vandenb.com // Walter van den Berg


Langere, rechtere wegen

Ik tilde mijn fiets de trap af, trok onderaan de trap mijn schoenen aan, zette mijn helm op, en rolde mijn fiets naar buiten. Ik klikte mijn schoenen vast en reed weg, de Postjesweg op, en ik wilde mijn achterblad schakelen naar een zwaardere versnelling, maar ik maakte ‘m lichter — ik was vergeten hoe het schakelen ging. Ik had te lang niet gefietst.
Maar het voelde goed, rijden, na een winter vol sneeuw, al was het nog koud; de snelheid binnen een paar trappen, de fiets die nog harder wilt en het zware lichaam dat erop zit bijna achter wilt laten, de spieren in mijn benen die al meteen protesteren en tegelijkertijd om meer vragen.

Ik reed over de Derkinderenstraat naar de Plesmanlaan, kou door m’n kleren heen, ook al had ik vier lagen aangetrokken, en een koude kop; ik had verwacht dat de helm kou tegen zou houden, maar dat was dom. Die helm heeft spleten, en de kou kwam door de spleten heen.
Op de Plesmanlaan snoot ik m’n neus op de onbeschaafdste manier: achterom kijken en snuiten zonder zakdoek. Sommige mannen drukken eerst het ene neusgat en dan het andere dicht, maar ik blaas ze samen leeg.
Over de brug naar Badhoevedorp ging ik rechts, zette weer aan, was van plan naar Halfweg te rijden, maar het was te koud op m’n kop en het werd niet warmer. M’n handen tintelden al in m’n handschoenen, dat wel.

Verderop zag ik het viaduct over de ringvaart terug naar Amsterdam. Ik had ‘m nooit genomen, die weg, er stond een bordje ‘Osdorp’ bij, en Osdorp kende ik wel. Maar nu wilde ik terug, weg uit die kou.
Ik zakte linksaf de dijk af, reed de verhoging naar de brug op, een lange helling tegen het talud van de brug aan, in tegenovergestelde richting met zestig meter verderop een haarspeldbocht, langs de jongetjes die hun fiets de steile trap opduwden. Ik reed, zij liepen, en zij waren eerder. Ze waren al op de brug zelf toen ik er kwam, reden slingerend over het fietspad. Ik belde; ik heb een klein belletje op mijn stuur dat een helder geluidje laat horen. Veel is het niet, maar het is genoeg, de jongetjes maakten ruimte, maar ze riepen wel iets, ze moesten stoer zijn.

Van de brug af: snelheid.
En een stoplicht.

Terug door Osdorp, over Tussenmeer, mijn oude Tussenmeer, dat was de wereld, toen ik twaalf was. Op het fietspad zat ik achter een scooter met een stel erop, een jongen die langzaam reed, een meisje achterop dat dikker was dan hij en hem helemaal uit het zicht nam.

langs de Sloterplas, door het park, weer naar de Postjesweg, en ik bleef het koud hebben, alleen mijn handen waren warm.
Een te kort rondje dat naar meer deed verlangen, langere, rechtere wegen, een paar graden warmer maar, of gewoon een muts onder die helm.


Dit artikel is geplaatst op 8 maart 2010, in de categorie De observatie.

Hiervoor/hierna

Hiervoor geplaatst:

Hierna geplaatst:

Meer lezen?

Er staat een inhoudsopgave met alle stukjes voor u klaar.

Statistieken worden bijgehouden door Google Analytics, maar ik heb geen idee waar ik eigenlijk naar kijk.