg: wat voor auto heb je?

Geen reacties | Link | 25 februari 2014 | Categorie:

889 woorden: kinderen van Carver

Een column voor literair tijdschrift Passionate.

Ik ben een kind van Raymond Carver – alles moet uitgebeend worden. Of beter: ik ben een kind van Raymond Carver en zijn meedogenloze redacteur Gordon Lish, die het mes nog even flink zijn gang liet gaan als Carver zijn verhalen in had geleverd. Ik geloof in precies genoeg vertellen. Ik las ergens dat Mulisch had gezegd dat niet de schrijver fantasie moet hebben, maar de lezer, en ik denk dat ome Harry daar gelijk in had. Vertel je lezer hoe een kamer eruitziet door te zeggen dat er een wasrekje met onderbroeken staat en je bent klaar. En beschrijf vooral je personages niet, of ze moeten een houten been hebben – en dan moet dat houten been iets zeggen over het personage. Vertel me niet dat de man die om de hoek staat te wachten ‘koude ogen’ heeft, om maar iets te noemen. Die koude ogen verzin ik er zelf wel bij als we een paar bladzijden verder zijn. Dit is een klootzak, zeg, ik durf te wedden dat ie koude ogen heeft. Toch zijn er lange planken te vullen met klootzakken die van hun schrijvers koude ogen hebben meegekregen.

Nu ben ik zelf een klootzak met koude ogen die vindt dat de hele wereld eruit moet zien zoals ik wil dat ie eruit ziet en elk boek geschreven moet zijn zoals ik vind dat ze geschreven moeten zijn, maar misschien moet dat maar eens afgelopen zijn.
Als ik een boek schrijf, heb ik daar een bepaalde bedoeling mee (en ik moet nog eens bedenken wat die bedoeling is) maar andere schrijvers hebben andere bedoelingen, natuurlijk.

Ik ben al een hele tijd aan het lezen in Jonathan Franzens Freedom, en Franzen heeft het niet bepaald van Carver geleerd: als er nog iets uitgelegd moet worden, voelt ie zich daar niet te beroerd voor. Moeder Patty in het boek is competitief ingesteld, daar krijgen we enkele tientallen voorbeelden van, maar gelukkig benoemt zoon Joey het nog even duidelijk: al die problemen met m’n moeder komen omdat ze zo competitief is ingesteld!

Een kind van Raymond Carver en Gordon Lish zou er zachtjes van gaan huilen. Maar verdomd: ik kan het boek niet meer wegleggen, de laatste dagen.

Het niet weg kunnen leggen van een boek hoeft niet per se van literaire kwaliteit te getuigen, want juist de grootste pageturners hoeven niet al te best geschreven te zijn, maar Freedom overtuigt me langzaam dat uitleggen soms wel toegestaan is. Franzen wil uitleggen. Het is de functie van zijn boek: uitleggen hoe de wereld volgens hem in elkaar steekt. En hij doet dat heel goed leesbaar.

Jan van Mersbergen, ook zo’n Carver-kind, klaagde onlangs op twitter over het gejuich over Freedom en kwam met een paar voorbeelden van kromme zinnen, maar die zinnen kwamen uit de Nederlandse vertaling, en ik heb het hier al eens eerder gezegd: ik geloof niet in vertalingen. Er bestaat een kans dat ik over de kromme zinnen in Franzens Engels heen lees, of ik ben opgegroeid met een subset van echt Engels; misschien ken ik alleen maar Engels dat in boeken en films wordt gebruikt en is dat voor mij Engels zoals het hoort.

Maar ik vind het dus wél goed geschreven. Sterker nog: ik ben af en toe behoorlijk jaloers op Franzen. Want behalve mooie zinnen schrijven, laat Franzen de pagina’s vollopen met ellende die zijn personages over zichzelf afroepen, en dat is zoveel meer ellende dan kinderen van Carver zelfs maar zouden durven gebruiken. Als je zo’n navelstaarder zoals ik bent, is de kans dat je uitgelachen wordt als je zo’n hoeveelheid misère uit je eigen ervaringen weet te peuren. Maar uitgelachen worden zou dan niet onterecht zijn.

Ik denk dat Carver en zijn kinderen alleen maar pogingen doen te ontdekken hoe ze zelf in elkaar steken – aan uitleggen, zoals Franzen doet, zijn ze nog lang niet toe. En als je wil ontdekken hoe je zelf in elkaar steekt, kan je dat maar beter stukje voor stukje doen. Elke vorm van iets te barokke hysterie moet daarbij vermeden worden, want dan beledig je je lezer. Kinderen van Carver moeten begrijpen dat ze veel van hun lezers vragen. Hier is mijn navel, ik begrijp zelf nog niet zo goed wat ik bedoel, maar heeft u zin een eindje met me op te lopen? Dan zal ik zo helder mogelijk proberen te zijn. Duidelijk is het niet; niet voor mij, althans, dan had ik het boek niet hoeven schrijven. Maar ik heb alle ruis weg proberen te houden.

Franzen hoeft dat niet. Franzen heeft van te voren gezegd: ik heb een paar ideeën over hoe de wereld in elkaar zit, en die ideeën ga ik in een boek verwerken, en dan lezen een hoop mensen dat, en dan heb ik mijn ideeën overgebracht; de lezers mogen dan zelf zien wat ze ermee doen.

Kinderen van Carver zijn in hun bescheidenheid veel arroganter. Eigenlijk is het ongelooflijk dat ik de arrogantie heb gehad het ooit allemaal op te schrijven. Want maak ik er iemand wijzer mee? Breng ik ideeën over de wereld over op mijn lezer waar ze iets mee kunnen? Misschien herkent de lezer iets van zichzelf in mijn geneuzel, maar dat kan mij natuurlijk niets schelen. Het gaat over mij. En ik probeer het de lezer allemaal te voeren. Heel klootzakkerig, heel berekenend, heel erg koude ogen.

Geen reacties | Link | 4 mei 2011 | Categorie:

Huilie huilie: kom maar, geenstijl-jügend

Op about:blank staat een stuk (beetje rare layout, hij staat aan de rechterkant van de pagina) van een anoniempje dat klaagt over het feit dat Dominique Weesie van geenstijl.nl ‘Blogger van het decennium’ is geworden. In 2008 heb ik een column voor Passionate geschreven met hetzelfde idee dat de anonieme schrijver had.

Ik geloof niet dat ik deze column eerder online gezet heb – waarschijnlijk was ik bang voor de geenstijl-jügend die hier massaal komt zeggen dat ik geen huilie huilie moet doen.
Nou ja, weet je wat: zeg het maar gewoon. Ik doe huilie huilie.

Ik heb een stokpaardje, en hoewel ik me bewust ben van het feit dat mensen met stokpaardjes heel vervelend zijn, gooi ik ‘m erin. Hatsee, hier is ie: het Nederlandse deel van het internet is stom.

En iets preciezer: het Nederlandse deel van het internet hangt aan elkaar van bekrompenheid, egocentrisme, navelstaarderij, scheldpartijen en foto’s van huisdieren.

Persoonlijk maak ik me schuldig aan al het bovenstaande. Wat mij weer voer voor mijn stokpaardje oplevert, want ik ben graag slachtoffer van mijn omgeving. Ik heb heel lang een schrijflog gehad waar ik het navelstaren tot de norm van het Nederlandse internet heb verheven; ik ben in 2000 begonnen met zeuren over dingen die me bezighielden (mijn kat, ritjes in de tram en wachten in de rij bij de kassa), en geloof het of niet, maar: in die tijd was ik daar de enige in. Nou ja – vrijwel de enige. Ik weet for a fact dat er een heleboel schrijflogs door mij zijn geinspireerd.

Daar heb ik een dubbel gevoel over: ik ben trots op zoveel invloed en ik schaam me voor het eindproduct: honderdduizenden weblogs waar mensen vertellen over hun avonturen in de rij bij de kassa. (Begrijp me niet verkeerd: als een stukje goed geschreven is, is het altijd de moeite waard, ook al gaat het helemaal nergens over, maar er zijn zoveel mensen die niet doorhebben dat dat dus de bedoeling is: je stukje dat nergens over gaat zo goed schrijven dat het niet meer uitmaakt dat het nergens over gaat.)

Ik ben zelf wel zo’n beetje opgehouden met dat soort stukjes, maar ik zet regelmatig foto’s van mijn hond op flickr. Mea culpa, zonder meer.
Ach ja – het Nederlandse deel van het wereldwijdewebje.

In Nederland betekent het internet: mensen afzeiken op geenstijl.nl, fora over wasmachines en weblogs met te veel slecht geschreven verhalen over in de rij bij de kassa staan.

Kijk: met die fora en die neuzellogs kan ik heel goed leven. Dat valt allemaal te negeren, tenslotte. Maar wat mij al jaren pijn doet, is het gigantische succes van afzeikweblog geenstijl.nl. Op geenstijl worden mensen te kakken gezet, en geen enkel middel wordt geschuwd. Geenstijl is het succesvolste weblog van Nederland. En dat is eng. Vooral de mensen die reageren maken het unheimisch: de berichtjes van de redactie zijn naar, maar de reacties zijn echt van idioten. Wat helemaal gaat schuren is dat er ook nog commentaar wordt weggejorist door de redactie – als er dingen worden geschrapt die nog erger zijn dan wat er blijft staan, ben ik bang voor Nederland. Dat is dan het internet dat de gemiddelde Nederlandse huiskamer binnenkomt, want dat is het internet dat media-aandacht krijgt.

Ik was zo gelukkig geweest als weblogachtigen met een positief idee hadden gefloreerd in Nederland. Maar dat doen ze niet. Mooismagazine.nl [noot 2011: niet meer erg levend] heeft een serie Dutch Bloggies (een jaarlijkse prijs voor de beste weblogs) gewonnen, maar dat is waarschijnlijk omdat de jury van de Bloggies hetzelfde idee had als ik: was het maar leuk op het Nederlandse deel van het wereldwijdewebje. Want mooismagazine.nl is een prachtig concept (iedereen die iets leuks te vertellen heeft, mag dat vrijuit doen), maar in m’n feedlezer zie ik maar twee niet altijd even goed geschreven postjes per week voorbij komen.

Er gaat in Nederland nooit iets moois van de grond komen, en dan echt goed van de grond komen, wat internet betreft, omdat Nederland bestaat uit zeikerds en mensen die het lievcr alleen doen, als ze iets kunnen.

Weet u: ik ben blij dat ik niet zo iemand ben die roept dat ie wel ergens anders gaat wonen omdat dit zijn land niet meer is, maar ik geloof dat ik wel al virtueel geëmigreerd ben.

Ik ben alleen heel even teruggekeerd toen Rita Verdonk een tijdje terug met haar wiki kwam. Rita had een beweging en die beweging ging naar het volk luisteren en het volk mocht zijn ei kwijt op Rita’s wiki. Iemand in haar clubje had kennelijk geroepen: laten we heel erg web 2.0 worden, want dat is nieuw! Zonder verder enig idee te hebben wat zoiets zou doen op het Nederlandse deel van het wereldwijdewebje.

Met lichte voorpret klikte ik de wiki open, en: het was een slagveld. Rita werd compleet belachelijk gemaakt. Een wildgroei van serieus bedoelde maar door domheid lachwekkende suggesties vermengd met gesar van het volk dat normaal bij geenstijl rondhing. Onder het kopje leges: ‘Geen gekut met glasbakken. Smijt je fles gewoon weg als-ie leges.’

Ik heb een hele dag zitten verversen en zitten lachen, tot Rita’s mensen de wiki offline haalden. (Voor een mirror, zie hier)

Het was het virtuele equivalent van het rotmoffen blijf met je rotpoten van onze rotjoden af uit de oorlog: het Nederlandse volk zuigt en kankert en is zwaar onverdraagzaam, maar laat het niet gebeuren dat iemand de oorzaken aan wil pakken (en zeker niet op zo’n debiele manier als met een wiki), want we moeten nog iets overhouden om onverdraagzaam over te zijn.

Geen reacties | Link | 7 februari 2011 | Categorie:

‘Mijn ideale uitgever’

De SLAA had me gevraagd of iets wilde zeggen op een debatavond over hoe uitgeverijen met moderne fratsen om moeten gaan. De opdracht: schets je ideale uitgever. Welnu, dat wilde ik wel. Onderstaand verhaal las ik voor in het Comedy Theater (en er viel niets te lachen!) op 25-01-2011. En ik las het voor vanaf mijn iPad, vanwege de gimmick.

Ik was in new york, en dat zeg ik zo achteloos mogelijk, maar ik zeg het graag tegen iedereen die ik tegenkom, en in new york viel het me op dat er in de metro heel veel gelezen werd. Beduimelde pocketboekjes, hardcovers van de nieuwste titels, en heel veel mensen hadden e-readers in hun handen.

Ik lees dit voor vanaf mijn ipad, ik heb een autocue-app die de tekst langzaam voor me uitspelt, en ik moet er een beetje aan wennen, want dit is de eerste keer dat ik mijn ipad zo gebruik. Het is een beetje onzin natuurlijk, wat ik nu doe, niks mis met een stuk papier, maar het past mooi in het verhaal.

Als ik niet hardop hoef te lezen, gebruik ik mijn ipad vaker, maar vooral voor tijdschriften en dagbladen – op vrijdag download ik het nrc voor de boekenbijlage, op maandag staat de New Yorker voor me klaar, die ik binnenhaal en vervolgens ongelezen laat, net zoals ik met de papieren versie deed.

Lees ik boeken op mijn ipad? Nee. Het scherm van een ipad – anders dan bij dedicated e-readers – is niet geschikt om heel erg lange lappen tekst te lezen, maar vooral: digitale boeken zijn duur.

Ik wil best drie euro 99 betalen voor een New Yorker, maar 12 euro voor een boek dat je niet vast kan houden, dat vind ik te veel.

Dat klinkt als de klacht van een verwend ventje van de internetgeneratie dat te lang alles gratis heeft gekregen vermengd met het argument van een ouwe man, maar ik heb zelf een paar boeken geschreven, dus ik weet dat schrijvers niet voor de kat z’n kut zitten te tikken, en de ipad heeft bewezen dat mensen juist wel voor content willen betalen, maar er zit volgens mij een psychologische grens aan wat de consument uit wil geven aan iets dat uit enen en nullen bestaat. Dat is geen harde wetenschap van mijn kant, allemaal speculatie van iemand die links en rechts wat klepels heeft horen luiden – maar het is een feit dat mensen digitale producten willen kopen. De markt is er. Nu moet alleen de aanbieder nog over de brug komen. En de aanbieder is in het huidige systeem: de uitgever.

Er is mij gevraagd de ideale uitgever te schetsen. Dan kan ik zeggen dat ik een uitgever wil die voor reclame van mijn boeken net zoveel budget uitgeeft als Khaleid Hoseini krijgt en een redacteur die me elke ochtend croissantjes komt brengen, maar ik wil het een beetje bescheiden en realistisch houden: ik wil graag een uitgever zonder angst.

Toen ik via Paul Sebes in boekenlandje terecht kwam, mocht ik kiezen uit een aantal heel mooie uitgevers, en ik koos voor de uitgever waarvan ik zeker wist dat mijn oude moedertje die ook kende: de bezige bij. De bezige bij is een heel erg mooi uitgeefhuis. De Bij wil graag een onderkomen zijn, een safe haven voor haar auteurs, en als ik ooit nog iets minder bescheiden word, gaat het vast nog wel eens zover komen dat ik er voor de gezelligheid op de koffie kom en niet meer onder de indruk ben van alle portretten van grote namen op de trap. Maar het is geen uitgever zonder angst.

De Bij heeft een tijdje lang Hans Nijenhuis als kroonprins gehad, beoogd opvolger van de knuffelende vader van ons allemaal, Robbert Ammerlaan, en met Hans heb ik in die tijd goeie gesprekken gehad over hoe het digitale verhaal aangepakt zou moeten worden.

Ik zei in zo’n gesprek voorzichtig dat ik mijn eerste boek misschien wel digitaal op mijn website wilde zetten – gratis.
Lijkt me een goed idee, zei Hans. Gaan we binnenkort een keer over praten.

Ik zei dat de Amerikaanse schrijver Cory Doctorow al zijn boeken gratis aanbood en hij kon aantonen dat de verkoop van zijn papieren boeken daardoor gestegen was.
Geloof ik meteen, zei Hans.

Ik zei dat ik dacht dat mensen die een boek gratis downloaden óf het lezen van een scherm vervelend zouden kunnen vinden en toch het fysieke boek zouden kopen, óf, als ze ervaren schermlezers waren, de schrijver toch hun waardering zouden willen tonen door wat geld op zijn rekening te storten.

In die situatie zou bij aankoop van een papieren boek het overgrote deel van het geld naar uitgever, distributeur, boekhandel gaan (niet noodzakelijk in die volgorde), en bij een paypalbetaling aan de schrijver wordt de maker beloond. En dat zou zomaar eens een eerlijke verdeling kunnen zijn.

Hans en ik zagen het allemaal zitten – we oefenden vast de knuffels die Robbert Ammerlaan nu aan Jan Siebelink gaf.

Maar Hans Nijenhuis kreeg niet lang daarna een aanbod om baas van het NRC te worden, en dat aanbod heeft ie gepakt, en ik heb zo’n vermoeden dat de angst voor vernieuwing van zijn collega’s bij de Bij daar iets mee te maken heeft gehad. Er zijn geen nieuwe kroonprinsen meer aangetrokken; de beoogde opvolger van Robbert Ammerlaan zal waarschijnlijk uit eigen gelederen worden gekozen.

Sinds Hans weg is, heb ik mijn idee over het gratis aanbieden van mijn eerste boek niet meer in de groep durven gooien bij de Bij. Angst voor de portretten van de grote namen op de trap, en angst voor de angst van de uitgeverij zelf.

Geen reacties | Link | 26 januari 2011 | Categorie:

791 woorden: bivakkeren in nostalgie

Een column voor het literaire tijschrift Passionate.

Ik lees nu een boek over hackers. Het boek is uit 1984 en achterop staat zoiets als: vroeger was het behelpen, maar nu (in 1984) hebben we natuurlijk geweldige computers, kijk ons toch eens met onze Commodore 64! (Ik weet nog niet of de Commodore 64 genoemd gaat worden; ik ben nu op het punt dat de Altair 8800 uitgevonden wordt: de eerste computer die mensen thuis neer kunnen zetten maar die, als je er zelf geen onderdelen aan bouwt, niet veel meer doet dan knipperen met rode lampjes.) Ik ben meta-historisch aan het lezen. Een oud boek over geschiedenis.

Het verhaal is alleen meeslepend voor nerds zoals ik, maar meeslepend is het: ik waan me in 1959 op MIT, waar onooglijke jongens met pennen in hun borstzak vechten voor een plek achter de terminal van een computer die drie huiskamers in beslag neemt; ik bén in Silicon Valley als de Homebrew Computer Club in de vroege jaren zeventig met die Altair 8800 aan de slag gaat.

Het zegt u hoogstwaarschijnlijk niets, zoals een groot Hollands poëet ooit zei, maar dat maakt ook niet uit: het gaat erom dat ik door een boek ondergedompeld word in een tijd die ik zelf mee had willen maken.

Met films werkt het ook, natuurlijk. Elke keer als er een Sissifilm bij de KRO wordt uitgezonden, kijkt mijn schoonmoeder. Zij gaat voor de romantiek van de jurken. En dan zegt ze dat ze in de verkeerde tijd is geboren. Dat zegt ze ook als er een klassieker als White Christmas op tv is. ‘Ik ben in de verkeerde tijd geboren.’

Nu is de moeder van mijn vriendin een jonge blom, maar mijn eigen moeder was achttien toen White Christmas in 1954 in de bioscoop kwam — mijn moeder is precies op tijd geboren om mee te maken wat mijn schoonmoeder graag mee had gemaakt. Qua jurken en kapsels dan. En toch ligt mijn moeder nu in haar verzorgingshuis mee te maken wat wij nu allemaal meemaken. Nostalgie heeft een houdbaarheidsdatum met terugwerkende kracht. Mijn moeder woont niet meer in 1954 — dat doet ze al 56 jaar niet meer. Ik kan mijn iPhone nu in m’n moeders handen drukken zodat zij de vakantiefoto’s kan bekijken, ook al heeft ze de leeftijd gehad om van Bing Crosby te dromen.

Ik kan zelf lichtjes wegdromen bij onschuldige beelden uit de jaren zeventig of tachtig — maar ik heb de jaren zeventig en tachtig meegemaakt. Niet zo bewust als ik achteraf zou willen, maar dat is de tragiek van het nu: je weet pas later dat dat nu iets bijzonders was. Nu, dit nu is saai, nu is altijd de tijd waarop we er het normaalst uitzien, die idiote broeken met wijde pijpen in de jaren zeventig, die broeken met hoog water in de jaren tachtig: die waren raar, achteraf, wat we nu dragen is zoals het hoort en het gaat nooit meer iets anders worden.

Maar we wonen niet in 2010, we bivakkeren er niet, en ik weet zeker dat er in 2040 mensen gaan zijn die zeggen: ach, 2010. Als je toen toch geleefd had. En met een beetje mazzel zijn wij er dan nog, en de 2010-zuchters zullen daar volledig aan voorbij gaan.

Toen ik dertien of veertien was, kreeg ik computerles op de mavo. Ik werd achter een beeldscherm met de afmetingen van een flink aquarium neergezet, en dat beeldscherm was zwart, en met groene letters knipperden er een paar lettertekens.
C:\>
En dat was het.

Ik werd er niet warm of koud van. Ik geloof niet dat ik enige magie op het scherm zag. We kregen een paar opdrachten, en ik kan me niet herinneren of ik die opdrachten tot een goed einde heb gebracht. Toen de les af was gelopen, vergat ik de computer onmiddellijk. De dos-prompt, die paar lettertekens — ze deden het niet voor mij, toen. Terwijl ik nu een verouderd boek lees over de geschiedenis van de computer, een boek dat uitkwam toen ik onbewogen naar dat grote zwarte scherm staarde. De schrijver dacht dat we er al waren met de computer (op de achterflap staat ‘today, technology is cool’) maar man, je stond nog midden in de geschiedenis.

En ik had er toen zo in kunnen stappen. Ik had mezelf DOS kunnen leren, ik had kunnen programmeren in BASIC, later overstappen op pascal, ik had kunnen begrijpen wat het betekende toen de eerste pentium-chip op de markt kwam. Maar ik heb het toen niet gezien.

Ik weet het, het klinkt even spannend als gras zien groeien, maar láát me.

Ach, 1984.
Je kan niet wonen in een tijd. Je kan een film kijken, een boek lezen, en als je dat boek weglegt, ontdek je weer dat je altijd in dat verdomde nu zit.

Geen reacties | Link | 24 januari 2011 | Categorie:

841 woorden: Niet op deze manier

Een column voor het literaire tijdschrift Passionate.

Ik woonde in Slotervaart en in Slotervaart zat een bibliotheek. De bibliotheek zat om de hoek van het plein waar de Albert Heijn, de Dirk van den Broek en de garniturenwinkel zaten. Op het plein hingen jongetjes die in de bibliotheek achter de computers zaten als ie open was, maar hij was niet zo vaak open.

Ik ging er op maandagavond heen om boeken te lenen. Ik leende meer boeken dan ik las. Ik leende er meestal zes, elke week dacht ik: ik zou er best zes kunnen lezen. Maar als ik één boek las, was het veel.

Bij de bibliotheek deden ze ook aan activiteiten. Op een dag hing er een poster en op de poster stond Martin Bril. Hij zou komen. Martin Bril schreef nog stukjes voor het Parool, waarin hij met zijn dochter achterop door het Vondelpark fietste en naar een reiger keek. Kaartjes voor de avond met Martin Bril waren twee gulden vijftig, en ik ging naar binnen en kocht een kaartje.

De avond met Martin Bril ging niet door wegens gebrek aan belangstelling.

Een paar maanden later zou er een avond zijn met Ronald Giphart. Ik kocht weer een kaartje. Ik wilde graag een schrijver van dichtbij zien omdat ik van plan was er zelf één te worden. Ik wilde een schrijver worden die over tweehonderd jaar nog herinnerd zou worden, want zo denkt iedereen die schrijver wil worden.

Die avond ging door. Mijn zuster belde me, net voor ik naar de bibliotheek zou gaan, en ze vroeg wat ik ging doen, en ik vertelde het. Ze wilde ook mee. Mijn zuster wilde niet per se een schrijver van dichtbij zien, hoewel ze wel alle boeken van Virginia Andrews had gelezen. Mijn zuster zorgde ervoor dat de opkomst verdubbelde, dus het liep niet echt storm voor Ronald Giphart in Slotervaart, maar de mensen van de bibliotheek hadden de avond toch door laten gaan — ik denk omdat zij Ronald Giphart graag een keer van dichtbij wilden zien. Mijn zuster en ik zaten met zes of zeven bibliothecaressen op stoeltjes naar Ronald Giphart te kijken, en hij las voor. Hij las voor uit verschillende boeken, en de bibliothecaressen krompen allemaal in elkaar toen hij de rug van één van zijn eigen boeken brak om ‘m open te houden. Hij merkte de reactie op en deed het nog een keer. Hij zei: het is maar een boek.

Toen hij klaar was met voorlezen voor het deel van voor de pauze, mochten we vragen stellen. De bibliothecaressen stelden vragen en ik verzamelde moed: ik wilde schrijversvragen stellen, en ik wilde ook graag dat Ronald Giphart door zou hebben dat hij met een andere schrijver te maken had. In de pauze zou ik het nog zeggen, met m’n handen in m’n zakken zou ik bij het koffiedrinkende groepje gaan staan en ik zou zeggen dat ik ook schreef, en hij zou heel enthousiast zeggen dat dat heel goed was en dat ik maar eens iets naar zijn uitgever moest sturen.

Maar nu, voor de pauze, vroeg ik over tijdloosheid. Hij had net een passage voorgelezen die heel erg niet tijdloos was, door de details die hij gebruikte. Ik vroeg of hij daar niet naar wilde streven, tijdloosheid.

Hij vroeg wat mijn lievelingsboek was. Ik zei dat dat The Catcher in the Rye was. Ik was jong en getourmenteerd. Ronald Giphart vroeg of ik even na wilde gaan hoe tijdloos The Catcher dan was. Ik dacht er over na. The Lunts, daar moest ik aan denken, het toneelstuk waar Holden naartoe gaat, The Lunts zijn de acteurs die erin zaten. Ze bestonden niet meer, alleen nog maar in The Catcher. En The Catcher bestond alleen maar uit dat soort details. Ik zei tegen Ronald Giphart dat hij gelijk had.

Toen wilde ik niet langer een schrijver worden die over tweehonderd jaar herinnerd zou worden. Ik hield op met het vermijden van details die mijn verhalen niet meer tijdloos zouden maken.
Het was een bevrijding. Vanaf die dag ging ik goed schrijven. In ieder geval: beter dan ik voorheen had gedaan.

Ik moest aan Ronald Giphart denken toen ik las dat Max Havelaar hertaald was. Ik denk dat Ronald Giphart het allemaal niet zoveel kan schelen, want het is maar een boek, maar het gaat wel tegen zijn wet in. Het hertalen van Multatuli is een poging tot tijdloos maken. Een paar mensen hebben bedacht dat Multatuli bepaalde details had moeten vermijden, en zij hebben dat gelukkig goedgemaakt. Het kan me niet zoveel schelen, want dat heb ik ook geleerd van Ronald Giphart. Als het boek door de hertaling iets makkelijker te lezen is voor de schoolkinderen die ertoe gedwongen worden, is dat meegenomen — ik heb niet eens het recht om me er druk over te maken, want Max Havelaar staat hier nog ongelezen in de kast. Niet hertaald.

Maar het is natuurlijk idioot. Het boek is niet meer het boek wat het was. Multatuli is de enige Nederlandse schrijver die tweehonderd jaar gelezen worden zou kunnen halen, maar niet op deze manier.

Geen reacties | Link | 22 juni 2010 | Categorie:

808 woorden: Actie

Een column voor Passionate.

De RAF heeft ooit in Osdorp gezeten. Ze hadden er een schuilplaats en ze werden ontdekt en toen werd er geschoten. Een jongen waar ik wel eens mee voetbalde op het pleintje heeft me de kogelgaten in de muur op de Pieter Calandlaan laten zien; die zitten er al heel lang, zei hij.

De RAF vocht voor een betere wereld, in de jaren zeventig.

Ik heb zelf ook een keer gevochten voor een betere wereld. Dat was in de jaren tachtig. Althans, ik heb een keer meegelopen met een demonstratie. Ik weet niet meer waar die demonstratie voor of tegen was. Maar we hoefden niet naar de les, dat weet ik nog wel. We vertrokken van school en daar kwamen we ook weer aan. Toen we klaar waren, ging ik naar huis.

Op de route van school naar huis hingen op vier verschillende plekken gele posters in de ramen: stop de neutronenbom. Toen ik mijn moeder vroeg wat dat was, zei ze dat het een bom was die alle gebouwen liet staan, dat alleen mensen ervan dood gingen. Ik weet nog steeds niet of dat klopt. Ik heb de neutronenbom altijd iets magisch gevonden. Ik zag dat wel voor me, een wereld zonder mensen waar alleen alle dingen er nog waren.
Ook in de ramen: zwartwitposters met boze figuurtjes die de bom een schop gaven.

Op de radio was Doe Maar met De Bom.
Laat maar vallen
want het komt er toch wel van.

Op school liepen oudere jongens in zwarte kleren.

Het was heel veel onschuld, in de jaren 70 en 80. Zelfs de RAF met hun aanslagen en hun doden hebben achteraf gezien een bepaalde liefheid — met veel excuses en respect naar hun slachtoffers, natuurlijk. Elk clubje dat dacht dat communisme een oplossing was, heeft een bepaalde liefheid; naïviteit is altijd een beetje vertederend. Maar ze waren radicaal en de mensen waren bang voor ze.

De radicalen waar de mensen nu bang voor zijn hebben die onschuld niet, ook al zijn zij net als de RAF ervan overtuigd dat de wereld een betere plek wordt als iedereen naar ze luistert. Ik denk alleen dat de radicalen van nu vinden dat iedereen slecht is — in de jaren 70 had juist iedereen iets goeds in zich.

Het is grappig dat het zo loopt: je zou denken dat de geschiedenis terwijl hij zich voltrekt laat zien dat mensen zich op saamhorigheid richten, niet op wij en jullie. In vrijwel elk verhaal dat zich in de toekomst afspeelt, zijn er geen landsgrenzen meer op aarde; grenzen zijn iets heel onlogisch voor mensen met lieve idealen. Maar mensen zijn niet liever geworden. Mensen zijn bozer geworden. En als ze niet boos zijn, zijn ze ongeïnteresseerd.

Dus: de radicale actie is radicaler geworden. Meer doden, minder gericht. En de niet-radicale actie stelt niets meer voor. Als je nog eens een demonstratie op de Dam ziet, zijn het altijd Azerbeidjanen die om vrijheid roepen of iets anders dat Azerbeidjanen nodig hebben. Of Tibetanen. In kleine groepjes. Bij de Tibetanen zie je dan wel een paar verdwaalde Nederlanders, maar die zijn nog van vroeger.

De mensen van nu voeren actie door hun avatar op twitter groen te maken zodat ze laten zien dat ze het heel erg vinden dat er een meisje in Iran is doodgeschoten.
Misschien ben ik zelf nog een beetje van vroeger dat ik dat een beetje jammer vind.

Als ik Star Trek keek, vond ik het volkomen logisch dat er geen landsgrenzen meer bestonden. Ik dacht: mensen gaan allemaal bij elkaar horen. En dan dacht ik niet aan communisme, maar aan aardig voor elkaar zijn. En ik dacht dat ik dat zelf nog mee zou gaan maken, want dat bij elkaar horen zou een beetje gelijk opgaan met de komst van vliegende schotels voor iedereen, en die vliegende schotels waren een kwestie van tijd; vanaf het jaar 2000 zou dat wel een beetje op gang komen. Iedereen wachtte op dat jaar 2000, zo leek het, want er waren een heleboel producten en winkels en leuzen die dat magisch klinkende ‘2000’ incorpereerden.

Ik was niet de enige die wachtte.
Er kwam niets.
Maar niemand hier heeft nog veel zin om actie te voeren.

Alle actie komt altijd voort uit gezamenlijke onvrede. Onvrede is er nog steeds, misschien wel meer dan ooit, maar het is geen onvrede meer over de situatie van mensen — het is onvrede over mensen. Niet-radicale actie is een eenmansbetoging geworden met een reactie op een artikel op telegraaf.nl: ze moeten eens boeven gaan vangen.

De radicale actie van nu is een laatste oprisping – straks, over honderd jaar vind iedereen iedereen stom, en om het dan nog ergens op te laten lijken, maakt ergens iemand zijn avatar op twitter groen, en vervolgens kijkt hij uit het raam om te zien hoe de landsgrens rond zijn huis erbij ligt.

Geen reacties | Link | 30 maart 2010 | Categorie:

591 woorden: Aardig

logo nrc.next Nrc.next belde en vroeg of ik nog last van een mening had. Neuh, niet speciaal, maar ik ben niet te beroerd er een te verzinnen. Geplaatst in de papieren next van 29 januari.

Ik ben aardig. Dat is een tekortkoming. Dat weet ik nu.

Gelukkig heeft SIRE geholpen me dat te realiseren met hun nieuwe campagne.

Op www.pasopaardig.nl staat een gebruiksaanwijzing voor het omgaan met aardige mensen. Aardige mensen zijn namelijk nogal zonderling, zo blijkt, en nu ik de verschillende aardigerds (de groeter, de complimentenmaker, de uitdeler, de attenterik en de wegwijzer) op de website heb kunnen bekijken, weet ik dat ik ook een rare snuiter ben. Als ik bij mijn vriendin in het dorp ben, begin ik al meters voor we iemand tegemoetkomen breed te glimlachen omdat ik weet dat daar teruggegroet wordt als ik gedag zeg and I love it; als er iemand langzaam langsfietst terwijl hij zoekend om zich heen kijkt, wil ik ‘m eigenlijk aanklampen om te vragen waar ie heenmoet — weer iemand die ik de weg kan wijzen; en ik doe aan de Amsterdamse variant van de uitdeler: ik geef bedelaars geld. Ik scoor drie uit vijf. Ik ben behoorlijk raar dus. Er is een gebruiksaanwijzing nodig voor mij, met een waarschuwende toon. Pas op, aardig.

Natuurlijk is het allemaal met een dikke knipoog bedoeld, want, zo zegt SIRE zelf: ‘uit onderzoek komt naar voren dat 78% van de Nederlanders vindt dat we aardiger voor elkaar zouden moeten zijn. Tegelijkertijd blijkt echter dat ruim twee miljoen Nederlanders er niet goed raad mee weten als een onbekende een aardig gebaar maakt.’ De nieuwe campagne is er ‘om aardige mensen een hart onder de riem te steken.’ Ah.

De — vast bijzonder aardige — mensen van SIRE doen hun best. En dat doen ze al jaren.

Ik heb een tijdje op hun website rond zitten klikken en ik kwam bij De maatschappij, dat ben jij, uit 2002, en bij dat filmpje staat: ‘Deze tachtigste SIRE-campagne deed veel stof opwaaien.’ De tachtigste? In 2002 was SIRE al tachtig campagnes bezig Nederland op te voeden? Dan kan het punt van de honderd niet ver weg zijn.

Misschien is het dan eens tijd om de stekker eruit te trekken.

Of misschien kan SIRE worden gereduceerd tot twee vrolijke jongens die elk jaar een variant op Je bent een rund als je met vuurwerk stunt verzinnen, gewoon, omdat dat een beetje bij Nederland hoort, omdat het een beetje cultuurgoed is. Jammer dat al dat opvoedgeweld verder zo nutteloos is geweest.

Want niemand, echt helemaal niemand, heeft zich ooit aangesproken gevoeld door een campagne van SIRE. De mens in het algemeen en de Nederlander in het bijzonder heeft het talent (of misschien is het wel een overlevingsmechanisme) te denken dat het altijd over iemand anders gaat. En de Nederlander denkt bij het zien van zo’n (vaak goed bedacht) filmpje: ha, ja, dat zal ze leren. De Nederlander betrekt het filmpje niet op zichzelf. Het zijn altijd de anderen over wie het gaat.

Hoe sympathiek het clubje ook is: SIRE is overbodig. Het zou een ideale wereld zijn als de stichting zichzelf overbodig zou hebben gemaakt, als iedereen de groeter morgen terug zou groeten, maar de campagnes slaan stuk op de overtuiging van ieder mens dat het niet aan hem ligt. Een opvoeding krijg je thuis, en je ouders hebben het altijd goed gedaan, ook al hebben ze dat niet.

Ik ben een aardig mens omdat ik dat als kind heb geleerd. Ik ben verre van perfect opgevoed: mijn ouders hebben het lang niet altijd goed gedaan, maar ik laat me dat niet door een reclameblok op televisie vertellen. SIRE werkt niet. TV-kijkend Nederland is al opgevoed. En of dat goed of slecht is gebeurd, doet er niet toe.

Geen reacties | Link | 30 januari 2010 | Categorie:

668 woorden voor nrc.next: Sneeuw

Nrc.next belde mij maandag of ik een verhaal voor dinsdag kon schrijven over het noodgedwongen thuisblijven door de sneeuw. Dat kon ik: ik was thuisgebleven door de sneeuw.
Dit is een iets langere versie dan in de krant stond.

Het intensiefste wat ik op 21 december 2009 heb gedaan, de maandag waarop werkend Nederland stilviel door een dik pak sneeuw, is het aanmaken van een twitter hashtag. Nee, dit wordt geen technisch verhaal over sociale media – dit gaat over de rust die over Nederland viel toen het land werd toegedekt.

Nederland had zijn wekker braaf om zeven uur gezet, maar de NS zei nog steeds dat je beter niet op de trein kon stappen, en de ANWB raadde autorijden af. Het had een hoog wij van wc-eendgehalte, zag ik iemand op twitter zeggen – maar dan negatief. Hoewel, negatief? Ik drukte mijn wekker om zeven uur uit, zocht even uit hoe het zat met de treinen (ik moest vanuit Amsterdam naar Den Haag voor mijn werk), haalde mijn schouders op, en sliep een uurtje verder.

Dat extra uur was welkom: het laatste rondje met de hond de vorige avond was nogal uitgelopen. Het park was te wit geweest, te stil, en om één uur ’s nachts ongegeneerd sneeuwballen naar je enthousiaste hond gooien zit een beetje in dezelfde categorie als zwemmen met dolfijnen, als je mensen die ooit met dolfijnen hebben gezwommen moet geloven. Dat kan dus veel simpeler: een pak sneeuw en een hond.

Weeralarm, of nee, toch niet, en dan kamervragen over waarom er geen weeralarm was gegeven door het KNMI, want Piet Paulusma had het wel zien aankomen. Auto’s die schuivers maken, Afgelaste wedstrijden in het weekend, het Dickensfestijn in Deventer waar 20.000 bezoekers minder dan verwacht waren, koopzondagen waar niemand op afkwam. ‘Mensen bleven binnen of gingen recreëren in de sneeuw,’ zei Trouw.

Het meestgebruikte woord hiervoor is chaos. Chaos? Twintigduizend mensen minder naar Deventer? Ik herhaal: ‘mensen bleven binnen of gingen recreëren in de sneeuw.’

Na zo’n zondag de gordijnen opentrekken en dan die sneeuw nog steeds zien liggen. Natuurlijk: als er dingen zijn die je móet doen, als je echt de weg opmoet, is het klote. Maar er waren op 21 december 2009 vast een heleboel Nederlanders die hebben gedacht: weet je wat: ik werk thuis. Of: ik doe helemaal niks. En door die opengetrokken gordijnen zie je de auto’s van de mensen die echt moesten stapvoets rijden, je ziet een paar voetgangers (voor het beeld mag je nu een moeder met een slee aan een stevig touw voor je zien, twee kinderen in hun kerstvakantie erop) en iemand die het aangedurfd heeft zijn fiets van het slot te halen. En iedereen gaat even snel. Of beter: even langzaam. De sneeuw is egaliserend.

Nederland lag stil. Nederland bleef thuis. En zo erg was dat niet.

Ik bleef ook thuis, op 21 december 2009. Natuurlijk nog een wandeling met de hond die zijn liefde voor sneeuw nog niet verloren had, na een nachtje slaap, links en rechts andere hondenmensen begroetend. Maar verder: dingen doen die ik voor mijn werk thuis kon doen, wachten op de conference call van twee uur – en die hashtag op twitter aanmaken.

Want: op 21 december 2009 wilde mijn verkering vanuit Tilburg terug naar Amsterdam komen. En het enige dat de NS deed was zeggen dat er weinig werd gereden. Dus ik riep twitterend-zich-op-stations-bevindend Nederland op te tweeten welke treinen er wel reden, want ik wilde mijn verkering graag thuis hebben. Doe het met een hashtag, dan heeft iedereen er wat aan, zei ik. Een hashtag is een overdreven benaming voor een woord met een # ervoor.

Ik had bedacht: zet #snov in je bericht (voor sneeuw en ov) en heel Nederland kan zoeken op dat woord om live te zien of er een trein op je traject rijdt. Het had niet veel nut. Iemand zei iets over Den Haag en Utrecht, en iemand anders zei iets over de sprinter tussen Rotterdam en Hoek van Holland. Niets over een rit van Tilburg naar Amsterdam. Iemand twitterde nog iets over een sneeuwballengevecht. En mijn verkering twitterde na tweeëneenhalf uur reizen, ongeveer, dat ze in een Amsterdamse tram zat.

Nederland was toegedekt, op 21 december 2009, en echt: zo erg was het niet.

Geen reacties | Link | 23 december 2009 | Categorie:

779 woorden: Mensen die hebben doorgeleerd

Ik zat zaterdag bij m’n oude moedertje in het ziekenhuis, en ik vertelde dat ik die avond naar Nijmegen moest, naar de Wintertuin, en dat de aardige mensen van de Wintertuin me hadden gevraagd of ik een politieke toespraak wilde schrijven, waar ik vooral flink wat retorica in moest gooien.

Dus ik vertelde dat ik iets had geschreven waarin ik wat vooroordelen over politici en mensen die hebben doorgeleerd had gestopt, dat mensen het maar verdacht vinden dat niet alle stoelen in de tweede kamer altijd bezet zijn, bijvoorbeeld, en mijn oude moedertje zei dat ze het daarin met me eens was — ze vond het inderdaad maar verdacht dat niet alle stoelen altijd bezet waren.

Ach.

Saskia de Coster en toneelschrijver Joeri Vos was hetzelfde gevraagd, en onze toespraken zouden becommentarieerd worden door deskundologen: Jan Kuitenbrouwer, natuurlijk, en Jaap de Jong. Vooraf zou er een deskundig praatje worden gehouden, maar dat praatje duurde nogal lang — achter de coulissen begonnen we te vrezen voor een leeglopende zaal.

Toen ik dan eindelijk aan werd gekondigd, had ik de eerste zin van mijn toespraak gewijzigd. Ik kwam op, ging achter het spreekgestoelte staan, wees naar de deskundologen en zei:

Mensen die hebben doorgeleerd.
De mensen die hebben doorgeleerd weten het beter.
De mensen die hebben doorgeleerd weten wat goed voor ons is.
De mensen die hebben doorgeleerd hebben kennelijk een luikje dat ze naar gelieven open en dicht kunnen doen, en als ze dat luikje opendoen, kunnen ze bij u en bij mij, bij ons, naar binnen kijken en zien wat wij willen.
Sterker nog — wat we zouden moeten willen.
De mensen die hebben doorgeleerd weten het. Dat is namelijk waar ze voor hebben doorgeleerd. En wat is doorleren in dit land? Een paar jaar op onze kosten zuipen en brallen in de grote stad en wachten tot er een goeie stoel vrijkomt. En ondertussen zitten de vaders en moeders en de vriendjes van de vaders en moeders al met hun doorgeleerde konten op de goeie stoelen en die zijn pas van plan op te staan als er weer wat van die brallende jongens en meisjes klaar zijn met dat doorleren. Hier, kom maar, we hebben wat plekken voor jullie vrijgehouden; en dan gaan wij ons terugtrekken in ons grote huis op de grachtengordel.
Zo gaat dat, met de mensen die hebben doorgeleerd.
Terwijl wij, vrienden, terwijl wij leren lezen en schrijven en daarna de fabrieken ingaan.
Terwijl de mensen die hebben doorgeleerd hun geld tellen. Geld dat ze krijgen omdat ze doorgeleerd hebben van onze belastingcenten.
En waar wonen de mensen die hebben doorgeleerd? In huizen die wij bouwen. Wij, de mensen met een eerlijk vak.
Terwijl wij werken, lezen zij boeken.

Niet meer.

Als de mensen die hebben doorgeleerd eens met hun konten van de goeie stoelen af zouden komen, als ze eens uit de grachtengordel zouden komen, zouden ze zien wat er echt aan de hand was in dit land. Als ze wisten wat er echt aan de hand was in dit land, zouden ze zich kapot schrikken, vrienden.
Maar de mensen die hebben doorgeleerd denken het allemaal prima te weten.
Terwijl ze nog nooit naast ons in de fabriek hebben gestaan. Terwijl ze nog nooit een muur hebben gemetseld. Terwijl ze nog nooit in onze kleine huizen hebben gewoond waar de muren zo dun zijn dat we de familie met tien kinderen naast ons zo duidelijk horen alsof we bij elkaar in de kamer slapen; en die familie was hier niet geweest als de mensen die hebben doorgeleerd jaren geleden niet hadden bedacht dat die families hier moesten zijn.
In onze straten. En niet in die van de mensen die hebben doorgeleerd.
Want de mensen die hebben doorgeleerd wonen ver bij ons vandaan, vrienden.
En toch weten de mensen die hebben doorgeleerd het beter.

Niet meer.

Vertel me eens, vrienden — hebben we het ondertussen niet eens gehad met de mensen die hebben doorgeleerd? Zijn we het niet eens zat?
Met hun konten op de goeie stoelen. En dan vraag ik niet om andere konten op de goeie stoelen — ik wil die stoelen weg.
Die konten uit die stoelen, en de stoelen ook weg, bij het grofvuil. Die stoelen waar wij het geld voor betalen, waar wij voor werken, en waar zij met hun konten op gaan zitten als het hun uitkomt. De goeie stoelen zijn namelijk akelig vaak leeg, en de mensen die hebben doorgeleerd, krijgen wel gewoon hun geld.
Is dat eerlijk?
Klopt dat?
Ik weet niet hoe het met jullie zit, vrienden, maar ik denk niet dat het klopt.

Weten jullie wat ik wil zeggen?
Niet meer.
Willen jullie dat straks met mij zeggen? Niet meer?

Ik wil niet meer dat mensen die denken dat ze het beter weten beslissingen maken die mij aangaan. Mensen die hebben doorgeleerd, mensen die in boeken hebben gelezen hoe wij zijn, hoe de schrijvers van die boeken denken dat wij zijn, schrijvers die over hun brilletjes hebben getuurd en denken te weten wat voor leven wij leiden. Weten jullie wat ik met hun brilletjes wil doen? Ik wil hun brilletjes van hun neus pakken, ik wil hun brilletjes op de grond gooien, en ik wil hun brilletjes plat trappen. De arrogantie, vrienden. De arrogantie. Wat denken ze over ons te weten? Wat geeft hen het recht te denken dat zij weten waar ons luikje zit? Luikje open, en ja, we zien het al, we weten wat goed is voor jullie.

Niet meer.

Laat de mensen met een eerlijk vak het eens voor het zeggen krijgen. Laat de mensen die voor dag en dauw opstaan en hun rug kapot hebben gewerkt voor hun vijftigste het eens voor het zeggen krijgen. Wij weten wat we willen. Wij weten wat goed voor ons is.

We laten de mensen die hebben doorgeleerd dat niet meer bepalen.

Want wij zullen zeggen: niet meer.

En dat was ‘m dan.
Er werd nog wat verder gedeskunderd, Saskia en Joeri mochten nog, en iedereen in de zaal hield het wel zo’n beetje vol, geloof ik.

Later toegevoegd: voor de mensen die het niet helemaal begrijpen: deze toespraak komt niet voort uit mijn ideeën over de wereld, dit heb ik verzonnen omdat de Wintertuin een toespraak wilde met retorische trucjes. Ik kan u doorverwijzen naar een stukje dat wel mijn ideeën over de wereld vertegenwoordigt.

Geen reacties | Link | 30 november 2009 | Categorie:

898 woorden: mijn webloggeschiedenis

Dit stuk stond in de papieren nrc.next van 9 oktober 2009. Op het nextblog stond een begeleidend postje. Iedereen heeft zijn eigen webloggeschiedenis, en dit is de mijne. Lacunes — ik noem bijvoorbeeld de geitenfokvereniging — gaan ooit opgevuld worden.

Het begon op kantoor voor mij, eind 1999. Mijn baas had me bij een groot bedrijf neergezet en ik moest daar doen alsof ik het heel druk had, en ik had het niet druk, dus ik klikte rond op internet.

Er was toen nog niet zoveel, op internet: er was vooral veel van hetzelfde. Homepages met foto’s van konijnen en portals zoals Yahoo waar je door kon klikken naar homepages met foto’s van konijnen. En er was, plotseling, een weblog.

Het eerste weblog dat ik zag, was van een Amerikaan die schreef over whisky, golf en films, en hij deed dat heel anders dan het internet gewend was: in plaats van een homepage met linkjes naar ‘hier is mijn pagina over whisky’, schreef hij zijn stukjes gewoon op zijn voorpagina, en elke keer als ie een nieuw stukje schreef, schoven de oudere stukjes naar onderen.

Ik vond het briljant, en nog dezelfde dag zette ik ook zo’n homepage met stukjes die naar beneden schoven in elkaar. Mijn proto-weblog was geboren: ik schreef slechte stukjes over voetbal, wat ik had gegeten en mijn kat. Alleen kende ik de term ‘weblog’ niet.

Tot ik naar mijn statistieken keek en zag dat er ergens verkeer vandaan kwam: tien hele mensen hadden bij retecool.com op een link naar mijn site geklikt. ‘Nog een nieuw Nederlands weblog,’ stond er op retecool.com, ‘leuk!’
Aha — ik had een weblog.

Op retecool.com stond een kader met linkjes naar andere Nederlandse weblogs, en er bleken er wel een stuk of dertig te zijn, en iedereen linkte naar elkaar, dus dat deed ik ook. Iedereen verwelkomde me. Hee, een nieuw Nederlands weblog erbij. Welkom!

In een redelijke sneltreinvaart kwamen er meer webloggers, die voornamelijk weblogs bouwden als retecool.com: linkjes naar iets leuks of iets stoms. Maar er begonnen ook mensen met het schrijven van stukjes zoals ik deed. Over voetbal, wat ze hadden gegeten en hun kat. Op feestjes en partijen zeg ik altijd dat ik de eerste was met stukjes (waar de anderen zich bij linkjes hielden), en misschien is dat wel zo; ik weet wel dat veel schrijvende webloggers mij als hun voorbeeld zagen, in die begindagen (dat zeiden ze dan op hun weblog).

In die begindagen was alles nog leuk, en niet allemaal even goed — maar het was nog wel overzichtelijk, want je kon iedereen nog lezen. De schaarste werd verklaard door de technische beperkingen: je moest een beetje kunnen webbouwen om een weblog te maken.

Dat veranderde toen de gratis weblogdiensten kwamen, eind 2001, begin 2002.
Ach, de gratis weblogdiensten. Hoe wij, de webloggers van het eerste uur, met een eigen domein en een zelfgeknutselde site ze verachtten, de diensten waar je met een paar klikken een weblog op kon zetten. Kijk hem, hij heeft een blogspot, of erger nog, een web-log.nl, wat wij smalend web-streepje-log noemden.

Maar de populariteit van weblogs nam pas echt een vlucht omdat één jongen op een avond in juni 2001 vergat zijn webcam uit te zetten. Ammer van B. had seks met zijn vriendin terwijl zijn webcam om de minuut een plaatje schoot en dat op zijn website zette. Wat gezien werd door een weblogger die zich Mr. Green noemde, en Mr. Green zette ze op zijn weblog, en na een uurtje vond hij dat zelf al een beetje flauw, maar toen had retecool.com ze al gevonden.

En de volgende dag op kantoor hoorde ik het rondzingen. Jeroen van Inkel had op Radio 538 verwezen naar retecool: jongens, daar moeten we echt even kijken, want iemand heeft zijn webcam aan laten staan terwijl hij…

Het was een praatje bij de koffieautomaat op het kantoor waar het leven zo saai was dat ik een weblog was begonnen.

Nederland wist plotseling wat een weblog was, webloggers wisten plotseling hoe je kon scoren, en alle onschuld uit die eerste dagen was na Ammer voorgoed voorbij. De bezoekersstatistieken van ieder weblog dat iets voorstelde, schoten omhoog, want weblogs waren hot.

Mijn weblog maakte me een microcelebrity, even. Ik had 2000 bezoekers per dag, op mijn hoogtepunt rond 2002, 2003; nieuwe schrijvende webloggers bleven naar me verwijzen, ik werd in vrijwel elk artikel dat over weblogs verscheen in die tijd genoemd, en ik won een paar keer een Dutch Bloggie voor ‘best geschreven’.

Die beroemdheid is voorbij. Nieuwe generaties webloggers zijn gekomen en gegaan, en ik ben nog heel even de weblogger geweest die een boek schreef, maar ik ben nu meer die schrijver met een weblog. Na die hoogtijdagen zijn veel old school bloggers gestopt, en veel van hen zijn ook weer opnieuw begonnen omdat het bleef trekken; we voelden ons dinosaurussen die niet uit wilden sterven en we verbaasden ons — toch nog — over het succes van geenstijl.nl, want het weblog in Nederland had zoveel mooier kunnen zijn.

In al die tijd is het weblog diverse keren doodverklaard, en nu weer, want we twitteren tenslotte allemaal — ik ook, en meer dan ik blog — maar in al die jaren (blogs zijn stokoud, in internettijd) heeft het weblog de tijd gehad om in zijn jas te groeien. Webloggers weten nu voor welk publiek ze bloggen, en ze richten zich op dat publiek.

Ik was er toen weblogs geboren werden, ik heb ze zien puberen, en ik denk dat alle webloggers uit de begintijd het erover eens zijn dat hun kinderen volwassen zijn geworden.

Geen reacties | Link | 10 oktober 2009 | Categorie:

814 woorden: dom dik volk

We zaten op het terras en het terras keek uit op de Tilburgse kermis.
De Tilburgse kermis heeft speciale dagen — een roze maandag, voor homo’s, en vandaag moest een dag voor gehandicapten zijn, want we zagen kleine optochtjes van rolstoelen, mongooltjes, een verstandelijk gehandicapte die luchttrompet aan het spelen was.

Het uitzicht was goed voor ons.
En toen kwam de dikke familie.

De dikke familie bestond uit vier kinderen van wie er één niet dik was en twee vrouwen, van wie er één dik was — de ander was een berg. De berg was zo dik dat er een vetophoping op haar schouders lag, net onder haar nek, alsof ze een rechtopstaande dromedaris was.

Wij keken. Dat is namelijk de bedoeling van een terrasje — kijken naar de mensen die langslopen. Het feit dat er langsgelopen wordt, maakt het kijken net discreet genoeg: voor je te lang kijkt, zijn de langslopers voorbij.

De dikke familie liep alleen niet voorbij; ze zochten een plaats op ons terras. Voor ons. Dus we keken. En ik keek iets te lang, gehypnotiseerd door de dromedarisbult.

De andere vrouw zag me en begon tegen me te praten, maar dat had ik niet meteen door. Ze herhaalde wat ze zei: ze reikte me haar zonnebril aan en vroeg of ik ‘m wilde lenen, want dan zou ik het nog beter zien.

Ik kon zeggen dat je met een zonnebril niet per se beter ziet, maar ik voelde me betrapt, en zo voelde de dikke vrouw zich ook; ze voelde zich bekeken, zij en haar familie, omdat ze zichzelf en haar familie verdacht van het bekijken waard zijn. Ze voelde zich aangesproken, zo zei ik het tegen mijn vriendin, ze voelde zich aangesproken, anders zou ze nooit zo boos zijn. Wij zouden er niets van zeggen als we zo bekeken werden — wij weten dat we bekeken worden, en dat accepteren we.

Maar het was net iets anders, bedacht ik later: het was sociale frictie. Het was onrecht dat we zo keken, want wij waren duidelijk mensen die de havo hadden gedaan. En de dikke familie was voor een dubbeltje geboren, en wij waren typisch het soort mensen om kwalijk te nemen dat zij nooit een kwartje zouden worden.
Nou — Fuck them.

Mijn grote zus woont in een volksbuurt en is daar gelukkig. Als ze iets vertelt over een buurvrouw of over een vriendin, is het bijna standaard dat ze zegt: die heeft al heel veel meegemaakt, hoor. Ja, dat komt omdat domme mensen altijd veel meemaken, en dat komt omdat ze de verkeerde keuzes maken. En vervolgens de schuld aan de maatschappij geven.

Domme mensen, ja.

Dom is een woord dat voor mij net zo’n harde klank heeft als vet, of Turk (ik heb het woord Turk te vaak op een denigrerende manier horen zeggen, dus ik kan het nooit laten ‘Turkse man’ te zeggen als ik Turk bedoel), of kanker. Dom is een vent bij jou en je kinderen in huis halen die zijn en jouw geld wegzuipt en je ook nog even in elkaar slaat, en als ie weg is precies nog zo’n vent in huis halen. Dom is een kind hebben met een havo- of vwoadvies en het dan naar het vmbo te sturen omdat het zegt dat z’n vriendjes daar ook heen gaan.

Die mensen zijn niet slecht opgeleid omdat ze arm zijn — het vwo kost evenveel als het vmbo. Die mensen zijn arm omdat ze dom zijn.

Die mensen, zei hij veralgemeniserend, ja. Mensen die zeiken over politici die niks aan het doen zijn alleen maar omdat ze lege stoelen zien als de tweede kamer op het journaal is. Mensen die vroeger ‘je mag het eigenlijk niet zeggen’ zeiden en dat nu helemaal achterwege laten als ze zeiken over buitenlanders.

Fuck them. Ze zijn dom. En het enige maatschappelijke onrecht dat ze daar houdt is de sociale druk die ze zelf op hun eigen kinderen leggen.

Sociale druk houdt de slimme kinderen die tussen dat domme volk worden geboren dom, en dat is de pest. Slim zijn is niet stoer. Slimme mensen zitten je namelijk aan te gapen omdat je vet bent en er niks aan kan doen.

Als je havo hebt gedaan, heb je kapsones.

Een oude vriend van me, uit de Vogelenbuurt in Amsterdam-Noord, is parkeerwacht en heeft een IQ van 140 en heeft er nooit een flikker mee gedaan.

En dat is absoluut onrechtvaardig. Domme kinderen die bij VPRO-ouders worden geboren, hebben geluk, want die gaan naar de Vrije School en worden beeldend kunstenaar. Ja — dat is onrecht.

Dom arm volk: zoek het maar lekker uit. Op feestjes van mijn grote zus zitten mannen die hun zoontjes van 4 bier laten drinken uit hun glas en en roepen moet je kijken wat ie kan! Dat kind kan misschien wel wat anders ook, uit dat kutleven stappen bijvoorbeeld, maar een boek lezen is niet stoer, natuurlijk.

Dit was een column voor literair tijdschrift Passionate

Geen reacties | Link | 22 september 2009 | Categorie:

1409 woorden: Boos op de wereld

Geplaatst in de nrc.next van dinsdag 14 april 2009.

In Rage, een roman van Stephen King, wordt een jongen van school gestuurd. Hij gaat naar huis om een pistool te halen en schiet twee leraren dood.

In Amerika vonden minstens twee school shootings plaats die een connectie hadden met de roman: Barry Loukaitis schoot een leraar en twee studenten dood, en zou een zin uit Rage hebben gekwoot tijdens de daaropvolgende gijzeling van zijn klas (een gymleraar overmeesterde hem — thuis werd een exemplaar van het boek gevonden); Michael Carneal schoot drie medeleerlingen dood en Rage lag in zijn locker.

King heeft zijn uitgevers gevraagd Rage, een boek uit 1977, niet meer te herdrukken. Hij vertelde dat Rage en soortgelijke verhalen die hij geschreven had (onder andere Carrie, over een meisje dat zo gepest wordt op school dat ze bloedig wraak neemt) voortkwamen uit zijn eigen ervaringen en frustraties als tiener. Lees: hij had best wel eens thuis een pistool willen halen om wat mensen overhoop te schieten. King zei zelf, na de schietpartij op Virginia Tech waar Seung-Hui Cho 32 mensen doodde en betrokkenen zeiden dat de toneelstukken en andere schrijfsels van Cho iemand zorgen hadden moeten baren, dat zijn omgeving ook gealarmeerd had mogen zijn door de dingen die hij schreef.

Stephen King heeft — voor zover bekend — nooit thuis een pistool gehaald en iemand overhoop geschoten.

Ik heb thuis nooit een pistool gehad, maar er staat wel een grote doos, en die doos zit vol met dingen die ik geschreven heb. Voornamelijk handgeschreven spul, van vóór de computer, en een enkel typoscript. Ik heb er al een tijd niet naar gekeken, maar ik denk dat er wel een paar gewelddadige verhalen tussenzitten. Ik was ooit boos op de wereld, omdat de wereld mij niet begreep.Het eerste romanachtige ding dat ik naar een uitgever stuurde, schreef ik toen ik een jaar of 22 was, en het heette Hamer. Het ging over drie jongens die gewelddadig door het leven gingen. Nijgh en van Ditmar wilde er niet aan (ik heb nog ergens de brief, getekend door Adriaan Jaeggi, toen redacteur daar, vorig jaar veel te vroeg overleden, dat het aardig was en dat ik zeker nog wat op mocht sturen als ik iets nieuws zou hebben), maar in de tijd dat ik op acceptatie of afwijzing zat te wachten, stelde ik me voor dat mijn eerste boek cult zou worden bij jongens die niet door de wereld begrepen werden. En hoe ik dan bij praatprogramma’s terecht zou komen als er weer een killing spree was geweest. Nee, niet iedereen is even volwassen als ie 22 is; mijn fantasie werkte nog volop.

En daar gaat het juist om. Volwassen betekent: een huis en een baan en een relatie hebben en zorgen dat je dat huis en die baan en die relatie houdt. Maar het betekent ook dat je bepaalde dingen in je hoofd recht heb getrokken. Dat je alle (of de meeste) frustraties uit je jeugd weg hebt gewerkt. En frustraties in je jeugd zijn heel oneerlijk verdeeld tussen mensen. Je hebt — heel simpel gezegd — de grote groep wiens grootste zorg een puistje op het voorhoofd was, en de non-groepers, wiens grootste zorg het leven was.

Ik was er zoëen. Het leven. Alles was loodzwaar, ook als het vederlicht was. Ik dacht te veel na over dingen waar andere kinderen niet over nadachten (en niet dat ik heel slim was; mijn nadenken resulteerde niet per se in hoge cijfers; ik zou voor mezelf hebben kunnen bedenken dat de aarde plat was, en daar zou ik een paar idiote theorieën bij verzonnen hebben ook) en ik had een veel te ruim verbeeldingsvermogen.
Kinderen die anders zijn, de non-groepers, lopen rond in een andere wereld, want ze zijn boos op de echte wereld.

Al die boosheid en dat nadenken van die non-groepers kan tot verschillende dingen leiden: sommige kinderen zullen hun gedachten over waardevoller dingen dan een platte aarde laten gaan en wel goeie cijfers halen, sommige kinderen zullen uiteindelijk boeken gaan schrijven, schilderijen of films maken over die platte aarde — en sommige kinderen zullen nooit meer uit die gedachten komen. De kinderen die het wel lukt, worden kunstenaar of doen iets op intellectueel vlak, smeren daarbij de frustraties van het vroeger nergens bij horen ruim uit en worden volwassen, horen dan wel ergens bij of worden juist door hun uniciteit gewaardeerd, en de kinderen die het niet lukt, worden niet volwassen en blijven het de wereld kwalijk nemen dat ze nergens bij hoorden.

Ik heb lang over onbegrepen, gewelddadige jongens geschreven en in veel verhalen kwam wel een pistool voor. Ik heb mezelf lang onbegrepen gevoeld, en misschien had ik een laagje gewelddadigheid in me. In mijn twintiger jaren zijn mijn onderwerpen langzaam geëvolueerd, en mijn eerste uitgegeven roman, De hondenkoning, ging nog wel over een onbegrepen jongen, maar het geweld was uit het verhaal. In een eerdere versie nog niet: de hoofdpersoon vermoordde zijn enige vriend. Maar tijdens het schrijven vond ik dat mijn hoofdpersoon dat niet mocht mogen: ik wilde hem de mogelijkheid geven ooit in de echte wereld te stappen, zoals ik dat had gedaan; mijn rage was op, het leven was goed voor mij. De wereld was goed voor mij, en ik had geen reden meer er boos op te zijn. Het enige dat ik bleek te moeten weten was dat de wereld mij niet hoefde te begrijpen, maar dat ik de wereld moest begrijpen. Zo simpel was het. Ik moest alleen dat boek nog schrijven.

Ik vertel dit niet om reclame te maken voor die roman. Ik kreeg een paar mooie recensies, maar Adriaan Jaeggi, die twaalf jaar voor De hondenkoning een boek met veel pistolen vriendelijk had afgewezen, nomineerde het voor de Gouden Doerian, zijn toenmalige prijs voor het slechtste boek van het jaar. Zijn argumentatie was dat ik De avonden van Gerard Reve opnieuw had willen schrijven.
Toen vond ik dat belachelijk, maar nu zie ik wat hij bedoelde.

Gerard Reve moest een boek schrijven over dat anders-zijn, net als ik. Waarmee ik mezelf niet op een lijn wil stellen met Gerard Reve — ik wil Reve en mezelf en Stephen King en Seung-Hui Cho en heel, veel anderen op een lijn stellen met elkaar: we hoorden er niet bij. Dat komt omdat we te hard nadachten (over dingen die het wel of niet verdienden veel nadenken aan te besteden; nogmaals: ik zeg niet dat de non-groepers per se intelligenter zijn dan de groepers). Gerard Reve werd Nederlands beste schrijver en verkrachtte Goddelijke ezeltjes in zijn boeken, Stephen King werd ook schrijver en deed nog veel meer raars in de dingen die hij schreef, en Seung-Hui Cho schreef toneelstukken — en het lukte hem niet daarin al zijn frustraties en eenzaamheid en anders zijn te verwerken, dus vermoordde hij 32 mensen.

Ik zeg niet dat iedereen die ooit iets behoorlijks heeft geschreven daarmee een killing spree heeft onderdrukt. Ik denk dat school shooters een andere mutatie zijn van ‘rare’ maar wel bijzonder waardevolle mensen. Het anderszijn, het gevoel niet in ‘de groep’ te passen, is normaal en veelvoorkomend, maar het takt uit in verschillende richtingen. En één van die richtingen kan tot nare dingen leiden: vergevorderde eenzaamheid, psychoses, geweld.

School shootings worden niet veroorzaakt door geweld in films, games, of boeken zoals Stephen King ze schreef; als de schutters die uitingen van creativiteit niet waren tegengekomen, hadden ze ze zelf wel geproduceerd. Waarom lag Rage in de locker van drievoudig moordenaar Michael Carneal? Omdat hij zich in het boek herkende. Het boek heeft hem niet gevormd: het verhaal in dat boek zat al in hem.

De maatschappij mag best proberen massamoorden zoals op Virginia Tech, op Columbine High en in Winnenden te voorkomen, naast simpele maatregelen die wapenbezit aanpakken (vrijwel alle school shootings hebben één ding gemeen: de wapens waren voorhanden). Het zijn stuk voor stuk hartverscheurende drama’s. Maar daarvoor moet elk ‘ander’ kind apart worden genomen. Of het moet juist in de groep van niet-anderen worden opgenomen. Elke non-groeper in de groep. Stel het kind gerust, vertel dat het simpel is: begrijp de wereld en verwacht niet dat het tegenovergestelde gaat gebeuren, en het zal niet naar huis gaan om een pistool te halen. Vlak alle pieken en dalen af in dat kind. Hou er alleen rekening mee dat je dan ook de schrijvers, beeldend kunstenaars en raketgeleerden van de toekomst afvlakt; dat je behalve de dalen in de maatschappij die school shooters zijn, ook de pieken die die kunstenaars en academici zijn, wegveegt.

Geen reacties | Link | 17 april 2009 | Categorie: