vandenb.com // Walter van den Berg


Lopend Lezen

Zoals de bakker en de projectmanager eens in hun leven kunnen stoppen waar ze mee bezig zijn — de handen nog in het deeg, de ogen op het excel-sheet gericht — en twijfelen over hun richting in het leven, zo kunnen mensen die boeken schrijven zich een keer of twee per week aan die existentiële twijfel overgeven.

Ja, ach, ik had er weer last van: wat is fictie, waar dient het toe, zijn boeken niet ongelooflijk stom, wie zit er op nog een boek te wachten — en toen hoorde ik dat de eerste Harry Potter twintig jaar geleden uit was gekomen.

Harry f-ing Potter. Twintig jaar oud.

Dan moet het een jaar of zeventien geleden zijn dat ik lopend las, van station Alphen aan den Rijn naar het kantoor waar mijn baas me had gedetacheerd (lees De hondenkoning), waarmee ik mijn diepe ongeluk zo lang mogelijk uitstelde. Een collega had er enthousiast over verteld, oké, het zijn kinderboeken, maar het is zo verslavend, probeer het, en ik probeerde het, en ik was verslaafd. En door de treinreis lang te lezen (en lopend naar kantoor door te lezen, voorzichtig schuifelend, de kantoorstoet langs me stromend), vergat ik dat ik mijn leven kut vond.

Ach, misschien komt die twijfel nu dáár wel vandaan: mijn leven is niet kut meer, ik ben gelukkig. Dus wat is dat nut van boeken ook al weer?
Zo simpel kan het zijn, natuurlijk.
En trouwens: ik hoef maar een paar weken terug te denken naar een roman waar ik mezelf diep in had gegraven. Lopend lezen doe ik niet meer, die troost heb ik niet meer nodig, maar mezelf verheugen op het moment waarop ik dat boek weer kan pakken, dat maak ik van tijd tot tijd (bij het ene boek wel, bij een paar boeken dan weer niet) nog steeds mee. Dus er is niets aan de hand voor mij als lezer.

En als schrijver ook niet, eigenlijk.
Een paar weken geleden las ik voor op een middelbare school in Rotterdam, en ik maakte er een beetje een zooitje van; mijn verhaal liep in de soep omdat ik er zelf even niet meer in geloofde, en ik zei dat maar gewoon tegen de leerlingen: jongens, jullie moeten verplicht boeken lezen, maar poeh.

Wat ik wel over wist te brengen is mijn overtuiging dat iedereen die dingen doet als boeken schrijven of op het toneel gaan staan, een manier zoekt om rotzooi te verwerken, want na afloop kwam een jongen naar me toe om me een hand te geven en me te bedanken, en de docente vertelde later dat ik hem geraakt moest hebben: hij had rotzooi genoeg, en hij stond altijd op het toneel. O ja, dacht ik, dat is waarom ik dit soort dingen wil doen, voor honderd jongeren staan van wie er negentig misschien geen zin in hebben — ik doe het voor die jongen.

De docente vertelde ook nog dat ze een havo-leerling had gehad die na de kerstvakantie tegen haar had gezegd dat hij zowaar een boek had gelezen, helemaal, en hij vond het tof, en dat was mijn boek.

En ach, ik kan dat wel heel nobel vertellen, ik heb de literatuur bij een jongen gebracht die nooit boeken las; als ik er wat meer drama in zou leggen, zou ik zeggen dat ik het ook voor hem doe, maar ik doe het vooral voor mezelf, natuurlijk. Want: de rotzooi van vroeger verwerken, maar ook: de waardering krijgen. In x verkochte boeken, in een zaal met honderd mensen, in mailtjes van mensen die een boek van mij “in één ruk” hebben uitgelezen.

Misschien zitten er wel mensen tussen die lopend lazen. Dan is Schuld net zo waardevol voor iemand geweest als Harry Potter voor mij was.
Dus bakker, kneed je deeg, schrijver, schrijf je boeken. En je mag af en toe zeuren, als het helpt. Als je daarna maar weer doorgaat.

Geen reacties | Link | 26 juni 2017 | Categorie:


alles © Walter van den Berg.






Genomineerd voor de Dioraphte Literatour Prijs

Schuld heeft nog een nominatie aan de broek hangen: ik kan de Dioraphte Literatour Prijs winnen. Dat is een prijs die wordt gegeven aan het beste boek uit 2016 voor jongeren tussen de 15 en 18 jaar. En daar ben ik ook weer apetrots op, die nominatie, want ik vind het zeer belangrijk dat dat boek van mij ook terecht komt bij jongeren.

In de komende weken lees ik weer voor op een aantal middelbare scholen, en dat is veel enger dan voor volwassenen, maar ik bijt me daar doorheen, want ik hoop dat ik altijd een paar van de aanwezigen kan laten zien/voelen/vertellen dat ze niet alleen zijn in het raar vinden van de wereld om hen heen. Dus deze nominatie is weer een mooie erkenning.

Dit is het rijtje genomineerde boeken:

En dit staat er over Schuld in het juryrapport:

Walter van den Berg schetst een ijzersterk portret van het snoeiharde leven in een uitzichtloos milieu. Hij confronteert je met een ontluisterende werkelijkheid. In heel weinig woorden, met ironische humor en via puike dialogen ontstaan levensechte karakters. Schuld is een ingenieuze roman door de fragmentarische, niet chronologische en meerstemmige opbouw. Gaandeweg kun je als lezer de stukjes van de puzzel leggen. Maar hoe meer je door de klinkklare taal de feiten kent, hoe meer je je afvraagt. Kun je je als individu losmaken van de familie waarin je ter wereld bent gekomen? In hoeverre wordt je identiteit bepaald door de omstandigheden waarin je opgroeit? Wat doet het met je als je ouders de grote afwezigen in je leven zijn?

Geen reacties | Link | 14 mei 2017 | Categorie:

Goed, de avond van de Libris Literatuurprijs

Ik denk dat je bij dit soort prijzen alleen over terechte winnaars kunt spreken als het gaat over vijf kutboeken en één goed boek, maar bij Alfred Birney is de Libris Literatuurprijs 2017 bijzonder goed terecht gekomen.
Na het interview in de Volkskrant vorig weekend was het in ieder geval volkomen duidelijk dat er weinig schrijvers rondlopen bij wie De Noodzaak in zulke grote hoeveelheden aanwezig is.

Ik heb De tolk van Java nog niet gelezen (van de andere genomineerden had ik alleen Het smelt gelezen, van mijn mede-Das Mag-auteur Lize Spit, samen met 170.000 andere lezers, geweldig boek), maar het is goed; dat kan niet anders. Alfred schrijft al tientallen jaren, is nooit opgevallen, mede omdat ie bij een piepkleine uitgever zat, en in dit boek heeft hij alles geduwd wat hij in zich had. Hij is nu 65 en je voelt bijna de mythevorming ontstaan op zo’n avond: dit is hoe het moest zijn, dit is zijn magnum opus, en het kon niet anders dan dat dit boek zou winnen.

Ik had gisterochtend een heel lief bericht van Alfred in mijn mailbox waar de verbazing en het geluk vanaf spatten, en alle literaire argumenten aside: man, ik gun het hem zo.

Op tv kwam ik even langs in een vraaggesprekje, en daar zie je me zeggen dat ik niet ga winnen, en Tonko Dop vraagt of dat indekken is, en ik bevestig dat half grappend, maar wat niet is uitgezonden is dat ik zeg dat ik weet dat ik een heel goed boek heb geschreven, en een prijswaardig boek, maar in dit verband geen prijspakkend boek. Dat wilde ik hier ook even gezegd hebben, dat niet iedereen denkt dat ik alleen maar bescheiden heb staan doen. Het was de montage.

En jongens, wat een prachtavond was het. Als ik er een verslag van maak, wordt het zo’n en-toenverhaal, dus laat ik het er op houden dat ik gelukkig was; maar misschien was ik wel het gelukkkigst toen ik met mijn vrouw in het zaaltje zat waar Alfred werd geïnterviewd voor de radio. Wij zaten op een bank, ik had mijn arm om haar heen, en Alfred zat aan een tafel, de interviewer van Nooit Meer Slapen met een grote koptelefoon op zijn hoofd, en wij luisterden naar zijn geluk, hoe hij had gewonnen met het boek van zijn leven.

 

Geen reacties | Link | 11 mei 2017 | Categorie:

Bretels

Ik moet nog op Zalando kijken of ik daar bretels kan bestellen, want ik had vanochtend even het angstbeeld dat mijn broek afzakt op tv. Verder maak ik me nog steeds niet zo druk over het al dan niet winnen van die prijs. Ik vind het nu vooral jammer dat straks die periode van genomineerd over is. Het kan zijn dat die nominatie voor de Libris het hoogste is dat ik ooit haal, met dat boeken schrijven van mij.

En dat is niet vals bescheiden – ik vind het briljant dat ik genomineerd ben, en ik weet dat mijn boek goed genoeg is om te winnen, maar de kans dat het nog een keer gebeurt, in dat rijtje staan, is niet per se groot. Alleen de usual suspects (Grunberg, Van der Heijden) komen met een bepaalde regelmaat terug in die nominaties.
Dus deze periode is bijzonder. Ook omdat Schuld weer wat extra aandacht krijgt. Het boek ligt weer een maandje in de winkel, het verkoopt weer, en het wordt weer gelezen. Er verschijnen zelfs weer wat recensies online, en dat is allemaal leuk.

Ik kwam er eentje tegen van de week, van een vrijetijdslezer, en die onderbouwde goed waarom hij het een mooi boek vond, maar zijn enige bezwaar: hij miste wat diepgang. En dat is een ‘klacht’ die ik wel vaker tegenkom, soms ook bij professionele lezers.

Besprekingen bespreken is nogal gevaarlijk, en ik doe mijn best me er verre van te houden, behalve als ik het er heel erg blij mee ben, en ik ben er vooral blij mee als een lezer alles (of bijna alles) heeft gevonden wat ik erin heb gestopt. Zo was de bespreking van Teunis Bunt een feest om te lezen voor mij. Teunis schrijft:

de relatie tussen Kevin en Ron blijft je bij. De situatie tussen die twee is zo schrijnend dat het bijna pijn doet om erover te lezen. Kinderen zijn zo’n beetje per definitie loyaal aan hun ouders. Kevin stelt zo ongeveer zijn hele leven in het teken van het voldoen van schulden die hij niet zelf heeft opgebouwd. Hij wil gezien worden en doet alsof het niet erg is als dat niet gebeurt.

Ook worstelt hij met het beeld van zijn moeder. Bij het schoonmaken van laptops komt hij compromitterende filmpjes tegen, waarmee hij de vrouwen die erop te zien zijn lastigvalt. Graag zou hij willen dat zij de werkelijk slechte vrouwen zijn en dat zijn moeder bij hen vergeleken nog wel meevalt. Maar de vrouwen blijken niet zo slecht te zijn, wat de situatie voor Kevin alleen maar moeilijker maakt.

Dat is precies waar het bij Kevin over gaat, en veel besprekingen komen niet verder dan ‘Kevin heeft een hekel aan vrouwen omdat zijn moeder ‘m in de steek heeft gelaten’. En ook als je als lezer alleen dat ziet, is dat prima natuurlijk. Dat is het mooie van *kuch* literatuur: je kan het op verschillende niveaus lezen, en zo heeft iedereen er wat aan. Om het maar een beetje plat te zeggen. En wat ik daarmee wil zeggen: ik denk dat de lezers die diepgang missen, die diepgang over het hoofd hebben gezien, maar ik waardeer iedereen die mijn boeken leest en de moeite neemt er iets over te zeggen. Aandacht voor mijn boeken, I love it.

Dat is misschien waar die Libris Literatuurprijs en andere vormen van hoera er zijn boeken over gaan: aandacht voor boeken. Ik werd van de week geinterviewd voor Trouw, en de journalist vroeg of ik zo’n prijs niet appels met peren vergelijken vond, en ik denk dat dat wel een beetje zo is, maar, zei ik, vergelijk mijn appel maar met een stel peren. Kunst is nooit objectief te bekijken (of iets moet echt aanwijsbaar slecht gemaakt zijn), dus het idee om die kunst wél te vergelijken en er een prijs aan te plakken: tja, ingewikkeld, maar ik kan er niets aan doen: ik vind het leuk. Ik zit straks in een smoking, bretels onder mijn jasje, mijn vrouw naast me, en dan komen we op tv omdat ik boeken schrijf.

Maar stel, en ik zeg stel, dat ik die prijs win. Dan ben ik heel trots, en enorm blij met die 50.000(!) euro, maar ik hoop ook dat de jury dan net zoveel in mijn boek heeft teruggevonden als Teunis Bunt deed. (Maar als ze dat niet hebben gedaan, zal ik niet te hard klagen.)

Geen reacties | Link | 5 mei 2017 | Categorie:

De pijn van de schrijver

Het was boekenbal, en ik stond met Henk van Straten te praten. We hadden het eerst over de pijn van de schrijver, en daarna ging het over mensen die dingen van je wilden. Als je boeken schrijft, en je wil graag dat ze gelezen worden, krijg je vanzelf te maken met mensen die dingen van je willen. Dat is ook pijn.
We stonden op de trap, want de trap was relatief rustig. Af en toe kwamen er groepjes mensen langs, en in die groepjes zaten dan weer schrijvers die we moesten begroeten.
Ik had het van de week met een fotograaf, zei ik. Ik was bij een ceremonie geweest, en erna wilde de fotograaf alle schrijvers die deel waren geweest van de ceremonie apart op de foto zetten.
Fotografen! riep Henk. Hij zei dat ze uiteindelijk allemaal aan hem vroegen of hij zijn shirt uit wilde doen.
Ik zei dat deze fotograaf graag wilde dat ik iets met mijn handen bij mijn gezicht deed. Dat ik ze zo deed: en ik legde mijn handen op mijn wangen.
Net als een echter schrijver, zei Henk, want die hebben hun handen altijd zo. Bij mij vragen ze altijd eerst of ik mijn mouwen opstroop om mijn tattoos lekker zichtbaar te maken, zei Henk, en daar begint het dan mee, en dan is er altijd een moment dat de vraag over het shirt komt.
Ik zei tegen Henk dat ik had gezegd dat ik het niet wilde.
Heel goed, zei Henk. Net als met die foto in je laatste boek, met die coltrui. Dat moest zeker ook van de fotograaf?
Ik knikte, want het klopte.
Kom op, zei Henk, wie ben je, Steve Jobs? Was die coltrui ook van de fotograaf?
Van de fotogra-fe, zei ik.
Nee! Riep Henk. Maar, zei hij, nu heb je dit met die handen geweigerd.
Klopt, zei ik.
Goed, zei Henk, je komt steeds verder, man. Goed.
Ik knikte weer.
Henk nam nog een slok van zijn biertje. Er kwam weer een schrijver langs, vergezeld door een BN’er.
Ik heb het toch gedaan, zei ik.
Hm? Vroeg Henk.
Ik heb het toch gedaan, zei ik. Ik heb eerst geweigerd, en daarna heb ik het toch gedaan. Uit beleefdheid.
Hij keek me een paar momenten aan. Daarna zei hij: uit pijn. Je hebt het vanuit je pijn gedaan.
O ja, zei ik.
Als schrijver doe je zulke dingen vanuit je pijn, zei Henk. Onthou dat. Beloof je me dat?
Ik beloofde het.
Daarna groetten we weer een schrijver die we allebei kenden – iemand van wie we wisten dat er veel pijn zat.

Geen reacties | Link | 27 maart 2017 | Categorie:

Wachten op Tonko

Fase 1: het wachten

Mijn boek stond dus op de longlist van de Libris Literatuurprijs, samen met 17 andere boeken. Een longlist moet een shortlist worden, en bij de Libris is het een traditie dat Nieuwsuur hun verslaggever Tonko Dop met een pakketje boeken bij de mensen langs stuurt die op de shortlist terecht zijn gekomen.

Dat pakketje bestaat dan uit de 5 andere boeken op de shortlist, waardoor de schrijver weet: ik zit erbij, en dit is de concurrentie. Dat bezoek van Tonko moet een verrassing blijven. Dat betekent dat 18 schrijvers op hun plek moeten blijven zitten, niet wetende of er überhaupt aangeklopt gaat worden.

Zo zou mijn dag er dus uit gaan zien. Ik had mijn collega’s op kantoor laten weten dat ik vanuit huis zou werken, en ik zette mezelf zuchtend aan de slag, met het vooruitzicht dat ik tot een uur of drie licht nerveus zou kunnen zitten zijn.

Ik nam het scenario nog een keer met mezelf door: als er niet wordt aangeklopt, is dat jammer maar niet onoverkomelijk, als er wel wordt aangeklopt, doe je de halve deur open zodat de hond even in beeld komt (als we de halve deur gebruiken, steekt onze Stabij Willem altijd zijn kop naar buiten) en daarna zeg je Alleen Maar Slimme Dingen.

Toen werd er geklopt. Ik zag buiten een man met een microfoon staan (TONKO! DOP!) en een andere man met een enorme camera. Ik deed, zoals gepland, de bovenste helft van onze boerendeur open zodat Willem zijn kop naar buiten kon steken — en verder deed ik alles fout.

Ik wilde Tonko een hand geven terwijl hij zijn handen vol had.
Ik had mijn crocs in beeld aan terwijl ik Willem naar zijn bench droeg.
Ik had Geen Enkel Slim Ding te zeggen.

Tonko overhandigde me het concurrentiepakketje met boeken. Ik moest het in beeld uitpakken en commentaar leveren. Ik kon alleen overtuigend zeggen dat ik blij was dat Lize Spit erbij zat, mijn lieve collega bij uitgever Das Mag. Verder was het wartaal. Bij elke vraag die Tonko stelde, stotterde ik iets onsamenhangends. Waar gaat je boek over? Geen idee.

Ik liet de werkkamer nog even zien, ik antwoordde nog wat Niet Slimme Dingen, en daarna ging de camera uit.

En na het wegleggen van die ENORME camera (pas nu hij uit was, durfde ik er echt naar te kijken, en dat ding was bijna groter dan onze Volkswagen Up), ontspande ik. Kon ik wat leuke grapjes maken. Zette ik koffie voor Tonko en de cameraman. Maakte ik een selfie voor mijn vrouw met Tonko en de cameraman. Speelde Tonko daarna nog een paar minuten met Willem.

Fase 2: het geheimhouden

Maar goed, ik stond dus op de shortlist. Fase 2 ging in: het geheimhouden. Dat hoort bij het circus. Er zitten 18 schrijvers te wachten, en ik wist om 10 uur ’s ochtends al welke 6 er geluk hadden. Ik appte mijn vrouw de selfie, en vroeg of ze 8 mei met me mee uit eten wilde in het Amstel Hotel (dat hoort ook bij de Libris: een diner bij de prijsuitreiking in een van de beste restaurants van Nederland, en dat komt OOK op tv, en godallejezus hoeveel grote camera’s gaan daar dan zijn), dus zij wist het nu, en ik belde het nummer dat in de instructiebrief stond en kreeg te horen dat ik NIEMAND mocht bellen, dus daarna belde ik mijn uitgever.

Nou ja, dat geheimhouden ging dus niet zo goed. Behalve dan dat ik wel hard zei dat niemand het op de sociale media mocht zetten.

Fase 3: naar het officiële gedeelte

Er bleek dus een officieel gedeelte bij de dag te zitten: om vier uur ’s middags zouden de shortlisters bekend worden gemaakt voor pers en genodigden, en ik wilde eerst niet gaan, want onhandig, nu we in de buitengebieden wonen, maar mijn uitgever zei dat het erbij hoorde en dat het leuk zou zijn. Dus ik vroeg mijn lieve buurman of hij me naar het station wilde brengen (mijn vrouw had de auto), en ik ging op weg naar de grote stad.

In een café dicht bij het zaaltje waar de pers al samendromde zat René Appel op de schrijvers te wachten.  Dat was leuk! We kwamen één voor één binnen, (alleen Arnon Grunberg was er niet) en we feliciteerden elkaar bijzonder welgemeend. We praatten tot we weg moesten; we liepen naar het zaaltje, en ook daar moesten we weer even wachten tot we op mochten. We werden één voor één aangekondigd, voor het verrassingselement, en ook dat deel was leuk en lief en een beetje klunzig.

(Daarna was er een borrel, waar we handen schudden met juryleden, redacteuren en uitgevers van de andere schrijvers, en dáárna (en toen en toen) gingen we eten met iedereen die er was van Das Mag en iedereen die er was van De Bezige Bij en dat was heel erg feestelijk.)

Fase 4: jezelf terugzien op televisie

Mijn vrouw haalde me af van het station, en dat was heel erg fijn en leuk en het deed denken aan vorig jaar, toen Schuld boek van de maand bij DWDD was geworden. We reden gezellig pratend naar ons huis, waar Willem nog over zijn nieuwe vriend Tonko aan het dromen was. En mijn grote liefde had natuurlijk een fles champagne in huis gehaald. We klonken, en we zetten de televisie aan, en we keken naar Nieuwsuur.

Samenvattend: je ziet mij onhandig de (halve) deur opendoen, je ziet Willem inderdaad zijn kop over de deur steken, je ziet mij op m’n crocs Willem wegdragen, en je ziet mij één zin zeggen.
De rest was onbruikbaar, denk ik.

Gelukkig zie je Jasper Henderson, de redacteur van Grunberg, héél erg enthousiast zijn over mijn boek, en dat maakte het eigen gestuntel allemaal draaglijk.

8 mei de uitslag. Live op televisie. Ik ga niemand vragen te kijken.

Geen reacties | Link | 21 maart 2017 | Categorie:

Ik wist niet meer wat ik over Paulien Cornelisse wilde vertellen

Een paar weken geleden moest ik voorlezen op twee scholen in Oss. Ik was geboekt door de plaatselijke bibliotheek, die haalden ieder jaar een keer of wat een schrijver naar Oss die ze dan voor de VWO-klassen van twee verschillende scholen neerzetten. Ik werd opgehaald bij het station door een aardige mevrouw, en in de auto roddelden we wat over de schrijvers die ze eerder had rondgereden.

Ik was nerveus, want ik had maar één keer eerder voor scholieren gestaan, en dat was dan nog voor scholieren die zich vrijwillig hadden opgegeven voor een literatuurkamp — nu ging het om gedwongen zitten en luisteren. En toen ik eenmaal de zaal binnenkwam waar het ging gebeuren, was het écht eng, want er bleken vier klassen bij elkaar gezet te zijn. Honderd paar ogen die zitten en stil moeten zijn, dat is een potentieel vat buskruit.

Ik haalde diep adem, pakte mijn aantekeningen erbij, en hakkelde me de eerste vijf minuten door. Er was gevraagd of ik iets over het vak wilde vertellen, dus ik had steekwoorden opgeschreven. Een kleine greep uit die steekwoorden:

– uitgever nodig – waarom?
– mijn moeder zou denken: tik veel woorden en hup naar de winkel
– heb je nog uitgevers nodig in de toekomst?
– Paulien Cornelisse
– vooralsnog: kwaliteitsstempel

Ik wist niet meer wat ik over Paulien Cornelisse wilde vertellen. Geen flauw idee.
Ik hakkelde me naar de steekwoorden aan het eind van de lijst:

– mijn thema: onvermogen
– over vroeger vertellen, Erik —> mijn moeder
– Voorlezen

Ik ging over vroeger vertellen, zoals mijn steekwoorden me instrueerden, en ik zei erbij: ik ga nu iets heel persoonlijks vertellen. En toen had ik ze.
Het was sowieso een goeie groep, hoor, ze waren in de eerste fase van mijn gehakkel heel beleefd aan het luisteren, maar toen ik het draaiboek losliet en ik, nou ja, ik zeg het gewoon, mezelf was, verdulleme, dat werkte.

Aan het einde van mijn verhaal (ik las nog voor uit Van dode mannen win je niet omdat dat zo lekker voorleest) kreeg ik nog een paar heel goeie vragen van zes of zeven leerlingen die die vragen van tevoren hadden verzameld, en dat werkte ook heel goed; via die vertegenwoordiging kreeg ik contact met alle leerlingen.

Toen we klaar waren, zei ik dat ik een heel toffe/gave/vette/lauwe uitgever heb en dat als iemand Schuld wilde hebben, ze dat moesten melden aan de docente van dienst, en dat ik dan gratis exemplaren zou regelen. Dat was heel dapper om te zeggen, maar ik ging ervan uit dat het om een stuk of zes boeken zou gaan.

Hup, door naar de volgende school. In de auto wist ik weer wat ik over Paulien Cornelisse wilde zeggen: dat zij als enige van Nederland geen uitgever meer nodig had. Maar wat zou dat die kinderen in godsnaam interesseren?

Bij die volgende school had ik weer zo’n grote groep, en ik liet mijn aantekeningen meteen helemaal achterwege — ik vertelde dat persoonlijke verhaal gewoon. En daarna weer: als je een boek wilt hebben, laat het weten. Wie weet, nog zes of zeven boeken, moet kunnen.

Deze week kreeg ik mail van die twee docenten uit Oss. De eerste mailde:

Het duurde even om bij alle klassen te inventariseren, maar we zijn eruit. In totaal willen 65 leerlingen van ons Schuld lezen.

En de tweede docent mailde:

De animo voor jouw aanbod is dermate groot, dat ik niet denk dat jouw uitgeverij daaraan kan/wil voldoen: 67 leerlingen willen graag een exemplaar van Schuld, 40 leerlingen een exemplaar van Van dode mannen win je niet.

132 lezers voor Schuld.
Linde, een van de heldinnen van mijn uitgever mailde terug: komt goed, 132 boeken naar Oss.

Zo tof/gaaf/vet/lauw is mijn uitgever dus 1.

En zo tof is het dus om voor te lezen op een middelbare school. Of zo vet/lauw/gaaf/etc kan het zijn, als je maar gewoon doet wat je het beste kunt: vertellen waarom je bent gaan schrijven. Zonder uit te willen leggen waarom Paulien Cornelisse geen uitgever meer nodig heeft.

Geen reacties | Link | 22 oktober 2016 | Categorie:

Dode mannen, de ‘trilogie’

Omdat Das Mag de leukste uitgever van Nederland is, hebben ze mijn eerste drie boeken van de Bezige Bij overgenomen. Volgende week komt er een bundel uit, met daarin De hondenkoning (2004), West (2007) en Van dode mannen win je niet (2014).

 

We hebben de bundel een ‘trilogie’ genoemd omdat omnibus een beetje oubollig klinkt, en omdat er wel degelijk samenhang in die boeken zit: er lopen een aantal personages rond die overlappend voorkomen, natuurlijk speelt het allemaal in Nieuw-West, en zo zijn er nog wel wat dingen te bedenken.

Ik ben er in ieder geval heel blij mee. Ik zit bij een uitgever die me waardeert, én mensen die me pas sinds Schuld kennen, kunnen nu die oude boeken lezen.

Fans van Zingende Ron: in West staat een lekker treurig lang verhaal met je lievelingsheld.

Geen reacties | Link | 21 oktober 2016 | Categorie:

Het proces (1): mijn thema

Als ik een verhaal of een roman schrijf, is mijn vertrekpunt vaak (misschien wel altijd) Het Decor, en de mensen die rondlopen in dat decor. Daarom denk ik nog steeds niet dat er ooit een politieagent in een van mijn boeken voor gaat komen. Ik heb ondertussen genoeg scenes geschreven waar een agent bij had gekund, maar ik heb ze altijd weggelaten, omdat ze niet in mijn geschreven universumpje passen. Natuurlijk zijn ze er, want mijn personages hebben met De Wet te maken, maar ik voer geen politieagenten op.

Nederlandse politieagenten hebben iets lulligs (sorry voor alle agenten die dit lezen), en dat komt niet door de agenten, maar door het decor, door de context. Iemand mailde me dat er ‘niets lulligs is aan het maandenlang tracken en verzamelen van bewijs van een grote crimineel’, en daar is inderdaad niets lulligs aan, maar de rechercheur die overdag onderzoek doet naar die crimineel, gaat ’s avonds naar zijn eengezinswoning, en die woning, die je nergens ziet als ik dat niet wil — die mag er helemaal niet zijn bij mij, ook niet in het achterhoofd van de lezer.

Of een ander voorbeeld: stel je voor dat je iemand met een enorme hanekam ziet lopen, heel oldskool punk, en je bent echt onder de indruk, want die hanekam conformeert zich nergens aan, dat is heel erg duidelijk. Maar dan zie je die hanekam een Albert Heijn inlopen omdat ie wel boodschappen moet hebben.

Ik denk dat ik wil dat de toeschouwers van het toneelstuk dat ik neerzet in mijn boek niet gaan denken aan de acteurs die een beetje achter het decor whatsappen tot ze weer op moeten; de acteurs blijven in hun rol, altijd, ook als ze buiten beeld zijn, en die hanekam past bij mij niet in de Albert Heijn, en geen enkel personage uit mijn universumpje past in een eengezinswoning, dus ik zorg dat die mogelijkheid er niet is.

Best vermoeiend.

Nu ik een beetje nadenk over mijn vijfde roman, probeer ik dat anders aan te pakken, omdat het altijd goed is te zoeken naar vernieuwing, denk ik, maar ik heb het er moeilijk mee. Ik weet steeds beter wat ik de wereld duidelijk wil maken, dus ik zou dát mijn vertrekpunt kunnen laten zijn: mijn thema, zoals dat heet.

Ik heb ooit een leraar Nederlands gehad die zei dat je altijd een thema moest bedenken voor je een stuk ging schrijven. Ik bestreed dat, want ik was al naarstig aan het schrijven, en ik had nooit een thema bedacht voor ik een verhaal in een schriftje hanepootte. De opstellen die ik voor die leraar schreef, kregen ook altijd mooie cijfers, en ik zat nooit in de klas voor me uit te staren omdat het thema maar niet wilde komen voor ik met mijn opstel begon.

Maar ja: nu weet ik wat mijn thema is.

Ik heb de laatste tijd een serietje interviews gegeven, want zo gaat dat, met een nieuw boek, en ik vind interviews geven heel erg leuk en vooral heel erg nuttig. Leuk omdat het mijn ego streelt, geef ik gewoon toe, en nuttig omdat het je dwingt na te denken over wat je hebt gemaakt, en waarom. Als ik er voor mezelf over nadenk, blijft het vaag, maar een interviewer wacht op een duidelijk antwoord, dus hup, formuleren, kreng. Daarom heb ik steeds beter onder woorden kunnen krijgen wat mijn thema is.

Vorige week had ik een interview met Lezen TV (binnenkort online), en Peter Gielissen, die in zijn eentje Lezen TV maakt, hielp me met het laatste duwtje.
Mijn thema is: onvermogen.

Ik heb het interview nog niet teruggezien terwijl ik dit schrijf, en het kan heel goed zijn dat Peter het gewoon voor me verwoord heeft. Maar dat maakt niet uit. Ik denk dat dat één van de redenen is waarom schrijvers schrijven: ze vragen de wereld te helpen bij hun zelfonderzoek (wat schrijven altijd is).

Onvermogen dus. Het menselijk tekort, zei Peter ook, maar ik geloof dat ik daarop antwoordde: ik weet niet precies wat dat inhoudt. Laten we het bij onvermogen houden.

Ik heb vorige week een bestand aangemaakt in Scrivener, mijn schrijfprogramma, ik heb het boek5.scriv genoemd, en ik heb er een paar avonden naar zitten staren. Een leeg, wit vel, waarin ik uiteindelijk een paar woorden heb getikt: welk lettertype staat er nu ingesteld?
Dus al die verse kennis is niet per se inspirerend.

Maar gisteren heb ik bij het afwassen het nadenken aangezet, en ik denk dat ik een idee heb gekregen waar ik iets mee kan. Het gaat inderdaad over onvermogen, maar het zou zomaar kunnen zijn dat iedere roman van iedere schrijver over onvermogen gaat.
Overigens leert de ervaring dat mijn ideeën drie tot vier keer rigoureus een andere kant opgaan voor ze een echt verhaal worden, dus ik weet nog niet of dit Het Idee is, of een idee.

In ieder geval: ik ben begonnen aan mijn vijfde boek.

Geen reacties | Link | 5 april 2016 | Categorie:

Miskenning

Bij schrijvers zit jezelf miskend voelen hoog in de top 10 van beroepsziekten. Ik heb er zelf bij vlagen last van, als een chronische aandoening die af en toe de kop opsteekt. Het feit dat je schrijver wilde worden heeft ongetwijfeld te maken met dat miskend voelen; waarom zou je anders een boek vol kunnen tikken en verwachten dat mensen de moeite nemen dat boek helemaal te lezen? Misschien zodat je na het tikken van dat boek kan zeggen: zie je, ze lezen het niet. Of: ze lezen het wel, maar ze begrijpen me niet.

Ik bivakkeerde tot een paar weken geleden nog regelmatig in het zaaltje met bedden waar de ze-lezen-het-nieters af en toe bij moeten komen, maar sinds mijn laatste roman bij De Wereld Draait Door boek van de maand werd, heb ik mijn lidmaatschap op dat zaaltje opgezegd en ik verplaats me nu alleen nog maar, zo heel nu en dan, naar het zaaltje met ze-begrijpen-me-nieters. Meestal ben ik overigens blakend van erkendheid, nu.

Grenzeloze fantasie

Anne Eekhout is een echte schrijver, want ze voelt zich ook miskend. Ze zegt in NRC Handelsblad dat ze de pech heeft dat ze niet autobiografisch schrijft en daardoor niet interessant is voor bepaalde media (DWDD) die boeken een verkoopsucces maken. Ze zegt dat ze juist om haar grenzeloze fantasie aandacht zou moeten krijgen van tv-programma’s.

Ik heb mezelf ook eens zo miskend gevoeld, omdat mijn vorige roman goede besprekingen kreeg, maar opvallend vaak met de aantekening dat de recensent het boek aanvankelijk had laten liggen omdat de achterflap kon doen vermoeden dat ik een autobiografisch gegeven had gebruikt om mijn verhaal te schrijven. Ik was daar behoorlijk pissig over, goeie recensies of niet.

Ik had dus de tegenovergestelde ervaring van Anne Eekhout, en ik tikte er ook opiniestukken over (die niet geplaatst werden; hallo miskenning, mijn oude vriend), maar in al dat soort stukken gongt de persoonlijke pijn door. Lees mij, ik word niet gelezen.

“Pure fictie”

Eekhout geeft een opsomming van wat er bijzonder is aan ‘pure fictie’, zoals zij het noemt, de volledig verzonnen roman, en waarom die verzonnen roman meer aandacht zou moeten krijgen (bij DWDD, bijvoorbeeld, of bij een nog niet bestaand tv-programma waarvan ze het format schetst).

Maar die verzonnen roman krijgt die aandacht al. Mijn eigen boek van de maand: ik heb ‘m helemaal verzonnen. Elke gebeurtenis in die roman heb ik gefantaseerd. Net als een heleboel eerdere boeken van de maand ‘pure fictie’ zijn: Godin, Held van Gustaaf Peek bijvoorbeeld, of De onderwaterzwemmer van Thomese.

Het thema

Maar het thema dat in mijn laatste boek zit, is vergelijkbaar met dat in mijn vorige romans, die wel autobiografisch geïnspireerd waren. En ik ben er vrij zeker van dat Eekhouts thema in haar eerste en tweede boek vergelijkbaar is, zelfs als ze nu zal zeggen dat het niet zo is. Net zoals Gustaaf Peek in zijn heel erg uiteenlopende romans (qua onderwerp) steeds over hetzelfde schrijft.

Schrijvers gaan niet zomaar schrijven, namelijk. Ze denken misschien dat ze schrijven ontdekken doordat het ze lukt op een leuke manier woorden achter elkaar te zetten, en hup, laat ik dan maar een boek schrijven, maar er zit een waarde in die woorden, een waarheid die geldt voor de schrijver, en die waarheid moet uitgedragen worden — dat is schrijven.

Beproevingen

“Je hoeft geen beproevingen te hebben doorstaan om een heel goede schrijver te zijn, maar het maakt je wel heel wat makkelijker te promoten,” schrijft Anne Eekhout.

Als Anne van zichzelf vindt dat ze een heel goede schrijver is, dan wil ik dat graag geloven; haar palmares bewijzen het. Maar als ze van zichzelf vindt dat ze geen beproevingen heeft doorstaan, dan geloof ik alleen dat zij dat gelooft, maar ik geloof het niet. Ieder mens doorstaat beproevingen. Hoe dan ook. Klein en groot, en al die beproevingen, hoe klein ook, hoe groot ook, hebben een uitwerking. Een van de mogelijke uitwerkingen: de noodzaak (daar is ie) tot schrijven.

En dat daar dan ‘pure fictie’ uitkomt of een verhaal met autobiografische elementen: dat doet er niet toe. Alle literatuur zegt iets over de schrijver, dus alle literatuur is autobiografisch. Anne Eekhout gaat op een gegeven moment zien waar ze altijd over schrijft, en ze gaat op een gegeven moment zien waar dat vandaan komt. Net zoals dat het geval is bij de schrijvers die ze als voorbeelden geeft, Joost de Vries, Jamal Ouariachi en Wytske Versteeg.

Een bestseller werd gemaakt

Dat ze niet te promoten zou zijn door haar vermeende gebrek aan beproevingen: dat is ook niet waar. Ik kan me een aflevering herinneren van DWDD (altijd weer dat DWDD!) waarin een paar mensen bij elkaar zaten om te vertellen waarom ze Bonita Avenue van Peter Buwalda zo goed vonden. Je zag wat daar gebeurde: er werd een bestseller gemaakt, maar het ging alleen over het boek, en het is een succes geworden zonder dat het één keer over de schrijver of zijn beproevingen ging.

Anne Eekhout hoeft niet boos te zijn om vermeende gewoonte van tv-programma’s alleen aandacht te besteden aan schrijvers met een verleden van “drugs, verslaving, of een rare familie die je heeft verneukt,” zoals zij het stelt. Er is wel degelijk aandacht voor de pure fictie.

En ja, er zitten vaker mensen bij zo’n programma die iets over hun rottige verleden te vertellen hebben dan mensen die aan die pure fictie doen, maar er zitten ook vaker mensen die een kookboek schrijven bij zo’n programma. Dat is de aard van het programma, niet de manier waarop de wereld naar literatuur kijkt.

En nee, een maand geleden had ik dit misschien niet zo gezegd. Maar erkenning schept helderheid, net zoals miskenning voor vertroebeling zorgt.

Schrijf door, voel je miskend, al dan niet terecht, maar schrijf vooral door, ontdek waar je over schrijft, verbaas je over het autobiografische ervan, schrijf een nog beter boek, en word genoemd op tv, of niet, maar schrijf door. Het zit in je, en het moet eruit, dus uiteindelijk doen we allemaal hetzelfde.

Geen reacties | Link | 23 maart 2016 | Categorie:

‘Een actuele stadstragedie van klassieke allure’

In de Groene Amsterdammer van 28 januari staat de eerste recensie voor Schuld, en het is een goeie. Je kan ‘m op Blendle lezen voor 29 cent.

Een paar quotes uit de recensie:

Schuld is een actuele stadstragedie van klassieke allure, die zich over krap een decennium uitstrekt en schoksgewijs wordt verteld door de verschillende betrokkenen. Allereerst dus broer Ron, de prototypische sjacheraar, geen geld, geen huis, maar wel een zoon voor wie hij eigenlijk niet kan zorgen. Ron is de ideale prooi voor het type creatieve schuldeiser dat witte Mo wordt genoemd sinds hij met Marokkanen begon om te gaan. ‘Mo heette Edwin voor hij Mo werd, maar alleen zijn moeder en de officier van justitie noemden hem nog zo.’ Witte Mo loopt ook in de winter op badslippers, en consequent met een slepend been, een gewoonte die hij twintig jaar eerder heeft afgekeken van zwarte jongens. ‘(…) er waren toen wel meer witte jongens die die sleep overnamen, maar Mo was blijven slepen’.

En:

(…) Dat je vervolgens met die mond open naar binnen kijkt, zegt natuurlijk alles over de kracht waarmee dit boek is geschreven. In klinkklare taal en in scherp gesneden scènes werkt de schrijver langzaam naar de climax toe, en laat hij alles op z’n plaats vallen.

En:

De ontroerende apotheose van dit rauwe noodlotsdrama van goede bedoelingen, domme pech en lafhartig wegkijken moet dan nog komen. Héle sterke shit van Van den Berg, dit verhaal over menselijkheid.

Schuld ligt deze zaterdag in de winkel, maar je kan ook nog de luxe-editie bestellen, rechtstreeks bij mijn uitgever.

Geen reacties | Link | 27 januari 2016 | Categorie:

“Fuck him. Fuck him to hell.”

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Tijdlijnen en poetsen in (werktitel) Schuld

De laatste keer dat ik over de vorderingen van boek 4 schreef, had ik verteld dat ik had ‘ingeleverd’, en inderdaad, er werd gejubeld, maar het jubelen was oprecht, en het voelde fijn. Het liefst zou ik van alles uit de mail van mijn redacteur willen citeren, als een kind dat een grote rode speelgoedauto heeft gekregen en het voortdurend aan de visite wil laten zien, maar dan verklap ik van alles, over het verhaal en over de spannende dingen om het nieuwe boek heen, dus ik hou me in.

Plot

Naast het jubelen waren er natuurlijk opmerkingen, en dat waren een paar opmerkingen die ik had verwacht en een paar opmerkingen die het verhaal heel erg helpen nog beter te worden. Een deel van die opmerkingen gaat over de tijdlijnen die er door mijn plot lopen.

Mijn vorige boeken hebben niet enorm veel plot in zich. Natuurlijk zit er een verhaallijn in, maar met dit nieuwe boek moet ik echt opletten wat ik laat gebeuren in hoofdstuk X, omdat ik in hoofdstuk Y iets corresponderends laat voorvallen.

There’s an app for that

Ik weet dat Ivo Victoria de muren van zijn schrijfruimte volhangt met papier om zijn verhaal duidelijk te houden, en Niels ’t Hooft gebruikt Excel-sheets, maar ik heb iets schrijf-specifieks gevonden: een app voor tijdlijnen.

Dat ziet er ongeveer zo uit (dit is een kleine uitsnede uit mijn hele tijdlijn):

Tijdslijn

En wat helemaal geweldig is: de tijdlijnsoftware kan integreren met mijn schrijfprogramma. Zodat ik, als ik mijn tijdlijn helemaal goed heb, binnen mijn schrijfprogramma (ik gebruik Scrivener) per hoofdstuk kan zien of ik dat hoofdstuk op het juiste tijdstip laat spelen.

De romantiek van het schrijven

Er zijn vast mensen out there die dit allemaal blasfemie vinden, waar is de romantiek van het schrijven gebleven, maar ik maak een zo goed mogelijk boek door de juiste gereedschappen te gebruiken.

Poetsen

Ik ben nu in de fase dat ik de opmerkingen verwerk, daar wil ik deze week mee klaar zijn. Dan gaat er weer gelezen worden, kijken of het boek helemaal klopt nu, en dan ga ik nog even flink poetsen. Schrijven is schrappen, dat is de bekende uitspraak, maar ik heb dit boek behoorlijk economisch geschreven. In het begin van het schrijfproces zijn er zeker scenes gesneuveld, maar dat was nog in de periode dat ik het verhaal aan het bouwen was. Toen ik het verhaal helder had, heb ik alleen maar doorgeschreven, en ik heb (nu) niet het idee dat er nog stukken uit zouden moeten. Poetsen gaat in dit geval bestaan uit meer kleur aanbrengen in scenes die ik nu nog kaal heb gelaten omdat ze nodig waren voor het plot.

De volgende keer…

De volgende keer dat ik een stukje schrijf over (werktitel) Schuld, wil ik een poging wagen te vertellen waar het boek over gaat. Ik denk dat ik het er in mijn nieuwsbrief wat openlijker over ga hebben, wat dieper inga op het thema, beetje onder ons, knus en gezellig. In die nieuwsbrief leg ik iets meer de ziel bloot. Als u interesse heeft in ontblote zielen, schrijf u in.

Dan ga ik nu verder met die tijdlijn.

Geen reacties | Link | 8 augustus 2015 | Categorie:

De 27 niveaus van Buwalda’s titel

TV-criticus Hans Beerekamp heeft volgens zijn stuk in NRC (Blendle-link, kost centjes) een minder leuke avond gehad dan ik, met Peter Buwalda in Zomergasten.

Tegen het einde kwam de grootste held te voorschijn, de „zelfgekozen vader” Philip Roth. Die constateerde in 2000 al het uitsterven van de lezer, door de komst van al die schermen. Buwalda was het eens met die opmerking, en citeerde met grote afkeuring Salman Rushdies suggestie dat tv-series de dikke romans van nu zijn.

Dat vond Buwalda onbestaanbaar, zoiets als „karbonade door een rietje”. Wat hier uit spreekt is het halsstarrig vasthouden aan de gedachte dat een verhaal verteld in woorden altijd superieur is aan een verhaal verteld in beelden. Dat was de reden dat hele generaties geen stripboeken mochten lezen, want dat zou ten koste gaan van de traditionele literatuur. Wat hier uit spreekt is het halsstarrig vasthouden aan de gedachte dat een verhaal verteld in woorden altijd superieur is aan een verhaal verteld in beelden.

Dat was de reden dat hele generaties geen stripboeken mochten lezen, want dat zou ten koste gaan van de traditionele literatuur. Buwalda zou natuurlijk ook een paar duizend dvd’s kunnen kopen van een videotheek die ermee kapt en dan zelf ontdekken dat je ook in beeld een tijdsverloop kan manipuleren. Hij heeft er geen tijd voor, want er moeten nieuwe dikke boeken geschreven worden, te beginnen met een roman over een olieman op Sakhalin en de relatie tot zijn zoon. De werktitel De Ja-knikker „werkt op 27 niveaus”.

Waarmee Beerekamp bewijst dat het woord sterker is dan het beeld, want hij maakt iets lulligs van die 27 niveaus, iets opschepperigs, maar als je Buwalda terugkijkt, zie je dat ie dat zei met een dikke knipoog.

Het ging Buwalda niet om het manipuleren van tijdsverloop, maar om de diepte van de personages: in literatuur kan je oneindig veel dieper gaan dan in beeld. En ik denk dat hij daar gelijk in heeft, al geloof ik dat een tv-serie als The Wire in zijn vorm literatuur is, maar dan wel binnen het universum van tv. Het grappige is dat Beerekamp met zijn voorbeeld van strips die slecht zouden zijn voor de literatuur zelf al aangeeft dat het om verschillende media gaat.

Iets anders dat me nu te binnen schiet: Buwalda zei dat show, don’t tell in de literatuur onzin was. Dat dat juist het grote voordeel is van het geschreven woord, ten opzichte van beeld; bij beeld kom je dan uit bij de voice over. Ik ben in mijn boeken altijd heel veel aan het showen en weinig aan het tellen, maar ik tell zeker wel als het moet, en het mooie is: het kan. Het blijft volkomen natuurlijk.

Geen reacties | Link | 4 augustus 2015 | Categorie:

Werktitel: Schuld

Ik heb een eerste versie van mijn nieuwe roman ingeleverd. Inleveren kan voor mensen die niet weten hoe het boekenvak werkt klinken als linkeballen voor mensen die de Tour nooit kijken. Dat inleveren doe je bij je redacteur, en je redacteur jubelt dan (over het feit dat je hebt ingeleverd) en kijkt ernaar, en is tevreden en zegt dat je zo door moet gaan, of hij/zij stuurt nog een beetje bij waar er bijsturen nodig is.

Ik zit te wachten op het ga zo door, natuurlijk, want ik zit in de roes van het schrijven en het daarbij verbeelden dat dit toch wel een boek gaat worden dat alle andere boeken overbodig gaat maken (ook boeken van anderen, dus). Maar er is een kleine kans dat er wat bijstuurberichten gaan komen, en dat is ook prima; ik zit nu in een schrijfpauze omdat er gelezen wordt, en zo’n schrijfpauze helpt om weer wat vaste grond onder de voeten te krijgen.

De vierde roman heeft als werktitel Schuld, en er is een gerede kans dat dat ook de definitieve titel gaat worden. Bekt lekker, en zit al in mijn systeem.
Ik heb wel eens in een groepje converserende schrijvers gestaan die het hadden over goed verkopende titels, en die titels zouden woordcombi’s zijn die goed zouden werken als cadeau, zoals ‘Het cadeau’ of ‘De vriendschap’ of ‘Ik vind je lief’. In die serie zou ‘Schuld’ het niet goed doen.

Maar verdorie, we hebben het over literatuur!
Dus lieve schrijversch van Nederland: ik kom er (waarschijnlijk) aan met Schuld. Geen idee of er in het verleden romans zijn verschenen die zo heetten, maar voor de komende jaren is die titel van mij.

Ik ga nu nog niet vertellen waar het boek over zal gaan, ik wil een nette logline bedenken die het in een paar krachtige zinnen kan zeggen.

Schuld (of toch een andere titel) gaat verschijnen in november. Spannend!

Geen reacties | Link | 6 juli 2015 | Categorie:

Iedere schrijver heeft één Catcher

Over debuteren en de bildungsroman

Waarin de Tweede Bildungswet van Van den Berg wordt geïntroduceerd.

Met het laatste Das Mag-festival zat ik bij een leesclubje dat The Catcher in the Rye behandelde, en het was niet het allerbeste leesclubje ooit, omdat de schrijver verhinderd was en de BN’er van dienst, Kees de Koning, het allemaal maar ongemakkelijk vond dat we bij elkaar zaten omdat hij een lievelingsboek had aangedragen, en omdat de mensen die het meest aan het woord waren twee zussen waren die het net iets te leuk vonden dat zij de mensen waren die het meest aan het woord waren. Op een gegeven moment hadden ze het over hun neef en dan op zo’n manier dat het duidelijk was dat ze vergeten waren dat er twintig mensen om ze heen zaten die hun neef niet kenden.

Maar ik zat in die kring na te denken over schrijven, en over hoe je als schrijver maar één keer de kans hebt om je eigen Catcher te schrijven.

70 procent van de debuten is coming of age

The Catcher in the Rye is een behoorlijk archetypische coming of age-roman, natuurlijk. Puberjongen schopt tegen het volwassen leven aan, kort samengevat. De meeste mensen die gaan schrijven, doen dat omdat ze zelf zo’n verhaal willen vertellen. Zonder enkele empirische basis durf ik te zeggen dat 70 procent van de debuten coming of age is, en dat de helft van de overgebleven 30 procent coming of age een betere keuze was geweest voor de debutant.
Voor mij was dat ook zo: De hondenkoning was onversneden bildung.

Ik vind dat ook logisch: een eerste boek schrijven is in zichzelf al een vorm van volwassen worden. Ik had twee slechte romans in de la liggen, en als ik met één van die dingen was gedebuteerd, had ik bij die 15 procent gehoord die met het verkeerde soort boek literatuurlandje in was gestapt. Maar (uiteindelijk) een behoorlijk boek schrijven is heel erg leerzaam. Een jaar bezig zijn met hetzelfde personage, niet opgeven als je denkt dat het allemaal waardeloos is en jezelf temperen als je denkt dat je de wereld gaat veroveren met een baanbrekende roman — je groeit op met je personage.

Prima om mee te debuteren

Een stevige bildungsroman is wat mij betreft simpel en duidelijk van opzet: een ik-verteller van jonge leeftijd vertelt een lineair verhaal; aan het eind van het verhaal is de verteller volwassener dan hij of zij aan het begin van het verhaal was. Prima om mee te debuteren dus.

Maar als je eenmaal die (jong)volwassenheid hebt bereikt, moet je ook doorgroeien. Ik denk dat je als schrijver niet te lang kan blijven hangen in de bildung.

Een schrijver die zichzelf ontwikkelt gaat experimenteren met vorm en stijl, met perspectief — nou ja, met alles. Ik ben ondertussen bij mijn vierde roman aanbeland, de boel vordert gestaag, en damn, wat ben ik aan het experimenteren, jongens.

Een paar debuten waar de schrijver zich niet voor hoeft te schamen

Als mensen die ik in het wild ontmoet horen dat ik boeken schrijf, vragen ze soms met welk boek ze moeten beginnen, en ik zeg nooit dat ze dat bij het begin moeten doen. De hondenkoning is niet een boek waar ik nog heel trots op ben. Wat alleen maar goed is, denk ik, er zijn maar een paar debuten in literatuurlandje waar de schrijver zich niet op zijn minst een beetje voor hoeft te schamen.

Maar als ik volgens mijn eigen wetten leef, was De hondenkoning de enige kans die ik had om literair te bilden. Terwijl ik af en toe een boek in mijn handen heb waardoor ik zin krijg om weer zoiets te maken. En niet eens goeie boeken; ik had het met Tai Pei van Tao Lin bijvoorbeeld. Niet uitgelezen, maar mijn bildungszenuw begon ervan te jeuken.

De tweede bildungswet van Van den Berg

Omdat ik die wetten allemaal zelf uitvind, bedenk ik er nu nog één: als volwassen geworden schrijver mag je je nog één keer aan de coming of age wagen. Een goeie, degelijke roman, lineair verteld, vanuit een ik-verteller. Waarin je als schrijver meeneemt wat je in de romans ná je debuut geleerd hebt.

Bepaal voor jezelf wanneer je dat doet, of het na boek 4 of 5 of 10 is; de kwaliteit van de roman zal aangeven hoe volwassen je als schrijver bent geworden. Ik denk voor mezelf dat ik er na boek 5 aan toe ben.

Lullig voor de paar schrijvers die hun beste boek al met hun debuut hebben afgeleverd, ik weet het, maar voor hun is het leven toch al een groot tranendal na dat vroege pieken.

Geen reacties | Link | 17 juni 2015 | Categorie:

How to design a metaphor

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Sjamaan

Een probleem met fictie

Een essay over waarom ik fictie af en toe een raar ding vind. En fictie een raar ding vinden is een raar ding voor een schrijver.

Ik heb een probleem met fictie. En dat is lastig, als je romans schrijft.
Dat probleem is er niet altijd geweest; het kwam pas toen bij het verschijnen van mijn derde roman de achterflap iets te vaak werd betrokken in de recensies. Op de achterflap stond dat het verhaal in het boek was gebaseerd op iets dat ik als kind had meegemaakt, en de professionele lezers vielen over die verwijzing. Ik ben daar een tijdje boos over geweest, en die boosheid had een bijverschijnsel: ik vond romans die heel erg verzonnen waren plotseling raar. Het lukte me niet meer te zien wat de functie was van zo’n volledig uit de verbeelding ontstaan boek. Ik verwierp het verzonnen verhaal. Bah, humbug.
Dat heeft een tijdje geduurd; ik zat als een mokkend kind in een hoek het spelletje van de andere kinderen stom te vinden, en zoals dat dan gaat met mokkende kinderen: het heeft niet door het alleen zichzelf dwarszit.
Mijn acceptatie van het verzonnen verhaal kwam weer een beetje terug toen ik op een Grieks strand The Bone Clocks van David Mitchell las en daar in verzonk, zoals bij romans kan gebeuren. Een roman biedt een andere wereld buiten de gewone wereld, en The Bone Clocks was heel erg een andere wereld, en Mitchell had de knop van mijn suspension of disbelief weer op aan kunnen zetten. Niet dat het een briljant boek was: The Bone Clocks schiet in al zijn verzonnenheid regelmatig gierend uit de bocht, zoals dat dan heet, maar ik vergaf het Mitchell allemaal; ik was in for the ride.
Die teruggekeerde acceptatie nam niet weg dat het vreemd was: waarom zou een mens uren, bij elkaar misschien wel dagen bij een boek van 500 plus bladzijden, in een wereld willen stappen die door een ander verzonnen is? Zodra een roman door meer dan één persoon gelezen wordt, begint het meteen te ruiken naar een soort overbrengen van een religie, als een sjamaan die bij een kampvuur vertelt hoe de berg waar de stam onder woont zijn witte top heeft gekregen.
Met films kan ik het nog aan, het voorstellen waarom je je overgeeft aan iemands verzinsels: je geeft je anderhalf uur over aan kant en klare beelden, je kan — als je niet te arthouse bent gegaan toen je je kaartje kocht — je hersens even uitschakelen. Het is ontspanning. Maar een beetje roman lezen is werken.
Waarom zou je dat willen?
Daar worstel ik mee.

2.

Een stap dieper.
Sinds The Bone Clocks lees ik weer met plezier. En ik lees — ook met plezier — zwaarder spul dan David Mitchell. Want Mitchell kan je ook lezen op het niveau van die anderhalf uur durende film, natuurlijk. Dus dat deel van het probleem is opgelost. Nu naar het echte probleem.
Ik ben mijn vierde roman aan het schrijven.
Voor mijn vierde roman ben ik heel veel aan het verzinnen.
De eerste drie waren allemaal wel ergens gebaseerd op iets dat ik zelf had meegemaakt; alleen bij de laatste van die drie, Van dode mannen win je niet (De bezige bij, 2013), hadden we dat op de achterflap gezet omdat het relevant was, vond ik toen, en dat vind ik nog steeds: ik heb een gewelddadige stiefvader gehad en in dat derde boek vertel ik het verhaal vanuit mijn stiefvader. Moeilijke jeugden zijn er genoeg beschreven in de literatuur, moeilijke jeugden die worden besproken door de veroorzaker van zo’n jeugd zijn er veel minder.
Van dode mannen win je niet was voor mij vooralsnog een soort culminatie van dat persoonlijke verhaal; nu is het tijd verder te kijken. En in dit geval betekent verder kijken: verzinnen.
Ik heb voor het boek waar ik mee bezig ben een paar personages gepakt die ik al eerder op heb gevoerd in mijn tweede roman (West, De bezige bij, 2007), om niet te rigoureus te breken met mijn universumpje, en alles wat er in dit verhaal gebeurt, verzin ik.
Dat verzinnen is een traag proces, maar ik zou het niet moeizaam willen noemen. Ik heb in mijn schrijfleven, dat begon toen ik een jaar of veertien was, denk ik, een hoop verzonnen, dus het is niet vreemd voor me, hoe raar ik het nu ook vind. Als schrijvende puber vond ik verzinnen juist niet meer dan logisch. Ik wilde vooral SF-verhalen vertellen; mijn personages liepen rond op ruimteschepen. Dat je personages mee zouden kunnen maken wat jij zelf meemaakte, of dat ze iets mee zouden maken wat in ieder geval in een universum zou kunnen gebeuren dat dichtbij jouw eigen wereld lag, kwam toen nog niet in me op.
Het trage zit nu vooral in bedenken of het klopt bij wat ik wil vertellen. En ook dat is nieuw voor me: van te voren bedenken wat ik wil vertellen. Niet het letterlijke verhaal, natuurlijk, maar het thema dat ik duidelijk wil maken. Nadat ik drie romans had geschreven werd me duidelijk wat mijn thema is, en nu ben ik daar veel meer op voorhand mee bezig. Kan gevaarlijk zijn, want misschien ga ik erdoor kunstelen. Maar het zou me ook niets verbazen als ik nu een helder thema in mijn hoofd heb, en straks als het boek in de winkel ligt bedenk dat het eigenlijk heel ergens anders over gaat. Niet erg: dat voorkomt gekunsteldheid, denk ik.
Allemaal niet erg.
Maar ik denk net iets te vaak, terwijl ik mijn verzonnen verhaal zit te tikken: wat een fokking arrogante bezigheid is dat schrijven, zeg.
Ik voel me net iets te vaak die sjamaan bij dat kampvuur dat wil dat mensen naar zijn onzin luisteren.

3.

Door iets over schrijven te vinden, door er een mening over te hebben, plak ik die mening ook op andere schrijvers. Fokking arrogante gasten zijn het. Allemaal.
Maar dat zijn ze niet, natuurlijk.
Er zijn karrevrachten aan schrijvers aan te voeren voor wie die arrogantie wel geldt, maar zo heb je vast ook karrevrachten aan arrogante loodgieters. Of stukadoors, misschien is dat een beter voorbeeld; stuken is zo knettermoeilijk dat de arrogantie vast wel boven komt drijven bij de mensen die van zichzelf overtuigd zijn dat ze er goed in zijn. Net als bij schrijvers dus.
Maar er zijn genoeg schrijvers te bedenken bij wie die arrogantie niet bestaat. Die hun verhaal moeten vertellen. Alex Boogers bijvoorbeeld, die het een gekte noemt die langzaam opbouwt en er dan uit moet. Bij het schrijven aan zijn laatste boek is hij twee keer in het ziekenhuis opgenomen omdat zijn lichaam reageerde op die gekte.
Noodzaak. Het beruchte woord als het over schrijven gaat.
Als ik dat bij mezelf bekijk, gaat het niet om een gekte die langzaam opbouwt. Ik vind het lekker een mooi boek te maken, een goed verhaal, ik ben meer dan Alex B. met het schrijven bezig en met het ‘schrijver zijn’, met een mooie omslag kiezen en met het feestje als het boek klaar is. Waar ik bij mezelf die Noodzaak opmerk: dat thema waar ik het over had. Als ik bij alles wat ik ooit heb geschreven (verhalen en romans) eerlijk ga kijken naar waar het verhaal écht over gaat, zie ik dat ik eigenlijk altijd over hetzelfde schrijf, ook al dacht ik tijdens het schrijven dat ik nu met wel iets héél anders bezig ben.
Het feit dat ik een thema heb, bewijst die noodzaak, denk ik.
Goed; een noodzaak. Dat verklaart misschien waarom je de behoefte hebt 50.000 woorden te tikken, maar moeten andere mensen daar het slachtoffer van worden? Moet je zomaar iets kunnen verzinnen en verwachten dat andere mensen daar hun tijd in gaan steken?

4.

Tijd om eerlijk te zijn tegen mezelf.
Twee dingen:

  1. Dat laatste boek, Van dode mannen win je niet, daar stond niet op de achterflap: dit boek is autobiografisch. Er stond dat ik een gewelddadige stiefvader had gehad en dat ik in zijn huid was gekropen. Ik heb tachtig procent van dat boek verzonnen. Dat ik zo boos werd op fictie kwam alleen doordat een aantal beroepslezers mij ervan beschuldigden dat ik geen fictie had geschreven, of dat ik dat althans op de achterflap beweerde.
  2. Iemand vertelde me onlangs dat ze dat boek had gelezen en er, terwijl ze ‘erin’ zat, snel voor naar huis ging om verder te kunnen lezen. (Ik high-fivede mezelf in gedachten.)

Dus ik heb dat boek verzonnen, en het blijkt dat mensen er graag hun tijd in steken. En als ik eerlijk ben: dat is verdomd lekker.

5.

Moet je zomaar iets kunnen verzinnen en verwachten dat andere mensen daar hun tijd in gaan steken?
Als David Mitchell dat had gedacht, had hij me een mooi boek ontnomen. Als Alex Boogers dat had gedacht, had hij me een bijzondere ervaring ontzegd met zijn Alleen met de goden, waarin ik veel van mezelf herkende.
Ik heb de sjamanen nodig. Niet iemand bij een kampvuur die me vertelt waarom ik bang moet zijn als de donder over het veld rolt en de bliksem inslaat, maar sjamanen die me met moderne verhalen vertellen over het leven nu of me juist weghalen bij dat leven en me op die manier ook helpen.
Ik kies ervoor naast die sjamanen te zitten en naar hun verhalen te luisteren. Ik zet mijn probleem met fictie opzij. Dat probleem is een probleem van een verongelijkt kind.

6.

Ik ben zelf ook een sjamaan. Ik vertel verhalen aan dat kampvuur omdat ik verhalen heb waarvan ik vind dat ze gehoord moeten worden, dat ze geloofd moeten worden. Of een verhaal, dat ik in meerdere vormen vertel.
Dat verhaal is gebaseerd op iets dat ik mee heb gemaakt, en ik gebruik steeds meer fictie om dat verhaal te vertellen. Ik moet accepteren dat ik fictie nodig heb. Fictie is het smeermiddel om mijn verhaal over te brengen. Ik ben een sjamaan, en dat idee moet ik accepteren en omarmen, en ik moet de best mogelijke boeken schrijven om mijn verhaal te vertellen.
Als je schrijft, geloof dan in het schrijven.

Geen reacties | Link | 16 april 2015 | Categorie:

The Narrative Possibilities of Networked Life

Geen reacties | Opgeslagen onder:

Escape from Microsoft Word

Geen reacties | Opgeslagen onder: