vandenb.com // Walter van den Berg


Te vaak ossehaas

6 maart 2010

Mijn zuster zat in de hal. Ik zag haar door het raam.
Mijn neefje zat in de stoel naast haar, met zijn DS. Hij speelde. Ik ging door de draaideur naar binnen.
Ze zitten te eten, zei mijn zuster, daar mogen wij niet bij zijn.
Ik ging naast mijn neefje zitten. Hij had Mario op zijn DS. Hij zat in een wereld met water dat steeg en weer daalde.
Hoe ziet het er verder uit, hier, vroeg ik.
Wel goed, zei ze. Ze hadden alleen een fout gemaakt in het Lucas, ze hadden gezegd dat ze geen zuurstof nodig had bij het lopen, dus ze hebben geen flessen meegegeven. Dus ik heb even flink gevloekt, zei mijn zuster. Maar morgen neem ik flessen mee. Dan kan ze zonder de kachel.
De kachel is het apparaat waar mijn moeder nu haar zuurstof uit krijgt. Zo noemt ze het apparaat zelf, en wij zijn het ook zo gaan noemen.

Ze zat nog in de eetzaal. Ze zat aan een grote tafel tussen andere oude vrouwen. Er waren drie mannen in de eetzaal: twee oude en een jongere, met een lichaam dat meer romp was dan iets anders. Ze keek op toen we in de deuropening stonden. Daarna keken alle oude mensen naar ons.
Een verpleegster haalde haar van tafel. Ze trok de stekker van de kachel uit de muur en de kachel piepte. De verpleegster rolde mijn moeder naar de gang, waar een zitje was; met een hand duwde ze de rolstoel, met de andere rolde ze de kachel. Bij het zitje stopte ze de stekker van de kachel weer in het stopcontact; de kachel hield op met piepen.
Mijn neefje klapte zijn DS weer open en speelde verder. Hij was in een wereld waarin Mario als een reus doorheen stapte.

We zaten een half uur. Toen rolden we mijn moeder zelf naar haar kamer.
Ze deelde een kamer met drie mensen. De andere drie zaten nog steeds in de eetzaal.
We maakten lichten, hielpen haar op bed, sloten de kachel weer aan, vroegen of ze nog iets wilde. We vroegen of het gordijn tussen haar en het bed naast haar open of dicht moest.
Laat maar dicht, zei ze. De man naast me is een zeur, zei ze, hij is blind en vraagt de hele tijd hoe ik eruit zie.
“Ik heb hele grote tieten,” zei ik.
We lachten.

Mijn zuster had de deur van haar autootje op een kier laten staan. Haar stoel was nat geworden. Mijn neefje ging achterin zitten.
Mijn zuster stuurde haar autootje uit de parkeerplaats met wilde armbewegingen.

We zochten een plek bij het restaurant van haar man.
Hier, zei ik.
Nee, zei mijn zuster, dat kan ik niet met mijn armen. Mijn zuster heeft MS; ze kan niet heel veel met haar armen.
We vonden een plek waar ze zo in kon rijden.

We aten ossehaas.
Mijn neefje at zijn halve ossehaas niet op.
We eten te vaak ossehaas, zei mijn zuster, drie keer per week.
Mijn neefje zat in een wereld met vliegende blokjes. De blokjes hadden vleugels, en vraagtekens.


U kunt zich inschrijven voor de nieuwsbrief.

Dit artikel is geplaatst op 6 maart 2010, in de categorie De observatie.

Hiervoor/hierna

Hiervoor geplaatst:

Hierna geplaatst:

Statistieken worden bijgehouden door Google Analytics, maar ik heb geen idee waar ik eigenlijk naar kijk.