van•den•b.com

weblog [het, de; o en m -s: een ~ bijhouden] van

Walter van den Berg


Tree of Smoke – Denis Johnson

Ik heb me ooit voorgenomen alles wat ik lees hier te bespreken of in ieder geval te noemen, maar natuurlijk hou ik me niet aan dat voornemen, want druk/geen zin/etc. Mijn voornemen wordt ook af en toe flink in den wielen gereden door een boek waar ik zo lang mee bezig ben dat ik na het lezen het overzicht niet meer heb. Wat heb ik nou eigenlijk in godsnaam gelezen?

Misschien is dat een tactiek van de schrijver: maak je boek zo ondoorgrondelijk en dik tegelijk, dat de lezer stunned achterblijft. Tree of Smoke van Denis Johnson is zo’n motherfucker. Ik denk dat ik twee ruime maanden heb gedaan om de 702 pagina’s weg te werken, en naderhand heb ik een paar recensies opgezocht om te kijken of iemand me kon helpen met een beetje duiding.

In één van die recensies las ik zo ongeveer: ik heb ook geen idee waar het over gaat, maar wat een fantastisch boek!

Ja, nou ja, dat begreep ik, maar ik had er niets aan.

Van de week sloeg ik het dus dicht, na die maandenlange worsteling, en mijn verzuchting lag dicht bij de inhoud van die recensie.

Geen reacties | Link | 23 maart 2016 | Categorie:

Underworld – Don Delillo

Neem geen schrijvers in uw vriendenkring. Schrijvers in uw vriendenkring hebben betekent: hun boeken moeten lezen. Die boeken hopen zich op, want ze komen allemaal tegelijk, weken vol presentaties in oktober en november, en dan liggen er weer 5, 6 boeken. Doe het niet.

15 jaar op de te-lezen-stapel

Op mijn te-lezen-stapel liggen Gustaaf P. en Philip H. nu een tijdje te zeuren, maar ik ben al maanden bezig in Underworld van Don Delillo. Op zich is dat a good thing, want ik heb dat boek al 15 jaar of langer op mijn te-lezen-stapel, en ik vind het een prestatie van mezelf dat ik zo’n boek dan toch nog pak. En wat blijkt: het is idioot goed.

800 pagina’s en steengoeie zinnen

Het heeft alleen wat problemen:

  • Het is meer dan 800 pagina’s dik
  • Iedere bladzijde staat vol met steengoeie zinnen.

Nu lijken dat luxeproblemen, want wat is er voor de lezer fijner dan een dik boek met goeie zinnen?
Nou, dat kan dus nog behoorlijk tegenvallen.

In een boek zitten

Als je al maanden een boek leest, wil je op een gegeven moment toch een beetje opschieten. Een boek waar je in zit (en ik zit erin) hoort bij een bepaalde periode, vind ik. Tijdens de vakantie zat ik heel erg in The Bone Clocks van David Mitchell, om maar een voorbeeld te noemen van inzitboek in combinatie met periode. Maandenlang in een boek zitten is, op een gegeven moment, een beetje slopend. Het is alsof je je vriendjes bankjesvoetbal ziet gaan spelen omdat ze verveeld zijn met verstoppertje, en jij zit nog achter de garage en je kan er pas vandaan als iemand je gebuut heeft.

450 bladzijden verder…

En opschieten in Underworld kan niet, door die goeie zinnen. Je kan niet door het boek snellen omdat je wil weten waar het heen gaat; de goeie zinnen maken het boek. Ik kan na 450 bladzijden nog steeds niet vertellen waar het over gaat.

Slopend.

Geen reacties | Link | 12 november 2014 | Categorie:

Gelezen: Rabbit, Run – John Updike

Dit is geen recensie. In de rubriek ‘gelezen’ wil ik mijn leeslijst bijhouden en noteren wat me opviel aan een boek. Er kunnen spoilers langskomen.

Ik heb een rijtje ‘essentiële boeken’ staan thuis, en als ik een boek lees, zit er altijd het risico in dat dat rijtje uitgebreid moet worden. Essentieel betekent bij mij eigenlijk: word ik er gelukkig van als ik het boek nog een keer moet lezen? Dus stelt u zich niet te veel voor van dat rijtje; er kan zomaar een boek tussenzitten waar u van zou gniffelen. Die gekke vandenb toch.

Rabbit, RunRabbit, Run van John Updike schoot voor mij een beetje heen en weer tussen een plek op het essentiële plankje of het Siberië van de opslag. Ik merk dat ik een steeds volwassener lezer word, dat ik nu door kan duwen als ik een boek in eerste instantie lastig vind om binnen te komen, en Rabbit, Run had dat duwen even nodig, maar toen ik binnen was, had ik regelmatig dat lekkere, dat het is goed voor me als ik fiets naar m’n werk maar als ik het OV pak, kan ik lezen.

Het verhaal (als geheugensteuntje voor mezelf): Rabbit is een jongeman in jaren 50 smalltown Amerika, echtgenoot van een drinkende, zwangere, saaie vrouw, vader van een jongetje, en zijn leven benauwt hem omdat hij op school een basketball-ster was maar nu een Gewone Man, dus hij slaat op de vlucht. Eerst rijdt hij richting Florida, maar hij rijdt toch weer terug naar zijn dorp in Pennsylvania. Hij komt uiteindelijk in het stadje aan de andere kant van de berg terecht (symbolisch!), hannest daar met een andere vrouw, maar wordt overtuigd door een dominee die zichzelf niet heel overtuigend vindt terug te gaan naar zijn op dat moment bevallende vrouw. Hij belooft beterschap, is weer even gelukkig, maar als zijn vrouw een paar weken later geen seks met ‘m wil, verdwijnt ie weer, en zijn vrouw gaat meteen weer aan de drank en [spoiler!] laat haar verse baby verdrinken in bad. Rabbit komt terug, is kapot, neemt alle schuld op zich, maar bij de begrafenis vindt ie die schuld wel weer mooi geweest – hij was er tenslotte niet eens bij. Als iedereen geschokt blijkt te zijn door die ommekeer, gaat die malle Rabbit weer rennen.

Updike is een dikke stylist, en hij kan het, veel zinnen zijn mooi, maar soms schiet ie uit de bocht, en de vrouwen die aan het woord komen wil ie te veel Molly Bloom laten zijn.

Personage Rabbit is net te iets te vol van zichzelf en tegelijkertijd te naïef om hem de hele tijd aan het woord te kunnen laten zijn, en gelukkig wordt ie afgewisseld door anderen – en eigenlijk had ik wel een hele roman gedragen willen zien worden door dominee Eccles.

Ik kan me voorstellen dat het boek essentieel is geweest voor Den Literatuur, dat Updike in zijn tijd vernieuwend is geweest, maar ik heb Rabbit, Run niet op het essentiële plankje gezet toen ik klaar was met lezen.

Geen reacties | Link | 18 april 2014 | Categorie:

Generation A

Mijn boekenkast is ondoorgrondelijk ingericht voor de niet-ingewijde, maar ik wijd bij deze even in: rechtsonder staan mijn lievelingsschrijvers, links daarvan staan schrijvende vrienden, en dan komt de rest.

Helemaal rechts staat Douglas Coupland, wat betekent dat hij mijn lievelingste is, maar ome Douglas doet hard zijn best een paar plekken naar links te schuiven — het is dat hij een paar briljante boeken heeft geschreven (Microserfs, Girlfriend in a Coma, Hey Nostradamus) die hun waarde nooit kwijt zullen raken.

Ik heb regelmatig de theorette verkondigd dat Coupland goede en slechte boeken afwisselt (tussen Girlfriend en Hey Nostradamus publiceerde hij Miss Wyoming en All Families are Psychotic — de laatste heb ik niet uitgelezen), maar om die theorette te bewijzen moet er na The Gum Thief en Generation A, zijn nieuwste boek, toch echt weer iets goeds komen.

The Gum Thief heb ik niet uitgelezen omdat het vreselijke verhaal-in-het-verhaal, geschreven door een personage in het hoofdverhaal me te hard ergerde (ik zag laatst een uitgave waarin de twee verhalen als twee aparte boekjes waren gepubliceerd, dat zou een oplossing voor mij zijn geweest), en in Generation A doet Coupland bijna weer hetzelfde: hij laat zijn personages verhalen vertellen.

Waarschijnlijk betekent dat dat Coupland zich thematisch aan het ontwikkelen is, maar dan hoef ik nog niet blij te zijn met de kant waar die ontwikkeling heen gaat.

Generation A
(de titel deed me het ergste vrezen: met Jpod wilde ome Doug een nieuwe versie van Microserfs schrijven en faalde hopeloos; dit nieuwe boek zou dus een 21ste-eeuwse Generation X worden) begint heel sterk, met vijf verschillende vertellers die ook redelijk verschillende stemmen hebben (hoewel het één van Couplands soms irritante gewoontes is om ieder personage, zonder uitzondering, een onelinerkanon te maken: iedereen is even bijdehand, in het universum van Douglas Coupland) maar in de tweede helft van het boek gaat het mis.

De personages gaan elkaar verhalen vertellen, en het zal allemaal wel een functie hebben, maar die functie ontgaat me omdat ik ondertussen het boek uitgeschopt ben. Alle personages zijn inwisselbaar geworden, en de schrijver weet dat en schrijft dat ook min of meer excuserend op; maar mijn krediet is ie dan al kwijt. Mijn aandacht ook — dus nu heb ik 300 pagina’s boek-met-een-boodschap gelezen en is de boodschap me ontgaan.

Ome Doug, alsjeblieft — je kan het zo goed. Microserfs. Girlfriend in a Coma. Je kan het!

Coupland wordt altijd geroemd omdat hij de stem van zijn generatie zou zijn. Zou heel goed kunnen. Maar misschien liggen Couplands beste boeken dan dicht bij die generatie, en zou hij, als iemand die in 1961 is geboren, niet meer moeten willen schrijven over mensen die in 1990 geboren zijn. Word gracefully oud, Douglas Coupland, en schrijf nog een paar mooie boeken.

Geen reacties | Link | 2 november 2009 | Categorie:

Over het lezen van Murakami

Een paar weken geleden heb ik mijn eerste Murakami gelezen: South of the Border, West of the Sun.
Murakami is een dikke hype, en dan niet zo’n hype als, ik zeg maar wat, Hosseini of Siebelink, want Murakami wordt over het algemeen gelezen door mensen die een beetje neerkijken op dat soort ‘volkse’ hypes. Heel veel mensen hebben van zichzelf het idee dat zij de eersten waren die de schrijver ontdekten; in de Groene Amsterdammer stond een tijdje terug een leuk stuk van Joost de Vries over de teleurstelling die hij voelde toen hij ontdekte dat hij niet meer de enige was die ‘m las.

Niels ’t Hooft is heel erg fan van Murakami, en ik ben fan van Niels’ fanheid — er zijn weinig mensen die mij zo kunnen *kuch* inspireren als Niels.
En vriend Dennis vond dat ik ‘m op z’n minst moest proberen: hij raadde me South of the Border aan, want dun en leesbaar en exemplarisch.

Welnu.
Het begint al met het noemen van die titel. Ik heb South of the Border gelezen. Maar waarom niet Ten zuiden van de grens?
Ik ben een ongelooflijke snob als het op vertalingen aankomt: Engelse boeken lees je in het Engels. Een vertaling is altijd een kopie waarbij wat scherpte verloren is gegaan. Mijn Engels is niet perfect, maar mijn Amerikaans (en ik lees voornamelijk Amerikanen) is qua lezen redelijk vlekkeloos. En als je dan in vertalingen zinnen tegenkomt waarin je zonder het origineel te kennen al de fouten ziet, of de onbekendheid van de vertaler met een bepaalde uitdrukking (die jij kent uit foute films, bijvoorbeeld), dan ga je de originelen lezen. (Dirk Jan Arensman heb ik qua vertalen overigens wel betrapt op heel erg ter zake kundig zijn, maar volgens mij woont hij met z’n hoofd allang in Amerika.)

Maar ja: mijn Amerikaans mag dan best ok zijn, mijn Japans is een beetje roestig. Dus Kokkyō no minami, taiyō no nishi (zoals Ten zuiden van de grens origineel heet) had ik niet aangekund. Dus ik ben verplicht een vertaling te lezen. Maar wat mis ik aan scherpte in die kopie?

Bij Amerikaanse boeken kan ik me daar vaak een voorstelling bij maken.
Ik denk te weten hoe Amerika ruikt.
Ik weet hoe een Amerikaans trailerpark eruit ziet, en ik weet hoe daar een gemiddeld zakendistrict oogt. Ik kan me een voorstelling maken van hoe mensen hun huizen hebben ingericht en hoe ze tegen elkaar praten, wat voor ideeën de Amerikaan heeft over godsdienst of over orale seks — jarenlang gevoed zijn met die cultuur via tv-series, documentaires, films, boeken en comics heeft me een halve Amerikaan gemaakt.

Maar Japanners?
Japanners zijn arrogant en nederig, denk ik; ze buigen naar je maar ze vinden zichzelf het beste volk in de wereld; ze zijn gek op krankzinnige tv-shows maar je baan verliezen is al vernedering genoeg om zelfmoord te plegen. Huizen zijn daar van papier, toch?
Een totaal onbegrijpelijke cultuur, en mijn interpretatie van die cultuur kan helemaal verkeerd zijn. En dan een boek lezen dat in die cultuur verankerd zit.

Als je een Nederlands boek leest waarin de dialogen een beetje vlot zijn opgeschreven, weet je hoe mensen tegen elkaar praten, hoe dat gesprek klinkt. Met een Amerikaans boek kan je je dat ook heel goed voorstellen; tv-series genoeg gezien. Maar hoe praten Japanners met elkaar?
Een baas en een werknemer hebben — althans, zo stel ik me voor, met mijn matige kennis van de Japanse cultuur — zulke gezagsverhoudingen dat een gesprek niet bepaald joviaal zal gaan, maar hoe praten een man en zijn vrouw met elkaar? Hoe klinkt dat? Ik kan het me niet voorstellen. En Murakami is niet bepaald verplicht me dat uit te leggen. Ik doe dat tenslotte ook niet als ik een boek schrijf: het zou alleen maar afdoen aan de kwaliteit van de literatuur.
Mijn belevingswereld staat echt te ver af van de Japanner: als Murakami het heeft over een secretaresse met ‘gorgeous hair’, denk ik: maar al het Japanse haar is toch zwart en stijl?

Door deze ideeën beperk ik mezelf heel erg, natuurlijk. Als ik een boek lees dat in Afghanistan speelt, heb ik hetzelfde probleem. Dus snij ik mezelf af van een groot deel van de wereldliteratuur. Geen Mann of Marquez voor me (en dat heeft me ook nooit getrokken), alleen maar Bukowski, Carver en af en toe een goeie Nederlander tussendoor.

Toch heb ik Kafka on the Shore gekocht. Ik wil het nog een kans geven. Niels is er fan van, en zijn fanheid heeft het bijna nooit mis. Misschien kan ik het een keer andersom doen: een cultuur op de moeilijke manier leren kennen, niet via tv-series en films, maar via de literatuur.
En misschien kan ik net als Milo mezelf Japans leren (Milo kijkt graag anime, en niet alles wordt vertaald, dus het moest). Zodat ik ooit mijn hoofd kan schudden over matige vertalingen.

Geen reacties | Link | 9 april 2009 | Categorie: